De Maya’s gaan ten onder

1100 jaar geleden begon het Mayarijk plotseling uit elkaar te vallen. De ene stad na de andere werd in een paar jaar tijd geëvacueerd, en nu zoeken archeologen naarstig naar de oorzaak van de snelle ondergang van de Mayabeschaving.

1100 jaar geleden begon het Mayarijk plotseling uit elkaar te vallen. De ene stad na de andere werd in een paar jaar tijd geëvacueerd, en nu zoeken archeologen naarstig naar de oorzaak van de snelle ondergang van de Mayabeschaving.

Shutterstock

Eeuwenlang floreerde de beschaving van de Maya’s in het huidige Mexico, Guatemala, Belize en Honduras.

Midden in het dichte oerwoud bouwden de oorspronkelijke bewoners steden met tienduizenden inwoners en verbonden ze die met wegen.

Zonder kennis van metaal of het wiel wisten ze zelfs imposante piramiden uit de grond te stampen.

Maar na vele generaties van voorspoed en welvaart stortte het rijk in – nog vóór de komst van de Europeanen.

Stuk voor stuk werden de steden verlaten en opgeslokt door de jungle. Nieuw onderzoek wijst uit dat de Maya’s het slachtoffer van hun eigen succes waren.

Langzaam maar zeker groeven ze hun eigen graf.

© Shutterstock

Geld groeide aan de bomen

De vele vazalstaten van de Maya’s betaalden tribuut in cacaobonen.

Een van de eerste ontdekkingsreizigers in het gebied, de Spaanse kroniekschrijver Gonzalo de Oviedo y Valdés, meldde in 1526 dat cacaobonen een algemeen betaalmiddel waren.

Met 10 kleine boontjes kon je een konijn kopen. Een nacht met een prostituee kostte hetzelfde, terwijl je voor een slaaf zo’n 100 bonen moest neertellen.

De Maya’s dronken een warme drank die ze van cacaopoeder, chilipepers en maïsmeel brouwden.

Ze geloofden dat cacao het voedsel van de regengod Kon was en dat zijn bloed de cacaoboom bemestte.

Overvloed trekt immigranten

Omdat de Maya’s geen geschreven bronnen achterlieten over de eerste eeuwen van hun beschaving, is de huidige kennis daarover in de eerste plaats gebaseerd op archeologische vondsten.

Potscherven en religieuze beelden tonen aan dat zich omstreeks 2500 v.Chr. een aantal stammen vestigde op de plekken in Midden-Amerika waar de Maya’s later hun belangrijkste stadstaten bouwden.

In de Stille Oceaan en Caribische Zee konden ze vissen, en de grond was geschikt voor het telen van maïs, bonen, aardappelen en pompoenen. Een dorp brandde telkens een stukje jungle plat om er een paar jaar lang gewassen te telen, waarna het werd teruggegeven aan de natuur.

In het bos konden de vroegste Maya’s op herten jagen, en de rivieren puilden uit van de vis.

Omdat het voedsel voor het oprapen lag, nam de bevolking snel toe.

Kleine nederzettingen groeiden uit tot dorpen en steden, en na enkele eeuwen was er sprake van heuse stadstaten.

De steden waren met elkaar verbonden door middel van een netwerk van paden en verharde wegen, die zich door de steeds verder teruggedrongen jungle kronkelden.

Bomen verbergen enorme stad

Een van de vroegste Mayasteden die we kennen is El Mirador, dat nu uit ruïnes bestaat.

Vanuit de lucht is er door de boomtoppen niet veel meer van te zien dan een paar oneffenheden in het landschap, maar op de grond verschuilen zich tempels, paleizen en piramiden.

Die werden 2500 jaar geleden gebouwd in een van de meest ondoordringbare en onherbergzame streken ter wereld.

De stad in de wildernis van Noord-Guatemala lag zo diep in de bossen dat ze pas in 1926 ontdekt werd, en het duurde tot 1978 voor er opgravingen begonnen.

De laatste jaren is er veel onderzoek gedaan naar de stad, en nu wordt El Mirador beschouwd als de bakermat van de beschaving van de Maya’s: de eerste echte grote stad en machtsfactor in het Mayarijk.

Midden in de rimboe kwam de stad rond 600 v.Chr. op, en ze maakte haar hoogtijdagen door tussen circa 300 v.Chr. en 100 n.Chr.

El Mirador wordt nu beschouwd als de bakermat van de Mayabeschaving.

