De Dag des Oordeels brak aan. As en stukken steen daalden neer op Pompeï, en de inwoners vluchtten in paniek.

© Bridgeman

Vesuvius maakte van Pompeï stad des doods

In het jaar 79 n.Chr. werd een van de grootste steden in het Romeinse Rijk in één keer van de kaart geveegd. De havenstad Pompeï en haar bevolking werden bedolven onder as en steen. Onderzoekers kunnen de doodsstrijd van de stad nu van uur tot uur reconstrueren.

24 augustus 2018 door Niels-Peter Granzow Busch

De eerste waarschuwing kwam ’s ochtends vroeg, op 24 augustus 79. In de Italiaanse havenstad Pompeï werden mensen wakker toen hun huizen begonnen te trillen. 

Weer trof een kleine aardbeving de grote handelsstad aan de Golf van Napels aan de westkust. Toch sliepen de meesten van de meer dan 20.000 inwoners gewoon verder.

Toen de zon enkele uren later opkwam, leek er niets aan de hand. Het zag er zelfs naar uit dat het opnieuw een warme, zonnige zomerdag zou worden. 

Op de markt prezen de kooplui hun vruchten, brood, groenten en verse vis aan, klanten probeerden af te dingen. 

In de bakkerij in het centrum van Pompeï had de bakker zijn broden in de oven geschoven, en in de tempel voor de vruchtbaarheidsgodin Isis waren de priesters bezig met hun rituelen.

Rond het middaguur begonnen de slaven in de grote villa’s van de stad met de voorbereidingen voor de lunch. 

Ook de bewoners van de luxueuze woning van de wel­gestelde koopman Gaius
Julius Polybius aan de hoofdstraat, de Via dell’Abondanza, waren bezig het middagmaal klaar te maken. 

Naast Gaius Julius waren zijn vrouw, vijf kleinkinderen en zijn neef en diens zwan­gere vrouw aanwezig, en dan natuurlijk nog de slaven van het gezin.

Ze wilden net aan de lunch beginnen toen hun wereld in één klap instortte. Onder een oorverdovend lawaai trilde de aarde en zelfs de grootste gebouwen zwiepten heen en weer. 

Direct daarna zagen de verbijsterde inwoners van Pompeï dat de Vesuvius, ongeveer tien kilometer naar het noorden, een enorme zuil van as en puimsteen uitbraakte.

Langzaam verdween het daglicht. As, puimsteen en brokstukken vielen als regen neer op de huizen van Pompeï en de ontstelde inwoners. De dag des oordeels was aangebroken.

Pompeï werd gesticht rond de 6e eeuw v.Chr. en groeide uit tot een drukke handelsstad. In 80 v.Chr. kwam het onder Romeins gezag.

© AKG Images

Een regen van as en steen

Misenum, 24 augustus, 13.00 u

Op deze voor Pompeï zo rampzalige dag zat de 18-jarige Plinius de Jongere te studeren in het huis van zijn oom in de stad Misenum, ongeveer 30 kilometer ten noordwesten van Pompeï. 

De stad was de thuishaven van een van de grootste vloten van Rome, waarvan Plinius’ oom, Plinius de Oudere, opperbevelhebber was. Vanuit het huis kon de jonge Plinius de enorme aszuil zien die de Vesuvius aan de andere kant van de Golf van Napels uitbraakte. 

Hierover schreef hij later in een brief aan de Romeinse geschiedschrijver Tacitus: 

‘Je kunt die nog het best beschrijven als een dennenboom: een hoge stam die uitmondt in takken. Op sommige plaatsen wit, op andere plaatsen met rode aderen en smoezelig, afhankelijk van hoeveel aarde en as er in de lucht geblazen werd.’

Plinius’ brief is het enige ooggetuigenverslag dat historici hebben van de gebeurtenis die in krap 24 uur Pompeï en omgeving van de kaart veegde. 

Vulkanologen, archeologen en andere wetenschappers hebben gegevens over de ramp verzameld en daarmee de laatste uren van Pompeï gereconstrueerd.

