De Romeinen maakten gretig gebruik van slavenarbeid, maar in Las Médulas werd het werk gedaan door Spaanse stammen. Met hamers, houwelen en beitels hakten de arbeiders tunnels uit in de harde klei.

© Shutterstock, Per O. Jørgensen & Wayne Southwell

Hebberige Romeinen zochten goud in Spanje

De Romeinse gouddorst kende geen grenzen, en bij de winning ging het er niet zachtzinnig aan toe. In Spanje ontwikkelden ingenieurs de meest indrukwekkende methode om Moeder Natuur haar kostbare schat afhandig te maken.

25 februari 2019 door Niels-Peter Granzow Busch & Thomas Grane

De honderden arbeiders zitten onder de modder en het zweet druipt van hun gezicht. Vol ontzag kijken ze naar de 100 meter hoge berg van roodbruine klei en gesteente. 

Het is de zomer van 73 n.Chr., en voor de werklui is de hitte in het gebied Las Médulas in de Romeinse provincie Hispania Tarraconensis niet te harden. 

Het is tijd voor de beslissende krachtmeting tussen Moeder Natuur en het Romeinse Rijk. De winnaar krijgt de duizenden goudkorrels die schuilgaan in de miljoenen tonnen klei van de berg.

In de verte klinkt een onheilspellend gebulder wanneer de werklui de sluizen van een waterreservoir hogerop in het gebergte openen. Met 150 kilometer per uur stroomt het water een tunnel in die loodrecht van de top van de mijnberg naar de voet loopt. Met een hels kabaal stroomt de tunnel in no time vol, terwijl de aarde begint te beven onder de voeten van de toeschouwers.

Er klinkt een oorverdovende knal, en de bergtop ontploft. Stenen en bomen vliegen door de lucht, en uit de barsten spuiten geisers van hete lucht en waterdamp uit het binnenste van de berg naar buiten. 

Vanaf een veilige afstand kijken de arbeiders tevreden toe hoe de berg als een dodelijk gewonde reus in elkaar zakt in een inferno van water en modder. Rome wint – en krijgt het goud.

De Romeinse historicus Plinius de Oudere, die in 73 n.Chr. als ambtenaar in Noordwest-Spanje werkte, heeft het verhaal van de Romeinse goudmijnen in de provincie opgeschreven.

Om het goud in handen te krijgen, gebruiken de Romeinen volgens Plinius een geniale en verwoestende methode: ruina montium – bergvernietiging. Het landschap zou er blijvend door veranderen. Zelfs Plinius, die wel wat gewend was, stond versteld: ‘Wat hier gebeurt, overtreft zelfs het werk van giganten.’

Rome is in de ban van goud

Van alle volkeren van de oudheid waren de Romeinen het meest verzot op goud. Rome had het nodig om zijn enorme rijk draaiend te houden, en voor de gegoede burgers van de stad waren sieraden van goud een zeer belangrijk statussymbool. 

Plinius wond zich op over de eeuwige zoektocht naar goud van zijn landgenoten: ‘Wat de aarde in de bodem verstopt heeft, zijn de zaken die ons kapotmaken en ons te gronde richten,’ schreef hij in zijn werk over metalen.

De goudzucht was een van de redenen dat keizer Augustus in 26 v.Chr. wel drie legioenen naar Noordwest- Spanje stuurde om de lokale stammen te verslaan. Een jaar later begonnen de ingenieurs met de winning van bodem-schatten. Een groot deel van het goud lag in rivierbeddingen en was niet moeilijk uit te spoelen. Op andere plaatsen moesten de Romeinen diep in het leisteen doordringen.

Bij Las Médulas zat het edelmetaal echter in de bergen van klei en steen die gedurende miljoenen jaren door de rivieren aan de voet van grote berg-ketens waren afgezet. 

Volgens Plinius was de klei nog harder dan vuursteen: ‘Het zou het hardste zijn wat er bestaat, afgezien van de begeerte naar goud, die is het sterkst van alle dingen,’ schreef de natuurwetenschapper.

Om het goud van Las Médulas te winnen, zetten de Romeinen het grootste mijnbouwproject van de oudheid op. 

