azteken, mensenoffers

Slachtoffers Azteken komen tevoorschijn

De Azteken rukten het hart uit de borstkas van hun slachtoffers en stelden de schedels tentoon, meldden de Spanjaarden. Later werd het verhaal afgedaan als een fabeltje – tot archeologen iets vonden.

De Azteken rukten het hart uit de borstkas van hun slachtoffers en stelden de schedels tentoon, meldden de Spanjaarden. Later werd het verhaal afgedaan als een fabeltje – tot archeologen iets vonden.

Pictorial Press Ltd/Imageselect

De uitgeputte Spaanse conquistadores staren als verlamd naar het gruwelijke tafereel in de verte. Het is zomer 1521, en de Spanjaarden zijn na een bloedig gevecht verdreven uit de machtige hoofdstad van het Azteekse rijk: Tenochtitlan.

Vanaf de rand van de stad zien ze nu hoe de Azteken 62 gevangengenomen Spanjaarden de trap van een tempelpiramide op sleuren.

Een trommel produceert een diep geroffel, begeleid door schelle fluittonen. De Spanjaarden buiten de stad staan machteloos. Het zijn geharde veteranen die al twee jaar met de beruchte Hernán Cortés tegen het Aztekenrijk in het huidige Mexico vechten. Ze kunnen slechts tot hun god bidden.

De conquistadores weten inmiddels donders goed wat het getrommel en gefluit betekenen: de bloeddorstige goden van de Azteken willen weer mensenbloed zien – Spaans bloed deze keer.

‘Met een vuursteen sneden ze hun borstkas open en rukten ze het kloppende hart eruit, dat ze aan hun afgoden offerden.’ Conquistador Bernal Díaz, die zijn kameraden geofferd zag worden

Volgens de soldaat Bernal Díaz, die erbij was, werden de krijgsgevangenen een voor een naar een platform op de piramide gebracht. Daar legden de Azteken hen op een paar stenen.

‘Met een vuursteen sneden ze hun borstkas open en rukten ze het kloppende hart eruit, dat ze aan hun afgoden offerden. Vervolgens schopten ze de lichamen van de traptreden,’ schreef de soldaat vele jaren later.

Bernal en de andere conquistadores, die zelf ook niet terugdeinsden voor grof geweld en mishandeling, rapporteerden dat de Azteken in bloed en dood leken te zwelgen. Niet alleen offerden ze regelmatig mensen aan hun goden, ze aten ook het vlees van de slachtoffers en stelden de afgehakte hoofden tentoon op enorme stellages met duizenden schedels.

Lange tijd werd echter gedacht dat de Spanjaarden deze verhalen uit hun duim zogen om hun eigen wreedheden goed te praten. Maar uit nieuwe vondsten in de Azteekse hoofdstad blijkt dat de soldaten de waarheid spraken.

Azteken, mes, offer

Met vuursteenmessen als dit sneden de Azteken de borst open van mensen die ze aan de goden offerden.

© Carver Mostardi/Imageselect/Shutterstock

Is de Azteekse bloeddorst een fabeltje?

In het jaar dat de Spanjaarden zagen hoe hun kameraden geofferd werden, wist Hernán Cortés met de hulp van andere stammen Tenochtitlan in te nemen. Dat was het einde van het Azteekse rijk.

Vervolgens sloegen de katholieke veroveraars alles kort en klein wat met het heidense geloof van de Azteken te maken had. De piramidetempel werd verwoest en de Spanjaarden stichtten een stad op de puinhopen: Mexico-Stad.

Hernán Cortés, conquistador, azteken

Er waren maar een paar honderd Spanjaarden, maar met hulp van plaatselijke stammen versloegen ze de Azteken.

© PantherMedia GmbH/Imageselect

450 jaar lang waren de beschrijvingen van de mensenoffers vooral een sensationeel verhaal uit oude documenten. Maar in de jaren 1970 begonnen onderzoekers zich af te vragen of het allemaal wel klopte. Waren de praktijken verzonnen?