De conclusie van hun onderzoek is dat de wolk die Plinius vanuit Misenum kon zien, bestond uit gloeiende as en puimsteen, die de Vesuvius uitbraakte met een snelheid van bijna 1000 km/h. Per seconde werd ongeveer 10.000 ton vulkanisch materiaal de lucht in geblazen. 

Enkele minuten na de uitbarsting hadden as en stenen een gigantische zuil gevormd van 15 kilometer. Een deel van de as en het lichte puimsteen werd door de wind naar het noorden geblazen, waar het op Pompeï neersloeg.

De ontzette inwoners zochten direct bescherming in hun huizen. Ook Gaius Julius en zijn familie, die verstijfd van schrik stenen en brokstukken van rotsen op het dak hoorden vallen.

Anderhalf uur na de uitbraak werd de stenenregen steeds heviger en de uitbarsting van de Vesuvius steeds feller. De inwoners moesten de lamp aandoen, hoewel het midden op de dag was.

Mensen op de vlucht

Pompeï, 24 augustus, 17.00 u

Duizenden wanhopige mensen sloegen op de vlucht. Met kussens, pannen en manden om hun hoofd te beschermen renden ze door de straat en ploeterden ze door de kniehoge aslaag naar de stadspoorten. 

Archeologisch onderzoek wijst uit dat velen de dood vonden door vallende stenen en losse dakpannen.

In de tempel van Isis zochten de priesters de belangrijkste schatten bij elkaar en liepen de straat op. Toen ze de hoek van de Via dell’Abbondanza naderden, waar Gaius Julius woonde, werd een priester die een zak gouden munten droeg, dodelijk getroffen.

De rest vluchtte verder, maar iets verderop kwamen er nog twee geestelijken om door instortende gebouwen. 

De overgebleven priesters zochten bescherming in een huis, waar ze in de uren erna een voor een stikten. De laatste die stierf had een bijl in zijn hand. 

Brokstukken hadden de deur geblokkeerd en hij had wanhopig geprobeerd een gat te hakken in de buitenmuren. Vergeefs.

In de villa van Gaius Julius besloten de al wat oudere koopman en zijn familie binnenshuis te blijven. 

De hoogzwangere vrouw van de neef zou zich onmogelijk een weg kunnen banen door de enorme hoeveelheden as en steen die inmiddels in de straten van Pompeï waren neergedaald. 

De familie bleef erop vertrouwen dat de verschrikkelijke stenenregen snel zou ophouden.

Op de tweede dag van de uitbarsting bereikte een gifwolk van gas, as en steen Pompeï. De gloeiende stroom overspoelde de straten en vernietigde alles wat op zijn weg kwam.

© Bridgeman

Daken storten in

Misenum, 24 augustus, 19.00 u

Kort na de uitbraak van de Vesuvius had admiraal Plinius de Oudere in Misenum een verzoekschrift ontvangen van een kennis, die in een afgelegen villa vlak bij de vulkaan woonde. 

Volgens zijn neef Plinius was dit reden om een aantal schepen van de vloot gereed te maken om naar Pompeï te zeilen en over zee zo veel mogelijk mensen te redden.

Toen de admiraal met zijn schepen Pompeï naderde, bleek de kust inmiddels onmogelijk te bereiken. 

De vulkaan had miljoenen tonnen steen over de Golf van Napels uitgebraakt, waardoor de kust geblokkeerd was; een reddingsactie zou je reinste zelfmoord zijn.

‘De as daalde als regen neer op de schepen, veel heter en dichter dan je je ook maar kon voorstellen. Plotseling werd het eb en lag het strand vol puin dat uit de berg geslingerd was’, schrijft Plinius de Jongere in zijn brief.

Daarom gaf de oude admiraal het bevel om naar de stad Stabiae te zeilen, verder naar het zuiden. Hier arriveerde hij in de loop van de middag en hij verschanste zich in het huis van een vriend, in afwachting van een nieuwe kans om hulp te kunnen bieden.

In Pompeï werd de regen van as en steen steeds heviger. Inmiddels braakte de Vesuvius elke seconde maar liefst 100.000 ton as en puin uit, en de zuil kwam wel 30 km de lucht in.