200 jaar lang won Rome goud in de kleibergen van Las Médulas. De tunnels waarmee de Romeinen de bergen opbliezen, zijn nog steeds te zien.

© Alessio Damato

1000 kilometer kanalen graven

Plinius is de enige bron die vermeldt hoe de Romeinen te werk gingen in Noordwest-Spanje, en er zitten grote hiaten in zijn beschrijvingen. Maar door zijn tekst naast archeologische vondsten te houden, zijn historici erin geslaagd het enorme mijnproject grotendeels te reconstrueren. 

De meeste bergen van afgezet materiaal in Las Médulas waren kilometerslang en ruim 100 meter hoog. Er zaten piepkleine goudkorreltjes in. Uit berekeningen blijkt dat een kubieke meter klei zo’n 0,05 gram goud bevatte. Alleen goudwinning op een gigantische schaal was lonend. En daar was veel water voor nodig. Heel veel.

Gelukkig waren de Romeinen goed thuis in het transport van water. Ze hakten 16 kanalen uit in de rotsen van de omliggende bergketens, die water uit meertjes en rivieren haalden. 

Plinius schrijft dat de hellingen zo steil waren dat de arbeiders die de hellingsgraad en de route van de kanalen uitstippelden, aan lange touwen bungelden tijdens het werk. ‘Voor de toeschouwers die de operatie van een afstand bekeken, leek het net een zwerm vogels.’

Via de kanalen – sommige waren wel 100 kilometer lang – liep het water naar het lager gelegen Las Médulas, waar het in bassins opgeslagen werd. 

Historici hebben berekend dat alleen al de drie grootste kanalen elke dag 34 miljoen liter water aanvoerden – de inhoud van 14 Olympische zwembaden. Als er voldoende water was, konden de Romeinen aan de slag met de goudwinning.

Kleibergen moeten kapot

Als de laag die het goud bevatte aan de buitenkant zat, hoefden de Romeinen alleen geulen in de kleiberg te graven. 

Vanuit de bassins stroomde er dan water door, waardoor er klei, puin en goud in daartoe gebouwde spoelkanalen van hout belandden. Hier werden vervolgens de goudkorreltjes eruit gezeefd.

Vaak zat het goud echter onder in de berg, en dat hield in dat de Romeinen eerst 100 meter klei, puin en stenen moesten verwijderen. Volgens Plinius werd in deze gevallen gebruikgemaakt van de ruina montium-techniek. 

De kleibergen waren een paar kilometer lang, en de arbeiders groeven eerst een netwerk van horizontale en verticale tunnels in de berg om het gedeelte dat ze wilden verwijderen te isoleren. Daarna werden de tunnels met water uit de bassins gevuld om de berg te verzwakken en een breukvlak te creëren.

Gelijktijdig legden andere werklui een hoofdtunnel aan, die bijna verticaal van de bergtop naar de bodem liep. Dan maakten ze een rechte hoek en groeven ze een stuk horizontaal de berg in, en vervolgens gingen ze een paar meter naar boven. 

Aan het eind van de tunnel maakten ze een ronde holte midden in de berg. Volgens Plinius zwoegden de arbeiders maandenlang in de krappe tunnels, die nog geen meter breed waren. 

Het licht kwam van olielampen – als die opgebrand waren, was het tijd voor de volgende werkploeg. Regelmatig stortte een tunnel in en werden de werkers bedolven onder het puin.

‘Het lijkt nog minder hachelijk om parels van de zeebodem te proberen te halen. Wat hebben we de wereld toch gevaarlijk gemaakt,’ mopperde Plinius.

De tonnen klei en puin van de ingestorte kleiberg kwamen in grote kanalen terecht, waar arbeiders – onder het toeziend oog van legionairs – het goud eruit zeefden.

© Per O. Jørgensen

Muur van water blaast berg op

Wanneer het gat in het midden van de berg klaar was, begon het indrukwekkendste gedeelte van ruina montium. De Romeinen groeven een lang kanaal van een van de waterbassins hoger in de bergen naar de hoofdtunnel, waarna de hel kon losbarsten.

