Een eilandengroep in het Texcocomeer vormde het hart van het Aztekenrijk. Nu ligt Mexico-Stad op deze plaats.

© Luis Covarrubias/Bridgeman

Hebberige Spanjaarden vernielden betoverende Aztekenhoofdstad

De hoofdstad van de Azteken had imposante tempelpiramiden en een fijnmazig net van kanalen. En op de markt kwamen elke dag 60.000 mensen af. Maar de Spanjaard Hernán Cortés en zijn mannen verwoestten alles in een poging de stad te veroveren.

6 oktober 2016 door Else Christensen
De Spaanse verkenners kwamen vol verbazing terug. Zoiets hadden ze nog nooit gezien.
‘Grote steden, torens en een meer, en in het midden daarvan een enorme stad,’ zeiden ze tegen de conquistador Hernán Cortés.

Een half jaar eerder was hij met zijn mannen geland op de oostkust van het huidige Mexico. Nu, begin november 1519, waren ze doorgedrongen tot het hart van het land. Voor hen lagen diepe dalen, uitgestrekte vlakten en beboste heuvels. En een stad die zo uit een sprookje leek te komen: Tenochtitlan, de hoofdstad van het Azteekse rijk.

Een week later waagde Cortés zich naar binnen. Hij liep door de brede straten en bewonderde de majestueuze tempels, en hij was overdonderd. De stad kon zich meten met de Europese metropolen.

‘Gebouwen rezen op uit het water. Alles was van steen. Het was een betoverende aanblik,’ schreef Cortés later.

‘Het was allemaal zo wonderbaarlijk dat ik niet goed weet hoe ik deze eerste indruk zou moeten beschrijven.’

De Spanjaard werd onthaald door niemand minder dan Motecuhzoma II, de alleenheerser van de Azteken, die hem vol trots zijn stad toonde.

In Tenochtitlan met zijn meer dan 200.000 inwoners gonsde het van de
bedrijvigheid, en duizenden mensen kwamen elke dag uit alle hoeken van het rijk om handel te drijven. Daarnaast vonden er regelmatig religieuze plechtigheden plaats die veel bekijks trokken.

De Spanjaarden raakten nog meer onder de indruk toen ze hoorden dat de stad niet geleidelijk gegroeid was in de loop der eeuwen, zoals de Europese – Tenochtitlan was spiksplinternieuw.

God wilde in een meer wonen

Als Cortés 200 jaar eerder was geweest, had hij een paar drassige eilandjes in het grote Texcocomeer aangetroffen.

De eerste inwoners, een stam van het Mexica-volk, vestigden zich hier in 1325 en bouwden meteen een tempel op een eiland. Die ‘was niet van steen, maar van gras en takken gebouwd, want in die tijd kon men niet anders,’ aldus Diego Durán, een dominicaner monnik die in de 16e eeuw over de geschiedenis van de Mexica schreef.

De eerste inwoners van Tenochtitlan waren er echter van overtuigd dat ze met iets bijzonders bezig waren. Volgens de legende was de god Huitzilopochtli in een droom aan het stamhoofd verschenen met de opdracht een nieuwe stad te bouwen in het meer. Dat was echter makkelijker gezegd dan gedaan.

Rijk groeit rond kunstmatig eiland

De Mexica waren constant in oorlog met andere volkeren, maar het meer vormde een goede barrière, en langzaam maar zeker begon de bevolking in aantal toe te nemen. Daardoor was er meer landbouwgrond nodig, die drooggelegd werd met een vernuftig systeem van palen en vlechtwerk. En in 1390 was de eerste tempel van de stad voltooid.

Al snel waren de Mexica in staat om hun buurvolkeren aan te vallen. Krijgers roeiden in jaguarvel naar het vasteland om de naburige stammen op de korrel te nemen. Uiteindelijk genoot het volk zo veel respect dat het een bondgenootschap kon sluiten met alle steden in de buurt. 

