De Romeinen losten drugs op in wijn en hielden zich niet in.

© Wolfgang Rieger

Oude Romeinen waren verslaafd aan opium, speed en cannabis

Drugs waren vrij verkrijgbaar in het oude Rome. Om hun zorgen te vergeten of om inspiratie op te doen snoven, dronken en aten de Romeinen roesmiddelen, die uit geneeskrachtige planten gewonnen werden.

Euforiserend, lustopwekkend, pijnstillend, ontspannend – het medicijnkastje van moeder Natuur heeft overal een middeltje voor, en de oude Romeinen experimenteerden er lustig op los.

Zo werden extracten van giftige planten en kruiden door boeren gebruikt om hun rugpijn te bestrijden, door dichters om inspiratie op te doen en door soldaten om moed te vergaren.

Er was veel waar de Romeinen zich zorgen over konden maken: honger, ziekte, oorlog en armoede. Als de oogst mislukte of er tuberculose uitbrak, kon een heel dorp uitsterven, en een op de drie baby’s overleed kort na de geboorte.

Van een kinderschare van 10 zou maar de helft zijn vijfde verjaardag vieren. De gelukkigen die hun jeugd overleefden, wachtte een moeizaam bestaan.

De mannen zwoegden op het veld of vochten voor het rijk, en de vrouwen bleven thuis om kinderen te baren.

De burgers wilden af en toe ontsnappen aan hun beproevingen, en drugs waren een goedkope manier om dat te doen.

Staat verkoopt drugs Niet alleen de armen gingen zich te buiten aan verdovende middelen, ook in de villa’s van senatoren werden ze volop gedronken, gegeten en gesnoven.

En zelfs de priesters en priesteressen van Rome lustten er wel pap van. De Romeinen maakten geen onderscheid tussen geneesmiddelen en drugs zoals wij dat doen.

Ze slikten stoffen voor het effect, en bekommerden zich niet om de invloed op hun gezondheid. Volgens historici waren het gebruik van en de handel in drugs volkomen geaccepteerd.

De staat verkocht zelfs een deel van de opium en reguleerde de prijzen, zodat de burgers zich de drugs konden veroorloven.

In 312 konden de Romeinen opium kopen in maar liefst 793 staatswinkels, en op de markten vormden bundels cannabis en andere euforiserende planten een vast onderdeel van het aanbod.

Dankzij de papaver konden de Romeinen de werkelijkheid even ontvluchten.

© Shutterstock

Opium verbouwd in de moestuin

De natuurhistoricus Plinius de Oudere schreef een indrukwekkend werk over planten. De vermaarde wetenschapper wijdde zijn leven aan het onderzoeken van allerlei natuurverschijnselen.

Zijn geschriften zijn een van de detailrijkste bronnen van kennis over de teelt en het gebruik van drugs door de Romeinen.

Zo beschreef Plinius hoe de papaver, waar opium van gemaakt wordt, tussen de kool en peterselie in de moestuintjes van de Romeinen groeide.

Hij leverde ook een recept voor opium: ‘Uit de donkere papaver win je een slaapmiddel door een sneetje in de steel te maken als de knoppen gevormd worden (...), oogst in het derde uur van een heldere dag.’

Opium was de populairste drug in het Romeinse Rijk. Niets anders rekende zo effectief af met pijn en bracht de mensen zo snel in dromenland.

Als de Romeinen in de papaver sneden, liep het sap als druppeltjes uit de stengel, en daarom kreeg het verdovende middel de naam lacrimae papaveris: papavertranen.

Ovidius, een van de grootste dichters van het rijk, beschreef de werking van de bedwelmende tranen:

‘Wanneer ik van de ontspannende opium drink, raak ik het gevoel van slechte dagen kwijt,’ aldus de poëet. Hij stak niet onder stoelen of banken dat de roes van verschillende stoffen net zo belangrijk voor hem was als een muze.

Alles wordt geprobeerd

Romeinen waren naast opium ook dol op planten als cannabis, gevlekte scheerling en alsem. Ook deze werden in moestuintjes geteeld of uit de vrije natuur gehaald.

De recepten gingen over van generatie op generatie. Romeinse geleerden wisten niets van de scheikundige samenstelling van planten, dus of een extract tegen hoofdpijn of slapeloosheid hielp, was een kwestie van uitproberen.

Werkte een stof, dan concludeerde de wetenschap dat de plant geneeskrachtig was. Een euforiserende werking was slechts een bijkomend voordeel, en als de dosering verkeerd was, bleek dat vanzelf wel.

Met natuurgeneesmiddelen viel nu eenmaal niet te spotten. Geleerde én gewone Romeinen bedachten allerlei manieren om de drugs tot zich te nemen.

Meestal werd een extract in wijn opgelost en gedronken. Soms gooiden ze de kruiden in een vuur een inhaleerden ze de rook.

Zaden en wortels werden gestampt en in een zalf verwerkt, die op de huid of in de neus, anus of vagina aangebracht werd, waar de stof snel opgenomen wordt.

Plinius de Oudere schreef: ‘Er was niets dat niet uitgetest werd (...). De Romeinen hebben ruige berggebieden, onbekende woestijnen en alle hoeken van de aarde uitgekamd om de kracht en de toepassing van elk worteltje te ontdekken (...) Zelfs wat de dieren links laten liggen, is bruikbaar.’