Als de sluis van het bassin openging, stroomden er miljoenen liters water de hoofdtunnel in. Plinius vertelt dat de berg korte tijd later ontplofte. ‘De berg stort met zo’n harde knal in dat het het menselijke voorstellingsvermogen te boven gaat, en datzelfde geldt voor de gigantische luchtverplaatsing.’

Volgens Benny Lautrup, hoogleraar natuurkunde van het gerenommeerde Niels Bohr-instituut in Denemarken, maakten de Romeinen gebruik van de energie die de enorme golf opwekte in de ruim 100 meter lange tunnel: een zogeheten waterslag. Een waterslag ontstaat wanneer een stromende vloeistof plotseling gestuit wordt.

In de mijn in Las Médulas gebeurde dat doordat het water de lucht in de tunnel voor zich uit stuwde, de holte in. Volgens Lautrup werd de lucht door de extreme waterdruk sterk samengeperst. Zodra de waterkolom werd gestuit, droeg hij al zijn energie over aan de lucht, waardoor deze duizenden graden heet werd. 

Dit verschijnsel zie je ook als je bijvoorbeeld een fietsband die al vol lucht zit nog verder probeert op te pompen: de pomp zal dan heet worden.

‘Het samenpersen gaat zo snel dat de lucht de warmte met geen mogelijkheid kwijt kan raken, en daardoor gloeiend heet wordt,’ legt Benny Lautrup uit.

Door de enorme druk werd de top van de kleiberg geblazen en stortte het hele gevaarte in. Volgens de calculaties van Lautrup kan de waterslag in de mijn, afhankelijk van de grootte van de tunnel en de hoeveelheid water, theoretisch een explosieve kracht van 25 tot 55 kilogram TNT hebben gehad.

Zo’n hoeveelheid springstof blaast met gemak een stevig stenen huis omver. Bij een ongeluk met waterslag in de grootste waterkrachtcentrale van Rusland werden in 2009 de muren en het dak van een turbineruimte van staal en beton geblazen. 76 medewerkers kwamen om.

Miljoenen tonnen puin afgevoerd

Na het instorten van de kleiberg voerden de Romeinse ingenieurs water uit nieuwe bassins aan om het puin van de berg de dalen in te spoelen. 

Onderweg werden de stenen eruitgepikt, waarna het water in lange houten kanalen werd geleid. Hier werden de goudkorreltjes er uitgezeefd, terwijl tonnen klei en puin de zee in spoelden.

Als het grootste deel van de berg weg was, richtten de Romeinen zich op de overblijfselen – nu met een andere werkwijze. De explosie had een bijna verticale, kale bergwand achtergelaten. Opnieuw groeven de Romeinen tunnels recht omlaag vanaf de bergtop. Van daaruit legden ze horizontale tunnels aan die naar de bergwanden leidden.

Deze tunnels werden gevuld met water, dat de klei langzaam verzadigde. Samen met de druk van de miljoenen liters water zorgde dit ervoor dat de bergwand en een groot deel van de berg zelf instortte. Deze methode werd net zo lang herhaald tot er van de kleiberg niets meer over was.

Volgens onderzoekers haalden de Romeinen gedurende de circa 200 jaar dat ze in Las Médulas goud wonnen zo’n 95 miljoen kubieke meter klei, puin en stenen weg. 

Ter vergelijking: voor de aanleg van het Suez-kanaal in 1896 verwijderden de Fransen 80 miljoen kubieke meter. Plinius zag hoe Spanje land won door alle aarde die de Romeinen de Atlantische Oceaan in spoelden.

Vergeleken bij de enorme omvang van het werk was de opbrengst echter beperkt. 200 jaar mijnbouw in Las Médulas kan niet meer dan zo’n vijf ton goud hebben opgeleverd.

Toen de Romeinen uit Las Médulas vertrokken, lieten ze een kaal maanlandschap achter. Duizenden arbeiders waren er omgekomen. Zoals Plinius het uitdrukte: ‘De grootste misdaad tegen de menselijkheid werd gepleegd door degene die als eerste een gouden ring om zijn vinger deed.’ 

Lees ook

A. Morillo & J. Aurrecoechea: The Roman Army in Hispania, University of Leon, 2006. P. Lewis & G. Jones: Roman Gold-Mining in North-West Spain, Journal of Roman Studies, 1970. 

Bekijk ook ...