Volgens sommige deskundigen was El Mirador in zijn bloeitijd qua oppervlakte even groot als de binnenstad van het huidige Los Angeles.

In de stad stonden onder meer de tempelcomplexen El Tigre en La Danta.

Laatstgenoemde is met een hoogte van ruim 70 meter en een grondvlak van 36 voetbalvelden qua inhoud de grootste piramide ter wereld.

La Danta is zo groot dat de eerste ontdekkingsreizigers en archeologen dachten dat er geen tempel schuilging in het oerwoud, maar gewoon een berg.

Maya’s kiezen de moeilijkste weg

Terwijl El Mirador rond het begin van onze jaartelling bloeide, verrezen er nog meer steden in het Mayarijk, die de eerste weldra naar de kroon zouden steken.

De eeuwen na 250 n.Chr. waren het gouden tijdperk van de Maya’s.

In een aantal concurrerende stadstaten geregeerd door een absolute vorst ontstonden er een verfijnde cultuur en een hoogstaand maatschappelijk bestel.

Hoe de Maya’s hun indrukwekkende bouwwerken precies construeerden, was lange tijd een raadsel.

Het grootste mysterie was wel het feit dat alle enorme piramiden zijn gebouwd met simpele gereedschappen en zonder het wiel.

Bij veel opgravingen in het Mayarijk zijn stenen beitels en houten hamers opgedoken, maar geen metalen werktuigen – al is vandaag de dag bekend dat de Maya’s de smeedkunst beheersten.

Vanwege het ontbreken van metalen gereedschappen hebben vooraanstaande Maya-experts de theorie geformuleerd dat het volk altijd de moeilijkste oplossing koos, die de meeste arbeidskrachten vergde. Mogelijk geloofden de Maya’s dat de goden een gebouw of object meer waardeerden als er grote offers waren gebracht voor de constructie ervan.

Omdat de Maya’s geen trekdieren hadden, ging de bouw van tempels en piramiden met een grote krachtsinspanning gepaard.

De Maya’s waren zo rijk dat ze zich het maken van fraaie kunstwerken konden veroorloven.

© Universal History Archive/Getty Images

We weten nu dat dat slechts mogelijk was doordat elke Maya zich ter beschikking moest stellen aan de koning als er een religieus bouwwerk moest komen.

Zo was er een bijna onbeperkt reservoir van arbeidskrachten.

Bij de bouw van een tempel werden eerst grote kalksteenblokken uitgehakt in een groeve. De stenen, die 100 kilo konden wegen, werden met behulp van een tuig om het voorhoofd en bovenlijf naar de bouwplaats gedragen.

Daar stonden andere arbeiders klaar om de stenen een steiger op te tillen, die steeds hoger werd naarmate de bouw vorderde.

Op grote vuren aan de rand van de steden werd kalksteen tot poeder gebrand, dat op de bouwplaats met water werd gemengd.

De arbeiders smeerden deze kalkmassa op de gebouwen om ze glanzend wit te maken.

Naar schatting hakten de Maya’s meer dan 400 hectare regenwoud om om kalk te branden voor één nieuw bouwwerk.

Maya’s doen aan wiskunde

Voor de bouw van enorme tempels en paleizen was echter meer nodig dan gebluste kalk en zwoegende arbeiders.

De constructies waren onmogelijk geweest zonder hoogontwikkelde wiskundige kennis.

Het is bekend dat de Maya’s een van de eerste beschavingen waren die het uiterst nuttige getal nul in gebruik namen en dat ze veel van hun bouwwerken baseerden op het principe van de gulden snede, dat architecten ook vandaag de dag nog als richtlijn gebruiken voor hun ontwerpen.

Het talstelsel van het junglevolk is doorgrond door de Franse taalkundige Constantine Samuel Rafinesque-Schmaltz.

Dit multitalent kwam er in 1810 achter dat de Maya’s een bijzonder 19-tallig stelsel gebruikten, waarbij een puntje voor één staat en een horizontaal streepje voor vijf.

Het getal nul werd aange-geven met een schelp. Rekenen was eenvoudig in dit stelsel, en de Maya’s legden vaak koffiebonen op de grond om sommen op te lossen.

Al in 500 v.Chr. kenden de Maya’s geavanceerde kalenders, waarmee ze bepaalden wanneer ze moesten zaaien en oogsten.

Ze hadden twee parallelle kalenders: een religieuze met 260 dagen in een jaar en een wereldlijke met 365 dagen, die de zon en de jaargetijden volgde.

