In de loop van de 5e eeuw werd Rome meermaals door barbaren geplunderd. Veel burgers zagen dit als een voorteken van de ondergang van de wereld.

© Claus Lunau & Bridgeman

Val van Rome sleurde heel Europa mee

In de 5e eeuw stort het West-Romeinse Rijk in. Germanen vallen binnen, steden lopen leeg en hele samenlevingen raken hun beschaving kwijt. Op de puinhopen van het prachtige Romeinse verleden begint Europa van voren af aan.

4 januari 2019 door Jan Ingar Thon & Niels-Peter Granzow Busch

De boodschap van de Romeinse keizer aan zijn Britse onderdanen was even duidelijk als onheilspellend: ‘Vanaf nu hebben jullie je verdediging in eigen hand.’

Al maanden hadden de Britten Rome gesmeekt troepen te sturen om Britannia, het noordelijkste gewest, tegen de barbaren te verdedigen. Het was het jaar 410 n.Chr., en de bevolking van Britannia had zo’n 350 jaar onder Romeinse heerschappij en bescherming geleefd. 

Dat was nu voorgoed voorbij. Op bevel van keizer Honorius bliezen de laatste troepen de aftocht, net als uit alle andere westelijke provincies. En ze zouden niet vervangen worden.

‘De Romeinen drukten de Britten op het hart te strijden voor hun eigendommen, land, vrouwen en kinderen,’ vertelt de monnik Gildas, die rond 540 de geschiedenis van Britannia opschreef.

De Britten zagen de laatste Romeinse galeien aan de einder verdwijnen. Ze waren nu op zichzelf aangewezen.

Rome geplunderd

Begin 5e eeuw vocht het Romeinse Rijk voor zijn bestaan. Al jaren belegerden Germaanse stammen de noordgrenzen en in 401 ging het mis: een groot leger Goten trok naar Italië. 

De Romeinen trokken in paniek hun legioenen terug uit de buitengewesten om de dreiging af te wenden – tevergeefs. Op 24 augustus 410 veroverden de Goten Rome en ze plunderden de stad drie dagen lang.

Keizer Honorius verbleef toen in de Noord-Italiaanse stad Ravenna. De niet zo snuggere keizer was dol op duiven en had er één ‘Roma’ genoemd. 

Naar verluidt begreep hij daarom het bericht dat Rome gevallen was verkeerd: ‘En ze heeft net nog uit mijn hand gegeten!’, zou hij vertwijfeld hebben uitgeroepen.

Honorius kalmeerde meteen toen hij begreep dat zijn dienaar de stad bedoelde, niet de duif. Kort daarop trokken de Goten weg uit Rome, maar nu staken in het noordoosten andere Germaanse stammen over de onbeschermde grenzen van het rijk. Het onheil naderde. 

De Romeinen lieten bij vertrek uit Britannia de grote vestingen die hen tegen de barbaren hadden beschermd, leeg achter, zoals hier in Porchester.

© Rob Nunn/www.Robnunnphoto.com

Burgers ontvluchten de steden

Britannia was de verste uithoek van het rijk, waar de Romeinen een kopie in het klein van Rome hadden gesticht. In en om de steden in het noorden lagen prachtige landhuizen, marmeren tempels en badhuizen met warm water. 

En op de verharde wegen liepen Romeinen en Britten in Romeinse kledij, al droegen ze door de kou soms wollen sokken in hun sandalen. Verder was alles als in Italië.

Toen de Romeinen het eiland in 410 verlieten, stortte de Brits-Romeinse samenleving in. Met de legioenen verdween het Romeinse bestuur, dat voor rust en orde gezorgd had. 

Bovendien stokte de handel met het vasteland, en omdat niemand het zich nog kon veroorloven in de landhuizen te wonen, raakten ze in verval. In de steden werktene riolering en waterleidingen naar de badhuizen niet meer, omdat niemand wist hoe deze grote en vernuftige voorzieningen te onderhouden.

In een klap was elke vorm van ordehandhaving verdwenen en gold het recht van de sterkste. 

Dit leidde ertoe dat de inwoners van de steden kennelijk eieren voor hun geld kozen en naar het platteland vluchtten. Rond 420 – nog maar tien jaar na het vertrek van de Romeinen – was er in Britannia geen stad meer over. 

Uit opgravingen blijkt dat wat er van York resteerde, in de loop van de 5e eeuw weer in één grote modderpoel was veranderd. In de overwoekerde straten en ingestorte gebouwen leefden alleen nog wilde dieren.

