Hoog­leraar in de anatomie Andreas Vesalius deelde nieuwe kennis met chirurgen in spe.

© Bridgeman

4 ontdekkingen maakten de weg vrij voor moderne chirurgie

Vier mannen veranderden de chirurgie van simpel handwerk in een moderne wetenschap voor specialisten. Ze gaven inzicht in de menselijke anatomie, leerden bloedingen stelpen, bestreden infecties en vonden de verdoving uit.

1 februari 2017

Skelet op de keukenvloer was basis voor moderne anatomie

Vlaanderen, 1536: Het was al aan het schemeren toen Andreas Vesalius bij de stadsmuren van Leuven arriveerde. Hij had in Parijs drie jaar medicijnen gestudeerd, en wilde nu zijn studie in deze Belgische stad afsluiten.

Plotseling viel zijn oog op een schaduw. Langs de weg zag hij het silhouet van een dode misdadiger, die aan de stadsgalg bungelde. Vesalius besefte meteen dat hij deze kans niet kon laten lopen. 

Het lijk was al in verregaande staat van ontbinding, daarom hoefde Vesalius alleen maar hard aan een been te trekken tot het losliet. Ook het andere been en de armen had hij snel los. Vesalius rolde de botten in zijn overjas en haastte zich naar huis.

De jongeman smeet zijn vondst op de keukentafel en snelde de stadspoort weer uit om ook het hoofd en de romp van de gehangene te halen.

Vesalius werkte de hele nacht. Hij schraapte de botten schoon met een mes en gooide het rottende vlees weg. De beenderen gingen in een vat met heet water, en toen de dag begon, lag er een stapel schoon gebeente op de keukenvloer. 

Vesalius zette het geraamte in elkaar en bekeek zijn meesterwerk met trots, ook al ontbraken de knieschijven en een voet.

Vesalius’ boek uit 1543 staat vol detailtekeningen van het menselijk lichaam.

Vesalius’ boek uit 1543 staat vol detailtekeningen van het menselijk lichaam.

© Bridgeman

Lijken werden verkocht

Vóór de diefstal van de dode misdadiger had Vesalius, net als zijn medestudenten, altijd op de anatomieteksten van de Romeinse arts Galenus vertrouwd. Maar Vesalius had de indruk dat de 1400 jaar oude teksten, verplichte kost op Europese universiteiten, zich op de ontleding van dieren baseerden.

Zijn zelfgebouwde skelet in de keuken bevestigde deze gedachte, en in de jaren daarop bestudeerde Vesalius zo veel mogelijk lijken. 

Regelmatig reisde hij terug naar Parijs, waar hij op zijn vaste ronde langs de kerkhoven graf­­­delvers omkocht om hen zover te krijgen hem lijken te bezorgen. Zijn bevindingen stelde hij op schrift in Zeven boeken over de bouw van het menselijk lichaam.

Dit tamelijk controversiële boek verbeterde ruim 200 fouten van Galenus en liet zien dat de grote anatoom uit de oudheid dieren had ontleed. Vesalius beschreef alle 206 botten van het menselijklichaam en maakte tekeningen van de organen, die nu wel op de juiste plaats ten opzichte van elkaar lagen.

Toen Andreas Vesalius in 1537 werd benoemd tot hoogleraar in de chirurgie en anatomie in de Italiaanse stad Padua, zette hij nóg een stap richting moderne chirurgie. Voorheen werd de theorie onderwezen door de docent, terwijl op hetzelfde moment een assistent een dier ontleedde. Maar Vesalius nam zelf het mes ter hand, en liet zich bij het ontleden door zijn studenten assisteren. 

Zo onderschreef hij het principe dat een chirurg zijn vak moet leren door de organen zelf in handen te hebben.

Galenus was chirurg bij het amfitheater, waar zijn anatomische kennis tot zijn recht kwam.

Galenus was chirurg bij het amfitheater, waar zijn anatomische kennis tot zijn recht kwam.