Voor de bevolking van Pompeï was dit de allerlaatste kans om de stad uit te vluchten. Overal stortten daken in en honderden opgesloten inwoners werden gewoon verpletterd. 

Ook het dak boven het voorste deel van de villa van Gaius Julius stortte in. De doodsbange familie kon ternauwernood naar het achterste deel van het huis vluchten, waar het dak zo steil was dat het meeste puin eraf gleed, de straat op.

Hier bleef de kleine familie op haar redding wachten.

Slachtoffers smelten

Herculaneum, 25 augustus, 1.00 u

Om één uur ’s nachts bereikte de eerste van in totaal zes gloeiende, vernietigende aslawines het nabijgelegen Herculaneum. 

Door de windrichting was dit stadje ten noordwesten van Pompeï gevrijwaard gebleven van de regen van steen die op Pompeï was neergedaald. Maar een urenlange aardbeving deed veel burgers toch op de vlucht slaan.

Honderden mensen brachten op het strand de nacht door en hoopten op redding van overzee. Wie wakker was, zag een enorme vuurfontein plotseling van de berghellingen stromen. 

De zuil van as en steen boven de Vesuvius werd kleiner en een enorme lawine van hete as, gloeiende brokstukken en giftige gassen rolde met 100 km/h en een temperatuur van 800 °C de berg af.

Niemand kon ontsnappen aan de roodgloeiende golf, die drie à vier minuten later over de stadspoorten van Herculaneum heen kolkte, door de straten naar de vluchtelingen op het strand.

Archeologen hebben bijna 300 slachtoffers gevonden aan de kust van Herculaneum. De meesten hadden hun heil gezocht in boothuizen bij het strand. 

Opgegraven botten laten zien dat de inwoners van Herculaneum niet zoals die van Pompeï waren omgekomen door verstikking, maar door de enorme hitte.

In nog geen seconde waren ze dood: door de lawine verdampte hun huid en vlees, hun kokende hersenen explodeerden en hun botten versplinterden.

In een van de slachtoffers herkenden de archeologen een Romeinse soldaat. Onderzoek van zijn skelet toont aan dat door de druk van de lawine alle botten in zijn lichaam waren gebroken, op de botjes in zijn binnenoor na.

Zelfs de zilveren en bronzen munten die sommige slachtoffers bij zich droegen, smolten door de intense hitte.

In de boothuizen hoorden de vluchtelingen de lawine zwaar rommelen, die op dat moment hun stad en huis wegvaagde. Sommigen keken door de deuropening naar buiten. 

De meesten hadden echter angstig hun hoofd weggedraaid toen de lawine naar binnen denderde en hen wegspoelde.

Tussen de slachtoffers vonden de archeologen een tienermeisje – misschien een slavin – met een baby’tje dicht tegen zich aan in de hoop het te kunnen beschermen.

Volgens Plinius de Jongere was er door de uitbarsting van de Vesuvius zo veel puimsteen op de kust terechtgekomen dat schepen de haven niet langer konden bereiken.

© Bridgeman & Polfoto/Ullstein Bild

Aardbeving nadert misenum

Stabiae, 25 augustus, 6.30 u

Volgens Plinius de Jongere was Stabiae, waar zijn oom verbleef, nu ook door enorme hoeveelheden as en aardbevingen getroffen; de kamer van zijn oom zat vol as. 

‘Ze vroegen zich af of ze binnen moesten blijven of naar buiten gaan; de gebouwen schudden op hun grondvesten en leken heen en weer te zwiepen alsof ze loskwamen van hun fundamenten’, schreef Plinius.

Tussen 6.30 en 7.00 uur trof een van de lawines Pompeï voor het eerst. Veel van het vulkanische materiaal werd afgeremd door de grote stadsmuur aan de noordkant, maar giftige gassen doodden vele vluchtelingen in de straten en de zwakkeren die niet konden wegkomen.

De aardbevingen waren inmiddels voelbaar tot in Misenum, waar Plinius de Jongere en duizenden andere inwoners besloten te vluchten voordat de Vesuvius ook hun stad met de grond gelijk zou maken. 

