16e eeuw: Vooral barbiers voerden aderlatingen uit. Ze maakten een snee in de arm van de patiënt en lieten het bloed in een schaal stromen tot ze dachten dat de ziekte was genezen. 

© Scanpix/Science Photo Library & Shutterstock

Aderlaten was een wondermiddel

Naar een arts gaan was het ergste wat een patiënt in de 16e eeuw kon doen. De kans was groot dat met een mes zijn aders werden opengelegd. 2500 jaar lang werd er zonder enige reden bij zieken bloed afgetapt.

6 juni 2017 door Jesper Rovsing

Op een koude ochtend in december 1799 wordt George Washington wakker met keelpijn. In zijn ellende doet hij iets doms: hij laat zijn arts komen.

Nadat hij Washington heeft onderzocht, roept de huisarts de beste medici van Amerika bijeen om er zeker van te zijn dat de ex-president de juiste behandeling krijgt. 

Washington had een dag eerder uren in de regen en kou rond­gereden en de adviesgroep is het erover eens dat hij snel een intensieve behandeling moet ondergaan. 

Na de mogelijkheden te hebben besproken, komen ze tot de rampzalige behandeling die al duizenden jaren lang door artsen voor hen als hét antwoord op alle kwalen en ziekten werd beschouwd: aderlating.

Enkele aders van Washington worden opengesneden en zijn bloed stroomt in een kom op de grond. Omdat hij een ernstige keelontsteking heeft, besluiten de artsen extra veel bloed af te tappen. 

Washingtons toestand gaat echter zienderogen achteruit. De artsen verbazen zich erover en besluiten om dan nog maar meer bloed af te tappen. 

Na een paar uur hebben de artsen maar liefst 3,75 liter bloed bij George Washington afgetapt, wat neerkomt op ongeveer 80 procent van de totale hoeveelheid bloed in het lichaam. 

’s Avonds is Washington zo verzwakt, dat hij zijn artsen opdraagt het aderlaten te stoppen. Maar het is al te laat. Enkele uren later sterft hij.

Lichaamssappen in balans

Eeuwenlang heeft de medische wetenschap volop geëxperimenteerd met allerlei behandelmethoden die inefficiënt en zelfs schadelijk voor de gezondheid bleken te zijn. En het aderlaten spande hierin wel de kroon.

Artsen uit alle culturen en wereld­delen onderschreven de onderbouwing van de ingreep, ondanks het feit dat deze volledig uit de lucht gegrepen was. 

De oude Egyptenaren en Grieken waren al evenzeer in de ban van het aderlaten als volkeren als de Maya’s, de Azteken en de Indiërs. Ook christelijke, joodse en islamitische geleerden waren het eens over de gunstige effecten.

Het aderlaten is in elk geval te herleiden tot 500 v.Chr., maar bestaat waarschijnlijk al veel langer. 

Het bleef bovendien heel lang in gebruik: in 400 v.Chr. beschreef de beroemde Griekse arts Hippocrates aderlaten voor het eerst, en nog in 1923 werd de behandeling in een toonaangevend Engels wetenschappelijk werk aangeraden.

De theorie achter het aderlaten verschilde per cultuur. In Europa berustte de behandeling op de opvatting uit de oudheid dat je gezond bent als je vier ‘lichaamssappen’ met elkaar in evenwicht zijn. 

Als je ziek wordt, komt dat doordat het evenwicht tussen die vier lichaamssappen – bloed, slijm, gele gal en zwarte gal – is verstoord. Door aderlating kun je het teveel aan een van die vier soorten sappen weer kwijtraken.

Omdat alle ziekten volgens artsen uit de oudheid uit een onbalans voortkomen, was aderlating het antwoord op bijna elk probleem. Hoe ernstiger de ziekte, hoe meer bloed bij de patiënt moest worden afgetapt. 

Zelfs toen het idee van de vier lichaamssappen uiteindelijk werd ontkracht, had dat volstrekt geen invloed op het blinde vertrouwen dat artsen in het aderlaten hadden.