Volgens de critici waren de beschrijvingen van mensenoffers gebaseerd op geruchten. En de Spanjaarden die beweerden gezien te hebben hoe mensen werden geofferd, onder wie Hernán Cortés, hadden er belang bij om de Azteken neer te zetten als barbaren. Zo vergoelijkten ze hun veroveringstocht. Ook aan de zeer gedetailleerde beschrijving van Bernal Díaz werd getwijfeld.

Maar toen sloegen de archeologen aan het graven. In 1978 vonden de Mexicanen een grote stenen schijf met een afbeelding van maangodin Coyolxauhqui, die volgens de mythologie onthoofd en in stukken gehakt werd door haar broer, de zonne- en oorlogsgod Huitzilopochtli.

De vondst leidde tot het blootleggen van de Azteekse tempelpiramide Huey Teocalli, of Templo Mayor in het Spaans.

Templo Mayor, Mexico-Stad, azteken

De Spanjaarden verwoestten de Azteekse tempelpiramide, de Templo Mayor, en bouwden er huizen op. Pas in de 20e eeuw werden de ruïnes herontdekt.

© GAED CC 3.0

Op de top van het heiligdom stonden volgens de onderzoekers twee kleine tempels, een voor Huitzilopochtli en een voor de regengod Tlaloc. Daar werden volgens de Spanjaarden mensen geofferd. Er werden echter nooit sporen van de offers zelf gevonden – tot er tientallen jaren later ineens schedels opdoken.

Honderden schedels blootgelegd

In 2015 vonden archeologen Raúl Barrera en Lorena Vázquez Vallin de eerste exemplaren op zo’n 200 meter van de Templo Mayor. 2 meter onder een gebouw achter de kathedraal van Mexico-Stad legden ze de resten van een soort toren met 35 schedels bloot. Ze waren in drie halve cirkels boven elkaar in cement gegoten.

De schedeltoren bleek een diameter van 5 meter te hebben en zeker 1,7 meter hoog te zijn. Dat strookte met een beschrijving van de conquistador Andrés de Tapia, die voor Hernán Cortés vocht.

‘Twee torens van kalk en schedels met het gebit naar buiten gekeerd.’

Azteken, tzompantli, schedels

In 2020 hadden archeologen ruim 600 schedels blootgelegd. Veel waren er ingemetseld in ronde torens, zoals de Spanjaarden beschreven hadden.

© INAH/Reuters/Ritzau Scanpix

Daarna kwamen er nog meer schedels bovendrijven. Onderzoekers lokaliseerden ook de tweede schedeltoren en nog eens 600 schedels, veelal met doorboorde slapen.

Daarnaast ontdekten de archeologen tussen de twee torens paalgaten, die vermoedelijk bedoeld waren voor een gruwelijk dodenmomunent: Huey Tzompantli – de Grote Schedelmuur.

Tzompantli is Azteeks voor ‘schedelrek’. Het bizarre monument bestond volgens de Spanjaarden uit rijen palen met lange houten stokken ertussen, waaraan een enorm aantal schedels hing.

‘In het gebouw voor de tempel van Huitzilopochtli spietsten ze de hoofden van de gevangenen die ze onthoofdden.’ Missionaris Bernardino de Sahagún over de tzompantli van de Azteken

Huey Tzompantli wordt in de 16e eeuw genoemd door de missionaris Bernardino de Sahagún:

‘In het gebouw voor de tempel van Huitzilopochtli spietsten ze de hoofden van de gevangenen die ze onthoofdden.’

Zijn latere collega-priester José de Acosta schreef dit over de schedelmuur:

‘Dunne stokken, waarop veel schedels van mannen door de slapen gespietst waren. Elke stang telde 20 hoofden. De schedelrekken liepen van onder naar boven langs de palen en namen de hele palissade in beslag met zo veel en zulke dikke schedels dat ze bewondering en onrust wekten.’