Urnen gebruikt voor eten

Met de leegloop van de steden in Britannia verdwenen ook veel zaken waar de Britten aan gewend geraakt waren. Plotseling was het onmogelijk om aan zoiets simpels als nagels voor doodskisten te komen. 

Nu moest de bevolking zijn doden zonder kist in greppels of gaten in de grond begraven. Ook een veelgebruikt en onmisbaar artikel in het dagelijks leven in de Romeinse tijd – aardewerk – werd niet langer gemaakt. Want met de Romeinen verdween ook de kennis van draaischijven en pottenbakovens. 

Voor de felbegeerde Romeinse kruiken kwam nu primitief aardewerk in de plaats, dat bij het minste of geringste brak. En zelfs daar was moeilijk aan te komen. In een woonstede in Cadbury vonden archeologen asurnen, die opgegraven waren uit een oude Romeinse begraafplaats in de buurt. 

Nadat de as eruit gekieperd was, bleken ze hergebruikt om eten mee te bereiden. En dat door mensen die opgegroeid waren met marmer, mozaïeken en warmwaterbaden.

Het zou nog ruim 700 jaar duren voor er weer gebouwen kwamen ter grootte van de Romeinse basilica’s en legervestingen. Er was nog maar een schim over van Britannia toen 40 jaar later Germaanse Angelen en Saksen uit Noord-Duitsland binnenvielen.

Oudgedienden laten vroeger niet los

Terwijl de Britse bevolking grotendeels terugviel in de bronstijd, kwamen Germaanse stammen over de Rijngrens in golven Gallië binnen, het huidige Frankrijk. Ze lieten een spoor van dood en verderf achter: ‘De rook stijgt op boven Gallië als van een reusachtige lijkverbranding’, schreef een ooggetuige.

Vanuit Gallië trokken de stammen verder naar Spanje. Binnen tientallen
jaren werden grote gebieden in die landen zelfstandige Germaanse rijken. De nieuwe vorsten namen Romeinse instellingen over en baseerden hun rijken op Romeinse wetgeving. Zo was een geestelijke als Paulus Orosius lovend over het optreden van de Germanen in Spanje: ‘De barbaren hebben hun zwaard afgelegd en de ploeg ter hand genomen, zij beschouwen de Romeinen als hun vrienden’, schreef hij in 417.

Maar louter rozengeur was het leven onder de nieuwe heersers ook weer niet, blijkt uit een 6e-eeuwse wettekst uit Frankrijk: ‘Doodt iemand een vrije Frank, hij boete 200 solidus. Maar doodt iemand een Romeinse landeigenaar, hij boete 100 solidus.’

Voor de oorspronkelijke bewoners was de overgang echter geen drama. Hun karige bestaan was altijd al zwaar. Maar voor de hogere stand, gewend aan weelde, was de verandering schokkend. De rijkaard Paulinius beschreef hoe hij zijn wijngaarden verloor en verhuisde naar een woninkje in de stad: ‘Ten slotte hebben het verlies van mijn land en de ouderdom mij geknakt. Ik werd een landloper – arm en zonder gezin.’

Ondanks de machtswisseling wilden delen van de bevolking, zoals in Gallië, niet onder ogen zien dat het Romeinse Rijk voorgoed voorbij was. Volgens de Byzantijnse historicus Procopius lieten voormalige Romeinse grenssoldaten hun zonen en kleinkinderen opleiden in de Romeinse krijgskunst van weleer: ‘Zelfs nu kunnen we nog zien bij welke legioenen ze vroeger hoorden. Ze dragen eigen standaarden als ze ten oorlog trekken, en hun kledij is nog helemaal Romeins, tot en met hun schoeisel.’

De oostelijke gewesten werden door vele stammen aangevallen, zoals de Bulgaren.

© Vatikan Library

Burgers opgejaagd wild

De Romeinse overheid stond borg voor de veiligheid van de burgers in alle
gewesten. Maar na het vertrek van de Romeinse soldaten kregen roversbendes en vijandelijke stammen vrij spel.

Volgens een verhaal uit die tijd over de heilige Severinus, die in het gewest Noricum leefde – het huidige Oostenrijk – ried deze het de koster van een plaatselijke kloosterkerk af om te reizen: het zou te gevaarlijk zijn. Toch gingen de koster en zijn pastoor op pad: ‘Prompt werden hij en de pastoor door de barbaren gevangengenomen en over de rivier de Donau weggevoerd.’