Integendeel. Een 17e-eeuws Engels artsenhandboek bevat alle ziekten die met aderlating kunnen worden behandeld, zoals kanker, cholera, astma, herpes en verschillende psychische aandoeningen.

Macabere speeldoos sneed aders in

19e eeuw. De versierde messingdoosjes waren gemeengoed onder artsen.

© The Image Works

Bij de meest gebruikte methode van bloed aftappen in de lange geschiedenis van het aderlaten, werd in een van de grote aders een snee gemaakt en liet men het bloed in een schaal lopen. 

In de 19e eeuw werden voor dat doel geavanceerde instrumenten ontwikkeld. Het engste instrument was een messingdoosje, een zogeheten ‘scarificator’.

De arts of barbier plaatste de onderkant van het doosje op de huid van de patiënt. Door een druk op de ontgrendeling schoten er vlijmscherpe, stalen messen uit een kleine opening die door de huid sneden. 

Een mechaniek met tandwielen en veren zorgde ervoor dat de messen vanaf twee verschillende richtingen sneden en vervolgens weer terugschoten in het messingdoosje.

Het voordeel van de scarificator was dat deze niet heel erg diep ging en daardoor alleen een aantal kleine bloedvaten in de huid opensneed. 

Dat betekende dus minder littekens en snellere genezing. Ook was de methode waarschijnlijk veel minder pijnlijk dan enkele andere werkwijzen.

De beoordeling of bij een patiënt genoeg bloed was afgetapt en de aderlating dus effectief was, bleef echter hetzelfde: was de patiënt door bloedtekort bewusteloos, dan was de arts tevreden.

Lijfartsen doodden de koning

Pas na 2000 jaar trad er voor het eerst een gezaghebbend iemand tegen het aderlaten op. De Engelse arts William Harvey ontdekte als eerste hoe het hart bloed door het lichaam pompt.

Met zijn kennis van het cardiovasculair systeem bewees hij in 1628 dat men onmogelijk baat kon hebben bij aderlating.

Zijn collega’s reageerden met argwaan op zijn ontdekking en lieten zich niets gelegen liggen aan de bewijzen tegen het aderlaten. 

William Harvey, die veel aanzien genoot als lijfarts aan het Engelse hof, overleed kort voordat Karel II de troon besteeg. Het overlijden van zijn bekwame lijfarts zou de nieuwbakken koning noodlottig worden.

Karel II kreeg op 2 februari 1685 een beroerte en had dringend vakkundige hulp nodig. Helaas voerden zijn 14 artsen een aderlating bij hem uit. 

Ze waren zich terdege bewust van de grote verantwoordelijkheid die ze hadden en wedijverden met elkaar over de hoeveelheid bloed die moest worden afgetapt. Hoewel er in het eerste etmaal bij Karel II al heel veel bloed werd afgenomen, kwam hij de volgende ochtend bij. Dit duidt erop dat hij de beroerte zonder verdere behandeling misschien wel te boven zou zijn gekomen. 

Helaas interpreteerden de artsen zijn herstel als een teken dat hun behandeling het beoogde effect had. Ze zagen nog meer aderlatingen dan ook als hét middel voor een volledig herstel van de koning.

In de vijf dagen erna kreeg Karel II verschillende aderlatingen, waardoor zijn uitgeputte lichaam helemaal leegbloedde. 

Daarbij kwamen nog talloze klysma’s en de inname van het giftige kinine, totdat de koning na een zware lijdensweg stierf en zo eindelijk van de martelingen van de artsen was verlost.

Rijken waren de pineut

Een van de redenen dat de Europeanen nog vrij lang met aderlatingen zijn behandeld, is dat de artsen maar weinig alternatieven hadden. 

Hoewel hun kennis van de menselijke anatomie en hun diagnostische en chirurgische vaardigheden vanaf de 17e eeuw met sprongen vooruitgingen, konden de artsen hun patiënten maar zelden genezen. 

De juiste methoden voor het vaststellen van de aard van de ziekten, en daarmee de juiste behandelwijzen, zouden nog lang op zich laten wachten.

De artsen van koning Karel II handelden vanuit de overtuiging dat het beter was om lukraak een behandeling toe te passen, dan geen enkele. Daarmee sloegen ze de plank echter helemaal mis.