Geen van de twee geestelijken zag de grote tzompantli echter met eigen ogen. Ze gingen af op verhalen van anderen. Maar de conquistador Andrés de Tapia zou het monument wel zelf gezien hebben en telde de schedels. Hij schatte dat het er zo’n 136.000 waren.

Midden-Amerika was bezeten van de dood

Dat cijfer is ongetwijfeld overdreven, maar alles wijst er volgens de archeologen op dat er zeker duizenden schedels waren. Op basis van het aantal en de grootte van de paalgaten schatten ze dat Huey Tzompantli ca. 36 meter lang en 14 meter breed was. Mogelijk was de schedelmuur 5 meter hoog.

Missionaris Bernardino de Sahagún beweerde zelfs dat de centrale Huey Tzompantli slechts een van zeven schedelrekken was in de Azteekse hoofdstad. Als dat zo is, waren er inderdaad enorm veel schedels uitgestald.

De archeologen zijn er zeker van dat de hoofden afkomstig zijn van offers. Uit sporen blijkt dat de huid en de spieren na de offerceremonie van de schedels werden gesneden. Vervolgens maakten de priesters gaten in de slapen om ze aan de rekken te kunnen rijgen.

‘Het lijkt me dat het er meer dan 100.000 waren.’ Bernal Díaz over het aantal schedels dat hij zag in een stad aan de weg naar de Azteekse hoofdstad

Volgens de Mexicaanse onderzoekers wilde de koning zijn macht tonen en al zijn vijanden angst aanjagen. Maar ook de tegenstanders van de Azteken deden aan mensenoffers, zo meldde Bernal Díaz.

In 1519, toen de Spanjaarden op weg waren naar Tenochtitlan, kwamen ze door een stad, waar Díaz een monument zag met ongelooflijk veel schedels:

‘Het lijkt me dat het er meer dan 100.000 waren. Ik herhaal, meer dan 100.000. En er waren veel hoofden die van links naar rechts op stokken hingen.’

De Azteken noch hun vijanden waren echter de eersten die schedels tentoonstelden. Uit vondsten blijkt dat de Midden-Amerikaanse culturen, van Panama in het zuiden tot het noorden van Mexico, eeuwenlang bezeten waren van bloed en afgehakte hoofden.

Al vanaf 800 v.Chr. namen de vele oorlogvoerende stammen in het gebied waarschijnlijk hoofden en andere lichaamsdelen mee als trofeeën.

Tzompantli, azteken, schedels

Bij opgravingen vonden Mexicaanse archeologen honderden schedels, veelal met een gat in de slapen, zodat ze aan Huey Tzompantli geregen konden worden.

© Henry Romero/Reuters/Ritzau Scanpix

Na 300 v.Chr. bouwden de Zapoteken de oudst bekende tzompantli bij de nederzetting Coyotera, nu in de zuidwestelijke Mexicaanse deelstaat Oaxaca. In Noord-Mexico werden al vanaf 60 n.Chr. hele kamers gevuld met schedels.

Experts weten niet zeker of de eerste grote beschaving van Mexico, de Olmeken, krijgsgevangenen offerde. Op een muurschildering in Cacaxtla, gemaakt tussen 550 en 750, zou een Olmeekse krijger te zien zijn die een vijand onthoofdt.

Ook Maya’s stalden schedels uit

Ook de Maya’s in het zuiden van Mexico en Guatemala waren geobsedeerd door schedels. De krijgers hingen soms zelfs de hoofden van hun verslagen vijanden aan een riem of een halsband.

Toen een aantal Mayasteden in de jungle rond 900 in verval raakte, floreerde Chichén Itzá – net als de mensenoffers. De Maya’s gebruikten geen horizontale stellingen zoals de Azteken: hun tzompantli bestond uit staande palen waarop de hoofden gespietst werden.