Het kalendersysteem van de Maya’s ging terug tot 3114 v.Chr. en liep door tot 2012. Het hield zelfs rekening met schrikkeljaren.

Daarnaast waren de Maya’s het enige volk in Zuid-Amerika met een complexe geschreven taal, en het Mayarijk was een van de eerste beschavingen die het als een onderdeel van de cultuur beschouwden om kennis door te geven aan volgende generaties.

Een vroeg voorbeeld komt uit de stad Palenque. Onder de machtige koning Pacal, die 70 jaar aan het bewind was, werd een reeks indrukwekkende gebouwen neergezet, en de vorst liet schriftelijke bronnen na in de vorm van hiërogliefen op stenen tabletten en de wanden van de tempels, die nu van onschatbare waarde zijn.

In de zogenoemde Tempel van de Inscripties, de graftempel van Pacal, is een tablet gevonden met maar liefst 600 hiërogliefen.

Helaas is een groot deel van de opgeschreven kennis van de Maya’s verloren gegaan toen de Spanjaarden Midden-Amerika veroverden.

De katholieken beschouwden het als hun heilige plicht om de heidense indianen tot het christendom te bekeren.

De Maya’s hielden zelfs rekening met schrikkeljaren, net als we vandaag de dag doen.

Priesters en monniken zagen de complexe geschriften en raadselachtige hiërogliefen van de Maya’s als het werk van de duivel, en alles wat ook maar iets met het heidendom te maken had, ging in vlammen op.

Uit naam van de heilige inquisitie verbrandden de Spanjaarden duizenden vouwboeken van de Maya’s, die op papier van boombast waren geschreven. Slechts vier stuks – almanakken met historische, religieuze en astronomische teksten – overleefden de boekverbrandingen van de Europeanen.

Geleerde Maya’s, die de geschiedenis van hun volk opschreven in ‘de taal van de duivel’, kwamen op de brandstapel, waardoor de kennis van de schrijftaal verdween. In de 18e eeuw kon geen Maya meer schrijven.

Het schrift was lange tijd een mysterie, maar in 1984 kraakte het toentertijd pas 18-jarige genie David Stuart de code.

De Amerikaan borduurde voort op een oude theorie die stelde dat de hiërogliefen van de Maya’s geen hele woorden waren, zoals veel onderzoekers eerder dachten.

Stuart toonde aan dat de Maya’s een fonetisch alfabet kenden, waarbij elk teken voor een klank stond.

Hij ontdekte dat veel grotere hiërogliefen samengesteld waren uit kleinere onderdelen en dat er soms wel 15 verschillende tekens gebruikt werden voor dezelfde klank.

Juist om die reden waren taalkundigen vóór hem er niet in geslaagd om de taal van het volk te ontcijferen. Na de ontdekking van Stuart werden veel geschriften van de Maya’s ontsloten.

Op dit moment zijn onderzoekers in staat om zo’n 80 procent van de meer dan 800 tekens van het ingewikkelde Maya-alfabet te lezen.

© National Geographic Image Collection/Bridgeman Images

La Danta overtrof de piramiden

La Danta

Land: Guatemala
Gebouwd: Ca. 300-315 v.Chr.
Hoogte: 72 m (waarvan 24 m blootgelegd)
Grondvlak: 257.000 m²
Inhoud: 2,8 miljoen m³

Piramide van Cheops

Land: Egypte
Gebouwd: Ca. 2580-2550 v.Chr.
Hoogte: 146,5 m
Grondvlak: 52.900 m²
Inhoud: 2,6 miljoen m³

Offers aan de goden

De Mayageschriften leggen een religieuze cultuur bloot waarin mensen bij de vleet aan de goden werden geofferd.

Vaak werd na een overwinning de koning van een vijandelijke stadstaat geofferd, maar ook in vredestijd moesten de Maya’s bloedoffers plengen om de goden tevreden te houden en het voortbestaan van de beschaving te waarborgen.

Doorgaans waren de slachtoffers gevangenen of slaven, maar ook gewone burgers moesten zichzelf soms opofferen voor koning en vaderland.

Hun wachtte het eeuwige leven na de dood.

Zelfs vorstenmoesten af en toe bloeden om de goden gunstig te stemmen. Bij een heilige rite werd de voorhuid van de vorst doorboord. Het bloed druppelde op een strookje papier dat vervolgens verbrand werd.

Deze ceremonie opende een poort naar het godenrijk: in de rook zagen priesters de goden en ze konden met hen praten.