Die vormden de kern van wat het Azteekse rijk zou worden, met als hoofdstad Tenochtitlan. Binnen 100 jaar strekte het bezit van de afstammelingen van de Mexica zich uit van de Golf van Mexico tot aan de Stille Oceaan.

De Azteken deden goede zaken dankzij hun veroveringstochten. Ze maakten krijgsgevangenen die ze als slaaf konden gebruiken of konden offeren aan de
goden in de tempel van Tenochtitlan. De heerser van de Azteken legde de
onderworpen volkeren tribuut op, een soort belasting, in de vorm van onder meer wierook, cacao en fraaie veren.

Samen met buurstad Tlatelolco bleef Tenochtitlan groeien, en het werd een centrum voor de handel in het gebied. Elke dag kwamen 60.000 mensen van heinde en verre om handel te drijven op het enorme marktplein.   

LEES MEER: Ga mee naar het imposante centrum van de Azteekse stad

Cortés kijkt zijn ogen uit

Ook Hernán Cortés en zijn gevolg kwamen in 1519 naar de markt. Het plein was een stad in de stad. Het was ingedeeld in wijken en straten al naar- gelang de goederen die er verkocht werden. De ontdekkingsreizigers vergaapten zich aan het ruime aanbod.

‘Er zijn allerlei soorten groenten, met name uien, prei, knoflook, waterkers, komkommerkruid, klaverzuring, distels en artisjokken. Daarnaast zijn er vele vruchten, zoals kersen en pruimen, die er net zo uitzien als de vruchten die je in Spanje kunt krijgen,’ schreef Cortés. Hij noemde ook katoendraad, konijnen, geneeskrachtige kruiden, goudwerk en ‘roofvogels met veren, kop, snavel en klauwen’. Daarna werd het hem te veel om op te sommen. 

Klik op de afbeelding en kijk wat je zoal kon kopen op de Azteekse markt.

Kanalen zijn levensaders van stad

Toen Cortés aankwam was Tenochtitlan opgedeeld in vier wijken, die voor de vier heilige elementen van de Azteken stonden: water, aarde, lucht en vuur. De wijken werden doorsneden door vier straten van noord naar zuid en van oost naar west. Volgens Cortés
waren die straten ‘zeer breed en recht. Sommige zijn voor de helft van aarde en voor de andere helft van water.’

Daarmee bedoelde hij de kanalen, die een fijnmazig netwerk vormden in de stad. Ze waren van een paar meter tot 30 meter breed en dienden voor het transport van goederen. Omdat de Azteken paarden noch wagens hadden, waren kano’s hun enige vervoermiddel.

Bovendien beschermden de kanalen de stad tegen overstromingen na hevige regenval. In de regentijd, doorgaans in juni en oktober, viel 80 procent van de jaarlijkse neerslag, en het moerassige Tenochtitlan werd dan bedreigd door de hoge waterstand. De kanalen leidden echter een groot deel van het overtollige water naar het meer. 

Zangvogels dienen voor vermaak

Het centrum werd gedomineerd door de Grote Tempel. Eromheen stonden een paar kleinere tempels, openbare gebouwen en huizen van geestelijken. In de buurt van de tempel stond het koninklijk paleis, waar alleen edelen toegang toe hadden. Gewone burgers mochten er niet eens werken.

In hetzelfde gebied lagen de wijken van de rijken, die groen en ruim waren. Uit opgravingen is gebleken dat de meeste woningen hier rond een grote binnenplaats stonden. 

De huizen waren van klei of baksteen en hadden maar een paar raampjes. Sommige telden meerdere vertrekken, maar alleen de allerrijksten hadden meer slaapkamers: doorgaans sliep het hele gezin samen. De Azteken kenden geen meubels: ze zaten en lagen op gevlochten matten, die ze maakten of kochten op de markt.

De rijke wijken stonden vol bomen en bloeiende planten. De Azteken plantten ‘vele soorten bomen, zoals fraaie ceders, hoge cipressen, zeer grote sparren en groene wilgen, stuk voor stuk een lust voor het oog,’ schreef de Spaanse monnik Juan de Torquemada.