© Mary Evans

Voór Vesalius : Galenus was 1400 jaar toonaangevend

Pergamon, 2e eeuw n.Chr.: De Romeinse arts Galenus begon zijn loopbaan als gladiatorarts in de stad Pergamon, waar hij de gladiatoren na hun bloedige gevechten weer oplapte. Deze baan gaf de aanzet om zijn eigenlijke interesse te ontwikkelen: anatomie.

In het Romeinse Rijk was het ontleden van het menselijk lichaam verboden, dus Galenus maakte gebruik van varkens en apen, die fysiek het meest op de mens lijken. Hij ontdekte de inwendige organen, maar hun plaats en functie beoordeelde hij niet goed. Hij dacht dat het hart donker en de lever licht bloed produceerde.

Niettemin namen Galenus’ bevindingen tot de 16e eeuw een centrale plaats in in de medische kennis in Europa.

Door bloedvaten af te binden kon Paré een bloeding stelpen en genoeg tijd winnen om een amputatie uit te voeren.

Door bloedvaten af te binden kon Paré een bloeding stelpen en genoeg tijd winnen om een amputatie uit te voeren.

© Scanpix/Granger

Afbinden van slagaderen redt soldaten van de dood

Turijn, 1537: Toen de chirurg Ambroise Paré bij het slagveld bij Turijn aankwam, zag hij een gruwelijk tafereel. Talloze soldaten lagen bloedend tussen hun dode kameraden. Enkelen kreunden om hulp, anderen schreeuwden. Paré besefte meteen dat hij slechts een paar van hen kon helpen.

Het was 1537 en Paré was als 27-jarige veldarts in dienst van het Franse leger. Zijn eerste kennismaking met de oorlog was de belegering van Turijn. Opnieuw had koning Frans I de strijd aangebonden met het Heilige Roomse Rijk, en de gevechten waren weer meedogenloos.

Dat de slag zo bloedig was, kwam mede door het nieuwe standaardwapen waar de legers in Europa over beschikten: de musket. Voorheen liepen de soldaten vooral steekwonden op van messen en zwaarden, maar een musketkogel had een heel ander, verwoestend effect. 

Deze nam stof- en kruitresten mee de wond in, richtte vervolgens een ravage in spieren en weefsel aan en reet de aderen open. Vaak remde de kogel pas af als hij een bot verbrijzelde. Een hevige bloeding was dan het gevolg.

Paré was een chirurg als alle anderen in die tijd. De wapens werden effectiever, maar de chirurgie bleef achter. Het vak werd nog als een ambacht beschouwd, en net als de meesten had Paré geen formele opleiding. 

Eerder had hij als barbier bij een ziekenhuis in Parijs gewerkt. Artsen met een goede opleiding vertegenwoordigden op die plek de wetenschap, maar als men in een patiënt wilde snijden, kwam de barbier eraan te pas. Paré had daardoor alleen praktische kennis.

Het werk van Ambroise Paré bevat legio methoden om wonden te behandelen.

© Polfoto/Ullstein Bild

IJzer stopte de bloeding

Voor zijn aankomst in Turijn had Ambroise Paré nog nooit geamputeerd en nu moest hij al na een paar dagen armen en benen van soldaten afzagen. Hij probeerde de hevige bloedingen te stelpen door na de ingreep een gloeiend ijzer op de wond te drukken. 

Als de gewonden niet al waren leeggebloed, beëindigde deze keiharde behandeling wel hun leven. Op dezelfde manier werden schotwonden met kokende olie gestelpt.

Paré was wanhopig. De soldaten bloedden onder zijn ogen dood, maar hij stond machteloos. Daarom begon hij ’s avonds, als de gevechten luwden, in zijn tent te studeren op een meer humane behandeling.

De oplossing van Paré was verrassend simpel. Hij klemde de ader met behulp van een soort pincet af. Ook al bleven kleinere bloedvaten bloed pompen, toch nam de bloeding af en won hij bij het am­puteren kostbare tijd.