De Maya’s probeerden hun goden ook te behagen door middel van sportwedstrijden. Vooral het balspel poctatoc was geliefd.

De spelregels zijn onbekend, maar er moest een grote rubberen bal in beweging worden gehouden zonder handen of voeten te gebruiken. De bal stond symbool voor de zon en daarmee het natuurlijke ritme.

De spelers probeerden te voorkomen het team te zijn dat ‘de zon stopte’.

Een nederlaag wekte de toorn van de goden en kon een mislukte oogst veroorzaken. De aanvoerder van het verliezende team werd dan ook geofferd om de goden weer tevreden te stellen. Soms was het hele team de klos.

Grote steden raken in verval

Ondanks alle moeite die de Maya’s zich getroostten om de goden tevreden te houden, ging hun beschaving uiteindelijk ten onder. Al in 150 n.Chr. was de stad El Mirador op mysterieuze wijze in een spookstad veranderd – een voorbode van het lot dat later de machtigste stadstaten van het Mayarijk zou treffen.

Vanaf ongeveer 800 werden indrukwekkende steden als Tikal, Caracol en Palenque door rampspoed getroffen en binnen enkele tientallen jaren volledig verlaten. De laatste datum die in Palenque is opgeschreven, viel in het jaar 799. 20 jaar later vielen alle bouwwerkzaamheden in Copán stil.

In Caracol werden vanaf 859 geen hiërogliefen meer in de muren gekerfd, en in Tikal dateert het laatste schriftteken uit 879.

Het inwonertal van het zuidelijke laagland, waar de machtigste steden lagen, kelderde in nog geen 100 jaar van rond de 10 miljoen naar minder dan 2 miljoen. Slechts een handvol steden in het zuiden van het rijk haalde het nieuwe millennium.

Het is nog steeds gissen naar de oorzaak. Een deel van de bevolking trok naar steden als Uxmal, Mayapán en Chichén Itzá op het noordelijke puntje van het schiereiland Yucatán.

Mensenoffers moesten de bloeddorstige goden behagen.

© De Agostini Picture Library/Bridgeman Images

Daar vermengde de cultuur van de Maya’s zich met die van andere volkeren en bleef ze nog een paar eeuwen in stand.

Hoewel de nieuwe steden in het noorden snel groeiden, bereikten Chichén Itzá en Mayapán nooit hetzelfde niveau als de grootste metropolen van wat nu de klassieke periode genoemd wordt.

De steden van de postklassieke periode werden niet geregeerd door goddelijke koningen, maar waren militaire dictaturen. De vorsten hadden niet meer de ambitie om hun grootse daden te vereeuwigen en hun goddelijke recht op de troon te onderstrepen.

Daardoor stierven de hiëro-gliefen uit en werden er geen grote piramiden meer gebouwd.

In plaats van met architectuur en geschriften hielden de Maya’s van Chichén Itzá zich bezig met astronomie.

De sterren speelden een grote rol in hun leven, en belangrijke besluiten hingen vooral af van de stand van de planeet Venus.

Het voornaamste toonbeeld van de astronomische kennis van de Maya’s van Yucatán torent nog boven de ruïnes van Chichén Itzá uit.

El Castillo, ook bekend als de tempel van Kukulcan, is een trappenpiramide van ruim 30 meter hoog met precies 365 treden naar de top – eentje voor elke dag van het jaar.

Aan weerszijden van de trap bestond de piramide uit negen niveaus: samen de 18 maanden van de Mayakalender.

De droogte bedreigde de opbrengst van de landbouw en zorgde voor een daling van het grondwaterpeil.

Chichén Itzá bestond maar een paar eeuwen.

De noordelijke stad onderging hetzelfde lot als de steden van de koningen in het zuiden: ze verdween op mysterieuze wijze.

De bouwwerkzaamheden vielen stil en het inwonertal kelderde.

Verval heeft vele oorzaken

Historici en archeologen hebben allerlei theorieën geponeerd om het raadsel van de val van de Maya’s te verklaren.

Volgens sommigen werden de handelsroutes verlegd en kwamen ze niet meer langs de steden.

De inwoners zouden hun heil daarop elders hebben gezocht.

Het is ook denkbaar dat het volk genoeg had van de eeuwige oorlogen en daarom de grote steden verliet.

Het nieuwste onderzoek duidt er echter op dat de Maya’s hun ondergang zelf hebben veroorzaakt.