Hij maakte er bovendien gewag van dat veel Azteken vogels fokten ‘om voor hun plezier naar de zang te luisteren en om erop te schieten met hun proppenschieters, die ze vaak gebruiken en waar ze heel behendig mee zijn’. 

Popcorn is snack voor de goden

De gewone burgers van Tenochtitlan baadden niet in weelde en woonden een stuk verder van de tempel dan de rijken. Hun huizen stonden op de andere eilanden en waren lang niet zo groot. Een gemiddeld huis bestond uit een slaapkamer en een keuken met vuurplaats.

Bij alle rangen en standen was de keuken het middelpunt van het huis. De vrouwen waren er vaak druk in de weer om maïsmeel te maken, waar ze een soort pannenkoekjes van bakten: tortillas. Die werden boven het vuur gebakken in een pan van aardewerk en bij elke maaltijd opgediend met een saus van pepers en tomaten.

Daarnaast aten de Azteken vissen uit het meer en vogels, terwijl de rijken het vlees van kalkoen, konijn of hond ook niet versmaadden. Groenten als paprika, courgette, avocado’s en cactusbladeren werden gekookt en los of als onderdeel van een hoofdgerecht gegeten.

De inwoners van Tenochtitlan waren ook dol op tussendoortjes. Popcorn was een ware lekkernij, en het maken ervan had een woord: topopoca betekende het geluid dat maïskorrels maken als ze veranderen in knapperige snacks.

Popcorn stond zo hoog in aanzien dat het bij offers werd gebruikt. De Spaanse missionaris Bernardino de Sahagún beschreef in de jaren 1560 hoe de Azteken gepofte maïskorrels op de grond legden ter ere van de goden, ‘alsof het hagel uit de heilige hemel was’.

Wanneer de Azteken na een flinke portie popcorn hun dorst wilden lessen, dronken ze uit de efficiënte waterleiding van Tenochtitlan. Een gemetselde buis bracht schoon water van het vasteland naar de stad, en de stroom was volgens Cortés zo groot als ‘het volume van het menselijk lichaam’. De inwoners hadden zelfs een tweede waterleidingbuis aangelegd als reserve voor als de eerste schoongemaakt moest worden.

‘De hele stad wordt op deze manier voorzien van water, dat mensen in een kano door de straten vervoeren en aan de man brengen,’ aldus de Spanjaard.

De Azteken brouwden ook een soort tequila, maar alleen edelen, priesters en ouderen mochten dronken worden. De bejaarden genoten dat privilege omdat ze hun hele leven gewerkt hadden.  

Gewonde krijgers hadden een goede kans om te overleven.
© Diego Rivera/Bridgeman

Alleen adel mag rood dragen

De samenleving was geordend volgens een strenge hiërarchie. Bovenaan stond de vorst, gevolgd door edelen en krijgers, en helemaal onderaan stonden gewone burgers en slaven. 


Op straat zag het zwart van de burgers en de slaven, die allemaal grijze kleren droegen, geweven van agavevezels. Edellieden sprongen eruit doordat ze sieraden, veren en kleurrijke kleding droegen. Katoen dat rood gekleurd was met kleurstof van de cochenilleluis was helemaal hip.

Het maken van kleren was een taak van de vrouwen, en moeders leerden hun dochters vanaf hun vierde weven en andere huishoudelijke klusjes doen. Ook vaders gaven hun vaardigheden door aan hun zoons. De meeste mannen waren boer, ambachtsman of visser.

Jongens leerden al vroeg jagen op het vasteland, waar ze herten en pekari’s schoten met pijl-en-boog. Vissen werden gevangen met een net, een harpoen of een haak van een cactusdoorn of bot.


De Azteken hielden van kinderen en noemden hen juwelen en dierbare schatten. Desondanks hielden ze er een strenge opvoedmethode op na. 

