De schedel van de Piltdownmens is in werkelijkheid van een middeleeuwer die rond 1300 stierf, en de onderkaak van een mensaap, vermoedelijk een orang-oetan uit Borneo.

© Polfoto

Historische oplichterij: grootste vondst van de 20e eeuw was nep

Heel Groot-Brittannië stond op z’n kop toen een amateurarcheoloog in 1912 beweerde de ‘missing link’ gevonden te hebben: het bewijs voor de evolutietheorie van Darwin. Maar later zou blijken dat de zogeheten Piltdownmens te mooi was om waar te zijn.

Het gebouw van de Geological Society in Londen is niet op zo’n gigantische mensenmassa berekend.

Alle onderzoekers van het land die iets voorstellen staren naar een schedel die op een tafel in het midden van de ruimte ligt. De botten hebben duidelijk trekken van zowel een mens als een aap. En onder de vele toeschouwers wordt opgewonden gefluisterd dat deze schedel het antwoord biedt op de vraag hoe de mens ontstaan is.

Op het spreekgestoelte staat degene om wie het allemaal draait: een stevig gebouwde man met een kale kruin en een grote snor.

De amateurarcheoloog Charles Dawson, de trotse vinder van de resten, is net klaar met zijn verhaal over zijn spectaculaire ontdekking.

‘Zijn er nog vragen?’, zegt Dawson. Alle aanwezigen beginnen door elkaar te roepen. Met

name één vraag brandt hun op de lippen: Hoe oud is deze zogeheten Piltdownmens precies, aan wie de schedel heeft toebehoord?

Dawson schraapt zijn keel.

‘De schedel is gevonden in een laag uit het midden-pleistoceen. Dat houdt in dat de Piltdownmens ruim 500.000 jaar geleden op onze aardbol rondwandelde.’

Dawson strikt een expert

Zeven maanden eerder – op een morgen in mei 1912 – was Dawson onaangekondigd op bezoek geweest bij Arthur Woodward, de baas van de geologische afdeling van het British Museum.

In het muffe en donkere kantoor van Woodward, dat volgestouwd was met boekenkasten en vitrines met botten, verkondigde Dawson gewichtig dat hij helemaal uit Sussex was gekomen om zijn nieuwste vondst te tonen. En die lag nu netjes ingepakt in grijs papier op de tafel die tussen hen in stond.

‘De Heidelbergmens valt hierbij toch in het niet?’ sprak Dawson triomfantelijk, terwijl hij het pakje opende.

Er kwamen drie fragmenten van een flinke schedel tevoorschijn. Het bot was dik en sterk, bijna aapachtig.

Dawson had zijn vondst gedaan in een grindgroeve bij het dorp Piltdown, en hij wist zeker dat er nog meer botten in hetzelfde gebied zouden liggen. Hij vroeg Woodward – een toonaangevend fossielexpert – of hij mee wilde werken aan deze unieke opgraving.

Een paar weken later stonden de twee mannen in het groene, glooiende landschap van Sussex. Ze dropen van het zweet, en toen de zon bijna onder was, spraken ze af om nog één keer een schop in de grond te steken.

‘We bekeken delen van de groeve waar het grind nog onaangeroerd was, toen we de helft van de kaak van een mens voor onze schep uit de grond

zagen steken. Zo vonden we het meest opzienbarende deel van het fossiel dat we zochten,’ zei Woodward later.

Het gerucht verspreidde zich als een lopend vuurtje in academische kringen.

‘Ik heb de hele dag aan niets anders gedacht dan aan dit fantastische fossiel,’ schreef professor E.R. Lankester, een vooraanstaand zoöloog, in een brief aan Woodward. Hij voegde toe: ‘U zou de overheid om – laten we zeggen – 500 pond moeten vragen om de rechten te verwerven op alle opgravingen in de toekomst. Ik weet zeker dat de hele

familie daar begraven ligt, compleet met kuitbeenderen en de hele mikmak!’

Anderen waren dolgelukkig dat er in Groot-Brittannië zo’n spectaculaire vondst was gedaan. Eindelijk telde het machtige wereldrijk volop mee op de wetenschappelijke gebieden van de archeologie en de paleontologie.

‘Ik verliet het museum in de overtuiging dat een grootse ontdekking was gedaan op een plek waar je die het minst zou verwachten: Sussex. Ik ben blij dat Engeland nu eens een keer gewonnen heeft,’ schreef de vermaarde anatoom Arthur Keith nadat hij de vondst had onderzocht.

In december 1912 werd de Piltdownmens aan de meest vooraanstaande onderzoekers van het land getoond.