Omdat de steden uit hun voegen barstten, raakten de natuurlijke hulpbronnen langzaam uitgeput. De boeren zagen zich genoodzaakt de braaklegging van de velden over te slaan, waardoor de bodem in rap tempo verarmde.

In het noorden van Belize staat de zogeheten Maskertempel, die de Maya’s rond 200 v.Chr. bouwden, met daarin een koninklijk graf.

© Shutterstock

Om aan voldoende landbouwgrond te komen kapten de boeren bovendien de bomen op de heuvels boven de dalen waar de stenen en akkers lagen, en zonder het fijnmazige wortelstelsel spoelde de aarde snel weg tijdens de hoosbuien die het regenwoud kenmerken.

De arme grond van de heuvels belandde zo in de dalen, waar hij de aarde minder vruchtbaar maakte.

Ondertussen kapten de Maya’s steeds meer bomen om kalk te branden voor hun grootse bouwwerken en gewone woonhuizen.

Archeologen denken dat de grootschalige houtkap in de 8e en 9e eeuw tot droogte leidde in het eens zo vruchtbare land van de Maya’s.

De gewassen van de boeren hadden zwaar te lijden onder de droogte, en het grondwater, dat altijd al schaars was, kwam nog dieper te zitten.

Naarmate water en voedsel steeds schaarser werden, namen de oorlogen van de Maya’s volgens sommige onderzoekers in hevigheid toe omdat de stadstaten wedijverden om de grondstoffen die er nog waren.

Deze strijd verergerde de situatie alleen maar aangezien het steeds moeilijker werd om aan nieuwe landbouwgrond te komen. Als een boer zich te ver van huis waagde, kwam hij op vijandelijk terrein.

De Spanjaarden verbrandden in hun religieuze ijver bijna alle boeken van de Maya’s.

© Bridgeman Art Library/Ritzau Scanpix

Boeken van bast bevatten de geheimen van de Maya’s

Slechts vier Mayaboeken overleefden de komst van de Europeanen. Deze Mayacodices staan vol mysterieuze tekens en beelden.

Toen de Spaanse conquistadores Midden-Amerika veroverden, maakten ze honderden boeken buit.

Deze dunne schriften waren dichtbeschreven met hiërogliefen, die de Europeanen niet konden lezen.

De bisschop van Yucatán in Mexico legde in een brief uit wat er met deze geschriften was gebeurd.

‘We vonden een groot aantal boeken met deze tekens, en omdat ze alleen bijgeloof en leugens over de duivel bevatten, hebben we ze verbrand.’

Slechts vier codices overleefden het, en nu kunnen we 60 tot 70 procent van de circa 800 schrifttekens lezen.

Maar hoewel de woorden ontcijferd zijn, begrijpen onderzoekers nog niet veel van de betekenis ervan.

Ze weten echter wel dat het om almanakken gaat: kalenders met informatie over feestdagen, de stand van de sterren en horoscopen.

Aan de hand van de codices bepaalden de Maya’s wanneer hun religieuze feesten vielen.

Miljoenen werden ziek

Geen van deze theorieën verklaart echter waarom de steden volledig uitstierven – je zou slechts een flinke teruggang van het inwonertal verwachten.

Tot nu toe zijn er geen hiërogliefen gevonden die ons wijzer maken over de val van de Maya’s. De oplossing van het raadsel stond wellicht in een van de vele boeken die de Spanjaarden in hun godsdienst-
ijver verbrandden.

Toen de conquistadores in de 16e eeuw het schiereiland Yucatán en het oude Mayarijk veroverden, waren alle grote Mayasteden verlaten.

De machtige, heilige koningen waren verdwenen en er waren geen legers die het tegen de Spanjaarden konden opnemen.

De veroveraars stuitten op kleine dorpjes met krijgslustige inwoners die een soort guerrillaoorlog tegen hen begonnen.

Maar de Spanjaarden hadden niet alleen superieure wapens uit Europa meegenomen. Ze droegen ook ziekten bij zich. Na de komst van de Spanjaarden bezweek 90 procent van de oorspronkelijke bevolking van Midden-Amerika aan ziekten als pokken, mazelen en griep, waar het immuunsysteem van Europeanen gedurende vele eeuwen een afweer tegen had opgebouwd.

De indianen waren echter weerloos. Van de 7 miljoen Maya’s die er aan het begin van de 16e eeuw waren, overleefde slechts een half miljoen.

Desondanks bleven de Maya’s zich eeuwenlang verzetten tegen de Europeanen. Het laatste Mayadorp hield tot 1697 stand tegen de Spanjaarden.