Niet veel later daalde de as ook neer over Misenum.

‘Je hoorde alleen nog maar mannen schreeuwen, vrouwen gillen en kinderen blèren. Mensen riepen hun ouders, hun kinderen of hun vrouw, ze herkenden elkaar alleen maar aan de stem. 

Er waren er die hun handen ophieven, maar anderen geloofden niet meer dat er goden waren en dachten dat de laatste eeuwige nacht was aangebroken’, vertelt de jonge Romein.

Pompeï zwaar getroffen

Pompeï, 25 augustus, 7.30 u

De aszuil die de Vesuvius uitgebraakt had, viel plots uiteen tot een lawine, groter en krachtiger dan alle lawines tot dan toe.

In een razende vaart donderde de golf de berg af, regelrecht naar Pompeï. De gloeiende as stroomde naar binnen via deuren, ramen, kieren en gaten en doodde de meeste inwoners die waren achtergebleven.

In tegenstelling tot in Herculaneum waren de mensen in Pompeï niet op slag dood; meestal ademden ze nog een keer of drie voor ze bezweken. 

Bij de eerste ademteug inhaleerden ze warme as en gas, waardoor de longen zich onmiddellijk met vocht vulden. Bij de tweede kwam er nog meer as in hun longen. 

Samen met het vocht ontstond er een nat cement in de longen en luchtpijp. Bij de derde inademing werd het cement nog dikker, de slachtoffers snakten naar adem en stikten uiteindelijk.

In het zuidwesten van de stad doodde de lawine een grote groep mensen in het huis van een rijke koopman, dat we tegenwoordig ‘Het huis van Menander’ noemen. 

Het werd gerenoveerd toen de vulkaan uitbrak en de eigenaar, Quintus Poppeus, woonde tijdelijk elders. Een vrijgelaten slaaf paste op het huis. Deze bewoonde samen met zijn dochter een klein appartement in het huis.

Toen de asregen begon neer te dalen, zocht een grote groep mensen haar toevlucht in het huis. De volgende morgen, toen de puimsteenregen begon af te nemen, besloot bijna iedereen te vluchten. De meesten waren op weg naar boven toen de volgende golf er aankwam.

Archeologen troffen in dit huis vier groepen slachtoffers aan. Een groepje van tien werd gevonden bij de trap naar de bovenste etage. 

Op deze verdieping bevonden zich twee vrouwen en een jong meisje, omgekomen toen ze het huis probeerden te verlaten. En een derde groep was ingesloten op de onderste verdieping. Wanhopig hadden ze met een bijl gaten in de muur proberen te slaan om bij de anderen te komen.

Ten slotte vonden de archeologen de vrijgelaten slaaf in zijn kleine appartement. Hij lag in bed – misschien sliep hij, of misschien wilde hij het huis dat hij moest beschermen niet verlaten. 

Zijn dochtertje lag op het voeteneinde toen de gloeiend hete as binnenstroomde.

Aan de andere kant van Pompeï probeerden de bewoners van het huis van Gaius Julius wat te slapen. Zijn neef en zwangere vrouw lagen in een hoek bij elkaar. 

Toen de lawine door de straten kolkte, konden de twaalf nergens meer heen. Alle deuren en ramen waren versperd en het voorste deel van het huis was ingestort. 

Een voor een stikten ze in de gloeiend hete wolk van as en gas. Ten slotte zakte ook het achterste deel in elkaar en werden ze begraven onder een laag as en steen. Pas zo’n 1850 jaar later – in januari 1913 – zagen het huis en zijn bewoners opnieuw daglicht.

Na de ontdekking van Pompeï werd de stad overspoeld door toeristen, die vondsten meenamen als souvenir.

© Ullstein Bild & Polfoto/Corbis

Vesuvius vernietigt alles

Pompeï, 25 augustus, 8.00 u

Een kwartier nadat de koopmansfamilie was omgekomen, werd de Golf van Napels overspoeld door de laatste en grootste lawine. 