Kinderen worden opgerekt

Kinderen moesten vooral leren dat ze geen tijd mochten verspillen. De sterfte onder jonge kinderen was hoog, en er lagen voortdurend gevaren als oorlog en ziekte op de loer. Een Azteek werd in de 16e eeuw gemiddeld 37 jaar.

De jeugd werd blootgesteld aan een aantal riten die in onze ogen zeer wreed lijken. Een van die riten werd in de maand izcalli (groei) uitgevoerd. Hierbij werden kinderen tot vier jaar aan hun nek opgetild en werden hun ledematen uitgerekt. 260 dagen later werd aan hun neus, hals, oren, vingers en benen getrokken. Beide ceremoniën moesten ervoor zorgen dat de kinderen later groot en sterk zouden worden.

Kinderen die stout waren, kregen straf. Hun ouders sloegen ze of staken doorns in hun handen en voeten.

Met name de leeftijd van 10 tot 14 jaar werd als moeilijk gezien, want dan hadden kinderen volgens de Azteken de neiging om lui te worden, het ergste wat er bestond in de zeer geordende maatschappij. De straffen die op luiheid stonden waren dan ook bijzonder streng. 

In het uiterste geval dwongen ouders hun kinderen om scherpe chilipepers te inhaleren of zonder mat op de koude, vochtige grond te slapen.

De kinderen moesten gedisciplineerd zijn om later goede burgers te worden. 

Laatkomers krijgen doodstraf

Ook op school werden kinderen met harde hand in het gareel gehouden. De les begon een uur voor zonsopgang, en de hele dag hoorden de leerlingen over de oude mythen, goden en rituelen via zang, dans en vertellingen – soms tot laat in de avond. Slapen kon altijd nog.

Jongens en meisjes waren welkom op de calmecac, de kostschool van de tempel, waar kinderen van alle leeftijden onderwezen werden in onder meer mechanica, astrologie, godsdienst en militaire kunst. 

Tijdens de lessen werden documenten met hiërogliefen gebruikt, waarop de wetten en mythen van de Azteken geschreven stonden. Als de leerlingen het reglement van de school overtraden, bijvoorbeeld door thuis te overnachten in plaats van op school, kregen ze straf: ze werden aan hun oren getrokken of er werden doorns in hun oren, borst of benen gestoken.

Op telpochcalli, krijgsscholen waar jongens uit adel en burgerij les kregen, waren de regels keihard. Als een jonge rekruut te laat kwam of gesnapt werd tijdens het drinken van alcohol, kon hij zelfs de doodstraf krijgen.

Wie zijn jeugd en de strenge opvoeding overleefde, werd op 12- tot 15-jarige leeftijd (voor meisjes) of 20-jarige leeftijd (voor jongens) als volwassen beschouwd. Dan kon er getrouwd worden en gingen de ouders op zoek naar een geschikte partner.

Voorafgaand aan de bruiloft werd de bruid door haar familie plechtig naar het huis van de bruidegom gedragen. Tijdens het feest werden de mantels van het bruidspaar aan elkaar gebonden als symbool van eenheid. Dan werd het stel in hun slaapkamer opgesloten en pas vier dagen later weer vrijgelaten.

Grote gezinnen waren heel gewoon. Vaak woonden twee broers in hetzelfde huis met hun hele gezin.

Soms werden er wel 20.000 krijgsgevangenen per jaar geofferd.

© Getty images

Goden willen mensenbloed zien

De opvoeding illustreerde de schaduwzijde van Tenochtitlan. De stad had zijn rijkdom en macht te danken aan talloze oorlogen en veroveringstochten, en om de circa 500 stadstaten die de Azteken hadden onderworpen in het gareel te houden, werd grof geweld toegepast.

Elk jaar offerden de hogepriesters van de stad 600 à 700 mensen boven in de Grote Tempel. Bij speciale gelegenheden moesten wel 20.000 mensen hun leven geven om de goden tevreden te stellen. De Azteken geloofden dat de zonnegod de zon niet meer zou laten schijnen als hij geen bloed kreeg.