Volgens archeoloog Rubén Mendoza brachten de Maya’s mensenhoofden in verband met maïskolven en waren de stokken mogelijk geïnspireerd op de maïsplant.

De Azteken maakten deel uit van een cultuur die zich uitstrekte van Noord-Mexico tot Panama. In dit gebied offerden stammen eeuwenlang mensenbloed omdat ze geloofden dat ze een bloedschuld aan de goden hadden.

Maya’s, mensenoffers, schedels
© Shutterstock & Lotte Fredslund

Maya’s zetten hoofden op stokken

Mensenoffers stonden centraal in de mythologie van de Maya’s. Ter ere van de goden speelden ze een macaber balspel, waarbij de verliezers werden onthoofd. De hoofden werden op palen gezet. De Maya’s gooiden ook slachtoffers in heilige meren, cenotes genoemd.

Panama, mensenoffers
© Shutterstock & Lotte Fredslund

Panamese cultuur bouwde schedelbergen

De stammen van Panama en het zuiden van Costa Rica kenden een lange traditie van het onthoofden van vijanden. De conquistador Pascual de Andagoya zag in Panama ‘een hele straat geplaveid met schedels, en aan het uiteinde een enorme toren van hoofden’.

Zapoteken, mensenoffers
© Shutterstock & Lotte Fredslund

Tolteken lieten bloed vloeien

Tussen 950 en 1150 floreerden de Tolteken in de stad Tula ten noorden van het huidige Mexico-Stad. Net als de latere Azteken offerden ze mensen. Zo werden er in 2007 24 skeletten van kinderen gevonden, die waren onthoofd.

Inca’s, mensenoffers
© Shutterstock & Lotte Fredslund

Inca’s offerden kinderen

In de Zuid-Amerikaanse Andes heersten de Inca’s over het grootste rijk van Amerika. Ze hadden een andere cultuur dan de Azteken en waren niet even geobsedeerd door bloed. Maar ze offerden wel kinderen door ze vast te binden en achter te laten in de bergen.

In 1325 begonnen de Azteken, die uit het noorden kwamen, aan een nieuw tijdperk door de stad Tenochtitlan te stichten op een eiland in het Texcocomeer in de vruchtbare Vallei van Mexico. In twee eeuwen werd hun rijk welvarend en machtig, en de priesters waren altijd op zoek naar bloed om de goden te voeden die het rijk groot hadden gemaakt.

Krijgsgevangenen kwamen uit rivaliserende staten, vooral aartsvijand Tlaxcala. Ook de vele vazalstaten van de Azteekse koning moesten gevangenen sturen als tribuut.

De Azteken zagen de grote piramide van Tenochtitlan, Huey Teocalli, als de as van de wereld. Telkens als de wereld van de Azteken groter werd, moest de as versterkt worden via offers aan de goden.

In 1487 breidde koning Ahuitzotl het rijk en de tempel uit. Volgens de Spaanse 16e-eeuwse geschiedschrijver Diego de Durán wijdde de koning de nieuwe tempel in met een bloedbad dat zijn weerga niet kende: binnen vier dagen werden er volgens Durán 80.500 mensen geofferd.

Tegen missionarissen zeiden de Azteken echter dat er ‘maar’ 4000 doden waren gevallen. In ieder geval zouden 20 ploegen van beulen vier etmalen achtereen in touw zijn geweest.

Conquistador, azteken, afgoden

De Spaanse veroveraars vertelden trots hoe ze de godenbeelden en heiligdommen van de oorspronkelijke bevolking kapotsloegen.

© ZU_09/Getty Images

Spanjaarden wisten sporen uit

De Spaanse veroveraars gruwelden van de Azteekse mensenoffers. In hun ijver om het katholieke geloof te verspreiden, bouwden ze even snel kerken als ze Azteekse tempels verwoestten.