Voor hun overlevingskansen was het vaak beter als patiënten juist helemaal niet werden behandeld. De onderdanen van de koning hadden er geen flauw idee van dat arme mensen over het algemeen beter af waren dan rijke en machtige. 

Wie geen geld had, werd niet door de artsen behandeld, liep dus geen risico om aan bloedverlies te sterven en had een kans om een ziekte op eigen kracht te boven te komen.

Het aderlaten werd te pas en te onpas gebruikt, ook wanneer bloedverlies het laatste was wat een patiënt nodig had. Uit medische annalen is het verhaal bekend van een Franse sergeant die op 13 juli 1824 het veldhospitaal werd binnengebracht. 

Hij had in een man-tot-mangevecht een ernstige steekwond in de borst opgelopen. Het bloed gutste zo hevig uit de wond, dat hij binnen enkele minuten het bewustzijn verloor.

De artsen reageerden onmiddellijk op het zware bloedverlies. Er was geen twijfel over mogelijk dat de sergeant een acute aderlating nodig had. 

Er werd direct een halve liter bloed bij hem afgetapt om ontsteking van de wond te voorkomen. Diezelfde dag volgden er nog eens zeven kleinere aderlatingen. Tot grote verbazing van de artsen kon deze behandeling niet voorkomen dat de wond ontstoken raakte. 

De sergeant was dan ook ernstig verzwakt doordat hij de helft van zijn bloed had verloren. De ontsteking moest echter koste wat kost worden bestreden en daarvoor zetten de artsen een geavanceerd en probaat middel in: bloedzuigers.

Frankrijk kocht bergen bloedzuigers

Bloedzuigers werden al sinds mensenheugenis gebruikt om bloed af te tappen. Ze dienden als aanvulling op het openleggen van aders en werden direct op de door de ziekte aangetaste plek geplaatst. 

Bij de Franse sergeant wriemelden er meer dan 40 bloedzuigers in het bloed bij de ontstoken wond.

Het inzetten van bloedzuigers – die ieder 10 milliliter bloed, ongeveer vijf keer hun eigen lichaamsgewicht, op kunnen nemen – was toentertijd een heel gangbaar gebruik.

In de 19e eeuw had het gebruik van bloedzuigers een hoge vlucht genomen onder Europese artsen. Frankrijk alleen al importeerde in 1830 zo’n 40 miljoen bloedzuigers. Dat kwam vooral door de Parijse arts François Brossais. 

Volgens hem was elke ziekte die met koorts gepaard ging te wijten aan een ontstoken orgaan. De beste remedie bestond uit een combinatie van bloedzuigers en aderlatingen.

De bloedzuigers zorgden er mede voor dat de Franse sergeant tijdens zijn zes maanden durende opname in totaal zes liter bloed verloor. 

Dit was volgens de maatstaven van die tijd geen uitzonderlijke hoeveelheid. Het meest opvallende aan de hele zaak was echter dat de sergeant het wist te overleven.

Zowel de bloedzuigers als het aderlaten boetten eind 19e eeuw flink aan popu­lariteit in. Grote medische doorbraken als de ontdekking van bacteriën, zorgden voor betere inzichten. 

Hoewel zelfs in het begin van de 20e eeuw sommige artsen nog stug volhielden dat aderlaten een gunstige uitwerking had, kwam er zo een eind aan 2500 jaar van bloedige medische fouten.

Aderlaten was overal goed voor:

  • Astma
  • Kanker
  • Lepra
  • Tuberculose
  • Hersenbloeding
  • Pest
  • Herpes
  • Geestesziekte
  • Jicht
  • Constipatie

Techniek wordt nog steeds gebruikt

In twee gevallen wordt aderlaten ook nu nog toegepast. Het gaat om zeldzame ziekten waarbij het bloed te dik is of waarbij er bloed moet worden afgetapt omdat het te veel ijzer bevat.


  • Hemochromatose (te veel ijzer in het bloed)
  • Polycytemie (te veel rode bloedcellen)

© The Image Works

Bekijk ook ...