De ene na de andere samenleving werd verwoest of brak op, en ten slotte was het grootste deel van het gewest Noricum volledig ontvolkt.

Ook in het westen heerste wetteloosheid. De nieuwe rijken die de Germanen stichtten in de Romeinse gewesten, waren instabiele vorstendommen, niet in staat om, zoals de Romeinen, grote beroepslegers in stand te houden. 

Roversbendes belaagden het platteland. Voortaan bewaakten machtige landeigenaren ter plaatse elk hun gebied met een klein leger. De vorsten van Europa klopten dan ook in tijden van oorlog bij hen aan om krijgsvolk te leveren.

Val van de Romeinse keizers

Terwijl de gewesten vielen, trachtten de keizers in Rome uit alle macht de laatste resten van het rijk bijeen te houden. In Italië zelf lag de macht bij de keizerlijke Germaanse huurlingenlegers en hun aanvoerders. Het rijk had zijn langste tijd gehad.

De doodssteek kwam in 476, toen Odoaker Romulus, de Germaanse legerleider, keizer Augustus afzette. Het was gedaan met de West-Romeinse keizers.

In 493 greep de Goot Theodorik in Italië de macht. Net als Odoaker was hij generaal in het Romeinse leger geweest, en hoewel hij niet kon lezen en schrijven was hij volgens Prokopios een waardig vorst: ‘De Goten én de Italianen leerden hem lief te hebben.’

Maar Theodorik stuurde zijn kinderen niet volgens de Romeinse keizerlijke traditie naar school. ‘Hij zei: als ze eenmaal de tuchtstok leren te vrezen, zullen ze nooit het zwaard en de speer durven trotseren’, aldus Procopius.

Tijdens Theodoriks strenge, maar bekwame bewind beleefde Italië een nieuwe bloeitijd. Hij liet wegen en aquaducten herstellen en organiseerde tot vreugde van het volk als vanouds grote festiviteiten. En zo had het kunnen doorgaan, als de Byzantijnse keizer zich er niet mee was gaan bemoeien.

De nekslag

Terwijl Theodorik pogingen deed het West-Romeinse Rijk nieuw leven in te blazen, leefde het Oost-Romeinse –Byzantijnse – Rijk met zijn hoofdstad Constantinopel (nu Istanboel) in vrede met de erfvijand van de Romeinen, de machtige Perzen. De Byzantijnen konden daarom de meeste invallen uit het noorden en het westen afslaan.

Op de keizerstroon zat Justinianus, die droomde van een hersteld en verenigd Romeins Rijk onder Byzantijns gezag. In 535 zond hij Belisarius, zijn beste generaal, naar het Italië van de Goten. Het zou echter 20 jaar duren voor de Goten capituleerden. De hevige gevechten legden grote delen van Italië volkomen in puin.

Rome had het zwaar te verduren. Keer op keer werd de stad belegerd, veroverd en heroverd. De aquaducten, de trots van de Romeinen, brachten niet langer vers water naar de stad. 

De enkele duizenden inwoners die er nog waren, hadden hun nering aan de Tiber, waar ze vuil water uit de modderstroom moesten drinken. 

En er brak hongersnood uit, zodat de Romeinen volgens Procopius brandnetels aten die opschoten tussen de brokstukken van de stad, maar dat voedde nauwelijks: ‘Het gebeurde vaak dat ze dood neervielen terwijl ze daar kauwend op de brandnetels rondscharrelden. Toen begonnen de Romeinen zelfs hun eigen uitwerpselen te eten’, meldt hij.

Rond 550 was alle Gotische weerstand gesmoord. Maar het was een zege zonder inhoud. Het verwoeste land was grotendeels verlaten, en zelfs de hoofdstad van de wereld lag in puin. Het West-Romeinse Rijk was met de grond gelijkgemaakt.

Wat geen barbaar lukte hadden de Byzantijnen voor elkaar gekregen.

De succesvolste Germaanse koning was Clovis, die in 509 het Frankenrijk stichtte – het huidige Frankrijk.

© Polfoto/Ullstein Bild

Lees ook

Adrian Goldsworthy: The Fall Of The West, Weidenfeld & Nicolson, 2009. Robin Fleming: Britain After Rome – The Fall and Rise 400 to 1070, Penguin Books, 2011. 

Bekijk ook ...