Gas, as en stenen walsten over de doodse steden heen en schoven de kustlijn 450 meter op, de zee in. Op zijn weg door het gebied doodde de lawine duizenden mensen die ’s ochtends vroeg gevlucht waren.

In Stabiae was admiraal Plinius de Oudere naar de zee toe gelopen om te kijken of deze kalm genoeg was om de zeilen te hijsen. 

Maar de zee was nog te woest en Plinius vroeg zijn slaven een kleed op de grond uit te spreiden waarop hij even kon uitrusten.

Toen raakte de lucht doordrongen van een scherpe zwaveldamp, door de lawine verspreid. Deze bedreigde alles wat leefde in het centrum van de baai. Plinius’ vrienden sloegen ijlings op de vlucht en lieten hem met twee slaven op het strand achter. 

Met hun hulp kwam hij moeizaam overeind, maar hij zakte meteen weer in elkaar. Plinius de Jongere vermoedde later dat de dichte damp zijn oom vergiftigde.

‘Toen het daglicht – twee etmalen nadat hij het voor het laatst had gezien – terugkeerde, werd zijn lichaam gevonden, volledig intact, met kleding en al. 

Het leek of hij sliep’, schrijft Plinius, die het sterven van zijn oom door een van diens vrienden had horen beschrijven.

De jonge schrijver zelf overleefde de ramp, waardoor hij 25 jaar later de catastrofale gebeurtenis kon beschrijven en daarmee de wereld het enige oog­getuigenverslag ervan verschafte.

Pompeï vergeten

Zes lawines kwamen van de Vesuvius naar beneden en er werd negen miljard ton vulkanisch materiaal over de Golf van Napels verspreid. 

Toen de vulkaan tot rust was gekomen, lag Herculaneum begraven onder 25 meter brokstukken, steen en as, en Pompeï onder een laag puin van vier meter. Het landschap rond de Vesuvius was volledig verwoest.

In totaal hebben archeologen 1150 slachtoffers gevonden in Pompeï, maar onderzoekers schatten het werkelijke aantal doden veel hoger. Vermoedelijk werden velen die het geluk hadden de stad te kunnen ontvluchten, later ingehaald door de lawines van steen en as.

Na de ramp stuurde de Romeinse keizer Titus een leger naar Pompeï om te zoeken naar overlevenden. 

De daken van de hoogste gebouwen en poorten staken boven de dikke aslaag uit, en gaven zo de plekken aan waar de soldaten hun tunnels moesten graven.

Archeologen hebben aanduidingen van soldaten gevonden op de muren die ze tijdens opgravingswerkzaamheden in de eerste, hectische dagen hadden blootgelegd, zoals ‘Hier lagen 50 personen die op deze plaats zijn gestorven.’

De Romeinen kwamen er al gauw achter dat hun reddingsoperatie tevergeefs was geweest. Keizer Titus gaf opdracht Pompeï weer op te bouwen, maar al snel bleek dat de verwoestingen te omvangrijk waren. 

De havenstad Stabiae, net buiten het rampgebied, nam geleidelijk de handel op zee over van de van de kaart geveegde stad.

Na verloop van tijd vergat men waar Pompeï had gelegen. De naam raakte in onbruik. De lokale bevolking noemde de heuvel waaronder de stad begraven lag, la Civita, de stad. 

Het duurde 1500 jaar voordat iemand ontdekte welke noodlottige verhalen de heuvel aan de voet van de Vesuvius verborg.

Wij weten dat verhalen uit het oude Rome geliefd zijn bij onze lezers. Daarom schrijven we ook in bijna alle nummers van HISTORIA over de Romeinen. Neem een abonnement - dan krijg je:

  • Het tijdschrift rechtstreeks in je brievenbus
  • Een geschenk naar keuze

Lees ook

Paul Wilkinson: Pompeii – The Last Day, BBC Books, 2004. Ernesto De Carolis & Giovanni Patricelli: Vesuvius A.D. 79, Getty Publications, 2003. James M. Deem: Bodies from the Ash, Houghton Mifflin Company, 2005.

Bekijk ook ...