© Scanpix

‘Een nieuwe mensensoort’

18 december 1912 was een dag waar het hele land reikhalzend naar had uitgekeken. Op de

jaarvergadering van de Geological Society zou de vondst voor het eerst in het openbaar worden getoond, en Dawson en Woodward waren op van de zenuwen.

De grootste geleerden van het land waren aanwezig, onder wie de aartsbisschop van Canterbury zelf. Het vraagstuk van de oorsprong van de mens was een gevoelig punt voor de

kerk, en de bisschop wilde de nieuwste vondst van de Darwinaanhang niet missen.

‘Nog nooit was deze ruimte zo vol. De kwestie van onze relatie tot de apen is voor alle lagen

van de bevolking een heet hangijzer. Weinig onderwerpen lokken zo veel discussie uit,’ schreef de krant Saturday Review.

Ondanks de misprijzende blik van de aartsbisschop was de bijeenkomst een groot succes. Alle sprekers beaamden dat Dawson een vondst had gedaan van groot historisch belang. Zelfs de

anders zo bedeesde Woodward was apetrots: ‘Dit is onweerlegbaar bewijs voor alle wetenschappelijke theorieën!’

De volgende dag kopte de krant The Times: ‘Eerste bewijs van een geheel nieuwe mensensoort’, welbeschouwd nogal een understatement voor de grootste sensatie van de eeuw.

Dagjesmensen zoeken naar botten

Het volgende jaar ging het opgravingsterrein open voor het publiek. In de zomer van 1913

werd het dorpje Piltdown een grote toeristische trekpleister, en bezoekers uit Londen stroomden met bussen tegelijk toe.

De plaatselijke krant Sussex Daily News beschreef hoe een gids ‘de plaats aanwees waar de

schedel is gevonden, en de groep bestudeerde het gebied grondig. Veel mensen maakten van de gelegenheid gebruik om zelf ook te gaan graven, maar helaas werden er niet meer schedels gevonden.’

Vervolgens ging het hele gezelschap theedrinken in het raadhuis, waar een afgietsel van de

schedel te zien was en ansichtkaarten te koop waren.

In 1915 bereikte de fossielenkoorts zijn hoogtepunt. Een statig schilderij van Dawson,

Woodward, Lankester en Keith kwam in de beroemde Royal Institution of Great Britain te hangen.

De schedel zelf werd in de hoofdzaal van het natuurwetenschappelijk museum tentoongesteld, die met zijn zuilen en gewelven nog het meest deed denken aan een kathedraal. Het heiligste voorwerp van de Britse natuurwetenschap, de Piltdownmens, lag hier naast een nieuw boek van de hand van Arthur Woodward, getiteld Handboek van de fossiele resten van de mensheid.

Ook Lankester en Keith publiceerden boeken over de fantastische vondst, en verkondigden

dat de Britse wetenschap met de Piltdownmens eindelijk ‘de veelbesproken “missing link” in handen had, het meest belangwekkende fossiel dat ooit is gevonden’.

Te midden van al deze heisa stierf Charles Dawson plotseling op slechts 52-jarige leeftijd. De anatoom Arthur Keith noemde hem in een necrologie ‘een lichtend voorbeeld van de mannen die de Britse wetenschap voortstuwen: de nadenkende, oplettende amateur’.

Toen de Piltdownmens was gevonden, stroomden de toeristen toe om te graven. Maar ze vonden niet één botje

© Scanpix

De hoofdpersonen vallen weg

Na Dawsons dood ging Woodward door met het onderzoek naar de Piltdownmens. Hij ging bij

de vindplaats wonen, en gedurende 20 jaar deed hij er elke zomer opgravingen – maar dat leverde geen enkel resultaat op. Toen Woodward te oud en te ziek was geworden om nog te graven, ging hij maar een boek schrijven over de Piltdownmens.

Terwijl zijn landgenoten schuilden voor de Duitse bommen die tijdens de Tweede Wereldoorlog op Sussex neerdaalden, ging Woodward onverdroten door met zijn werk. Op 1 september 1944 legde hij eindelijk de laatste hand aan zijn boek. De volgende ochtend werd Arthur Woodward dood in zijn bed aangetroffen.

Piltdownmens onder vuur

Vier jaar later werd Woodwards boek, The Earliest Englishman, uitgegeven, waardoor de belangstelling voor de Piltdownmens weer opleefde. In de 36 jaar sinds de vondst had de

wetenschap niet stilgestaan en waren nieuwe methoden ontwikkeld om de ouderdom van botten te kunnen bepalen.