De meeste slachtoffers waren krijgsgevangenen van naburige stammen. Mannen, vrouwen en kinderen waren de klos. De hele stad keek toe wanneer de wrede ceremonie uitgevoerd werd, en de rite vormde een waarschuwing voor de buurvolkeren: niemand moest het in zijn hoofd halen om zich tegen de heerser van de Azteken te verzetten.
Deze methode hield echter niet altijd de vijanden buiten de deur. 

Cortés is uit op Aztekengoud 

Met de veroveringstochten, belastingen en niet in de laatste plaats mensenoffers hadden de Azteken uit Tenochtitlan zich niet geliefd gemaakt in het rijk, dat ook door andere stammen werd bevolkt.

Tijdens zijn tocht door het land had Cortés veel van die stammen ontmoet en de verhalen over het bewind van de heerser van de Azteken gehoord. De conquistador begreep dat velen niets liever wilden dan de vernietiging van de hoofdstad en de elite. En hij vermoedde dat er een hoop goud en andere schatten te halen vielen.

Cortés had dan ook snode plannen toen hij in Tenochtitlan rondgeleid werd door de koning en de pracht en praal van de stad bewonderde. Na een week had hij genoeg gezien en kwam hij in actie. Als eerste sloot hij de vorst, Motecuhzoma II, op in het paleis. 


De Spanjaard wist zeker dat hij op hulp van buitenaf kon rekenen om een eventuele opstand in de stad neer te slaan.

Volgens plan zou Motecuhzoma als marionet van de Spanjaarden fungeren, en zou Hernán Cortés op de achtergrond aan de touwtjes trekken.

Spanjaarden verwoesten stad

Na een half jaar was het volk zo onrustig dat Cortés en zijn mannen de koning uit het paleis haalden om zijn onderdanen toe te spreken en een opstand in de kiem te smoren. 

Maar Motecuhzoma riep zijn volk juist op om zich tegen de conquistadores te verzetten.

De burgers van Tenochtitlan trokken dan ook ten strijde tegen de Spanjaarden en hun bondgenoten – krijgers uit de staat Tlaxcala, die nog niet was ingelijfd door het Aztekenrijk. 


De veroveraars waren overrompeld en sloegen op de vlucht, maar de Azteken sneden de weg naar het vasteland af en namen de vijand te grazen. 500 conquistadores en 2000 Tlaxcala kwamen om. Er dreven zo veel lijken in de kanalen dat je eroverheen kon lopen, zo werd gezegd.

Cortés wist met een aantal mannen weg te komen, en negen maanden later, in april 1521, keerde hij terug met zijn indiaanse bondgenoten, deze keer om Tenochtitlan te belegeren.
Cortés kende de stad inmiddels als zijn broekzak en wist waar de zwakke plekken waren. 


Om een overgave af te dwingen sneed hij de watervoorziening af en hield hij voedseltransporten vanaf het vasteland tegen. Al snel ontstond er gebrek aan eten en drinken. 

Sommigen ‘knaagden aan leer en dierenvellen, gekookt of ongekookt, of aan kleisteen. Het was gruwelijk om te zien hoevelen van ons het leven lieten,’ meldde een Azteekse bron, weergegeven door de monnik Bernardino de Sahagún. Toen de conquistadores uiteindelijk de stad binnen trokken, waren de inwoners ernstig verzwakt. Ze vochten dapper, maar waren niet opgewassen tegen de Spaanse paarden en kanonnen.

Na een laatste gevecht op het plein voor de tempel gaf Tenochtitlan zich op 13 augustus 1521 over. De Spanjaarden doodden of verdreven de bevolking en verwoestten de stad stelselmatig. De fraaie huizen werden platgebrand en de tempels vernield. Op de ruïnes verrees Mexico-Stad, en op de plaats van de tempel kwam een kathedraal, gebouwd met stenen van de Grote Tempel.

Het grote Tenochtitlan was nog sneller verdwenen dan het ontstaan was.

Bekijk ook ...