De conquistadores zagen het als hun heilige plicht om het heidendom te bestrijden en het christendom te verspreiden. In 1521 versloegen de Spanjaarden de Azteken definitief door hun laatste koning, Cuauhtémoc, te gijzelen. Hierna verwoestten de nieuwe heersers van Mexico de heilige gebouwen en godenbeelden van de Azteken.

Delen van de schedeltorens in Mexico-Stad werden vernietigd, net als de grote tempelpiramide. De oudste delen bleven in stand, maar kwamen net als de schedeltorens terecht onder de huizen en wegen van de snel groeiende koloniale stad.

Tijdens hun machtsovername vervingen de Spanjaarden het oude geloof door het hunne. Tussen 1524 en 1529 bouwden de kolonisten maar liefst 68 kerken op de plaatsen van de oude heiligdommen in Tenochtitlan en het naburige Tlatelolco.

Omdat de Spanjaarden de oorspronkelijke religie met wortel en tak wilden uitroeien, is het nu lastig om bewijzen te vinden voor de mensenoffers van de Azteken.

Moorden moesten leven brengen

Hernán Cortés, de veroveraar van Mexico, had geen enkel begrip voor de bloederige ceremoniën die hij zag. Volgens hem offerden de Azteken niet alleen krijgsgevangenen:

‘Als ze hun afgoden om iets willen vragen en hun gebeden kracht bij willen zetten, nemen ze meisjes en jongens en zelfs volwassenen. In aanwezigheid van deze afgoden snijden ze levend hun borst open en nemen ze de harten en ingewanden eruit.’

Goud, azteken, conquistador

Volgens de conquistadores veroverden ze het Aztekenrijk om de bewoners te redden van hun afgoden. Maar het Azteekse goud speelde mogelijk ook een rol.

© Metropolitan Museum of Art/Purchase, 2015 Benefit Fund and Lila Acheson Wallace Gift, 2016

De bewering wordt bevestigd door de blootgelegde schedels. Uit analyses blijkt dat 75 procent man was, 20 procent vrouw en 5 procent kind. Alle slachtoffers waren in goede gezondheid.

De meeste mannen waren in de weerbare leeftijd van 20 tot 35 jaar. De vrouwen en kinderen waren mogelijk ixiptla: goed verzorgde slaven die tijdens religieuze feesten werden gebruikt.

De godin Coatlicue had volgens de mythologie zonne- en krijgsgod Huitzilopochtli gebaard. Maar haar jaloerse dochter, de maangodin Coyolxauhqui, zette haar 400 andere broers en zussen, de sterren, ertoe aan om Coatlicue te mishandelen en te onthoofden. De oorlogsgod wreekte zijn moeder door zijn broers en zussen te onthoofden.

Tijdens het 20 dagen durende feest Panquetzaliztli speelden de Azteken deze mythe na. 400 ixiptla’s werden gebaad in een heilige bron, beschilderd als sterrenkrijgers en naar de top van de piramide gebracht. Daar werden ze onthoofd en in stukken gehakt.

Schedel, azteken, mensenoffer

Sommige van de vele schedels van de slachtoffers van de Azteken zijn van vrouwen en kinderen. Ook hun schedels werden vermoedelijk tentoongesteld naast die van de mannen.

© Henry Romero/Reuters/Ritzau Scanpix

De Azteken geloofden dat de goden hadden gebloed tijdens de schepping van de wereld en dat de mens daardoor een bloedschuld had. Als er geen bloed kwam, zou de zon doven en het leven verdwijnen.

Volgens Raúl Barrera was de tzompantli juist een eerbetoon aan het leven: dankzij de slachtoffers bleef de zon schijnen en de wereld bestaan.

Voor Cortés en zijn mannen waren de offers het werk van de duivel. In naam van hun god sloegen ze de tempels én de cultuur van de oorspronkelijke bewoners kapot. Maar ook onder de nieuwe heersers bleef het bloed vloeien in Midden-Amerika.