In 1949 werd de Piltdownmens uit het natuurhistorisch museum gehaald voor een zogeheten

fluordatering. Het resultaat sloeg in als een bom. Hij bleek lang niet zo oud als de onderzoekers hadden gedacht.

De Piltdownmens was ongeveer 50.000 jaar oud, en in die tijd liep Homo sapiens, de moderne mens, al rond. Er kon dus geen sprake zijn van een ‘missing link’ of van de eerste mens. De Piltdownmens was niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis.

De jonge antropoloog en anatoom Joseph Weiner van de University of

Oxford las het boek van Woodward ook.

Tijdens een conferentie over de vroege mens in 1953 kreeg hij de beroemde schedel te zien, en in de tijd daarna onderwierp hij de oude botten aan een nauwkeurig onderzoek.

Weiner ontdekte tot zijn ontzetting dat de kiezen in de kaak onder het roodbruine oppervlak spierwit waren.

Ook leek het net alsof de kiezen met de hand afgevijld waren en niet waren gesleten door het kauwen. Zo waren de kauwvlakken van de kiezen opvallend vlak en pasten ze niet op elkaar.

Bij wijze van experiment probeerde Weiner een fossiel te fabriceren door een kies van een aap glad te vijlen en te kleuren. Het resultaat was vrijwel gelijk aan de kies van de Piltdownmens.

Weiner belde meteen een collega van het natuurhistorisch museum op.

‘Neem je krachtigste microscoop en onderzoek het gebit van de Piltdownmens grondig. Kun je

sporen vinden van een moderne bewerking?’

Een uur later belde zijn collega terug: ‘Ik weet het zeker. De verkleuring is kunstmatig aangebracht!’

Er volgden nog meer onthullingen, en het hele verhaal van de Piltdownmens stortte als een kaartenhuis in elkaar. De kaak bleek afkomstig te zijn van een chimpansee of orang-oetan, en de verkleuring was gewone bruine verf.

De kauwvlakken van de kiezen van de Piltdownmens waren zo egaal dat er volgens de onderzoekers bedrog in het spel was.

© Science Photo Library

Schedel stamt uit de middeleeuwen

Krantenkoppen als ‘de grootste wetenschappelijke zwendel van de eeuw’ en ‘de grote missing link-bluf’ waren niet van de lucht. De gerenommeerde krant The Times probeerde de Britse

eer nog een beetje te redden door te schrijven dat ‘de schedelfragmenten de resten van echte oermensen zijn’.

In 1959 was de Piltdownmens al zijn geloofwaardigheid kwijt. Een koolstof 14-datering deed hem voorgoed de das om: de schedel stamde uit de 14e eeuw, en het kaakbeen was zelfs nog jonger. Dit kwam vermoedelijk van een orang-oetan uit Borneo. ‘De eerste Engelsman’ was

dus een mix van een middeleeuwer en een Aziatische aap.

De jacht op de zwendelaar was nu geopend. Weiner wist zeker dat Dawson de schurk was, en in de hoop meer te weten te komen over de beroemdste archeoloog van Sussex toog hij naar

de plaatselijke archeologische vereniging.

Tot zijn verbazing ontdekte Weiner dat Dawson bepaald niet geliefd was bij zijn lokale

collega’s.

Eén archeoloog vertelde dat Dawson regelmatig het werk van anderen had gestolen. Zo zou een van zijn boeken een kopie zijn van dat van een historicus. Bovendien verdachten archeologen hem ervan dat hij meer dan eens had gerommeld met archeologische vondsten om ze ouder te laten lijken dan ze waren.

Dawson heeft schedel zelf gemaakt

In Londen spoorde Weiner een oude vriend van Dawson op, die meldde dat hij twee keer onaangekondigd bij het kantoor van Dawson was langsgegaan. De eerste keer was de

hobbyarcheoloog bezig een stukje steen te kleuren, en de tweede keer beschilderde hij een bot.

De vriend had niet eerder zijn mond opengedaan omdat Dawson immers een gerespecteerd

archeoloog was en zich met vermaarde wetenschappers als sir Arthur Woodward omringde.

Nader onderzoek bracht aan het licht dat Dawson in de loop der jaren boten, standbeelden,

vuurstenen wapens en Romeinse hoefijzers had vervalst.

Weiner kwam er nooit achter wat het motief van Dawson was geweest om de Piltdownmens te verzinnen. Wellicht was er sprake van jaloezie: anders dan zijn broers had Dawson nooit aan

de universiteit kunnen studeren, waardoor zijn droom van een mooie carrière in de wetenschap nooit was vervuld.

Diefstal en oplichting vond hij blijkbaar geoorloofd om zich academische erkenning en een plaats in de geschiedenisboeken te verwerven.