Later ontdekte Paré ook nog dat hij een bloedvat af kon binden met zijdedraad, waardoor de bloeding ook echt stopte. Na de operatie liet hij de draad zitten. Op den duur viel de uitgedroogde stomp af, terwijl de wond in de tussentijd kon genezen.

Een moeilijke opgave

Maar de methode stuitte in de praktijk op problemen. Als Paré bijvoorbeeld in een dij een bloeding wilde stoppen, moest hij meer dan vijftig bloedvaten afbinden. In een veldhospitaal was een patiënt na tien afbindingen al doodgebloed. 

En een pincet op een spekglad bloedvat zetten terwijl het bloed er met grote kracht uit spoot, bleek ook niet mee te vallen.

Pas toen de Franse arts Jean Louis Petit in 1718 de eerste moderne tourniquet maakte, werd het mogelijk om hevige bloedingen onder moeilijke omstandigheden te stoppen. 

Maar dankzij zijn uitvinding groeide Ambroise Paré toch van een onbekende veldarts uit tot een van de meest befaamde beoefenaren van de chirurgie.

Al-Qasim dacht dat zieken door een goede verstandhouding met de arts sneller genazen.

© Mary Evans

Voór Paré : Heel Europa bestudeerde moslimgeneeskunde

Córdoba, ca. 1000: In de middeleeuwen was de Moorse cultuur in Spanje in veel opzichten toonaangevend in Europa. In de geneeskunde ging de chirurg Abu al-Qasim (936-1018) aan kop.

Al in 963 herkende hij als eerste buitenbaarmoederlijke zwangerschappen en hij ontdekte dat hemofilie erfelijk is. Daarnaast kon al-Qasim gebitsoperaties uitvoeren en schouders in de kom zetten, en ontwikkelde hij het gebruik van catgut (schapendarm) voor het hechten van wonden in het lichaam.

De islamitische arts werd echter vooral beroemd omdat hij hevige bloedingen kon stelpen. Hij bond bloedvaten af en schroeide de wond dicht met gloeiend ijzer. Dit was pijnlijk, maar wel effectief.

Al-Qasims boeken werden in heel Europa bestudeerd, en de Italiaanse chirurg Pietro Argallata noemde hem in 1453 ‘zonder twijfel de meest vooraanstaande chirurg’. Toch raakte al-Qasim in de vergetelheid toen de Moren in 1492 door Spanje werden verdreven. 

Dat zal de reden zijn dat Ambroise Paré al-Qasim niet kende, toen hij het afbinden van slagaderen in 1537 op het slagveld bij Turijn opnieuw ontdekte.

Simpson was zijn eigen proefpersoon en viel prompt flauw toen hij chloroform inademde.

© Scanpix/Granger

Chloroform won het van de pijn

Edinburgh, 1847: Toende verloskundige James Young Simpson uit Schotland 16 was, woonde hij een amputatie bij in Londen. De operatie verliep zonder verdoving en was heel pijnlijk voor de patiënt, die stierf door bloedverlies. 

Het was een gruwelijke ervaring die Simpson altijd is bijgebleven. Toen hij later werkte in het universiteitsziekenhuis van Edinburgh, zag hij het lijden van de patiënten als het belangrijkste probleem.

Halverwege de jaren 1840 waren bevallingen nog steeds levensgevaarlijk. Sinds een paar jaar was ether in omloop om de pijn van vrouwen in barensnood te verlichten, maar de stof was licht ontvlambaar en de etherdampen vormden bij de gaslampen een direct ontploffingsgevaar. 

Ook kon een foute dosering de dood betekenen en wist niemand of ether schadelijk was voor de baby. Simpson zocht een beter alternatief.

Simpson dronk en snoof

Eerst experimenteerde Simpson op zichzelf. Hij mengde alle chemicaliën die hij maar te pakken kon krijgen en dan dronk of snoof hij ze op.

Op een dag in 1847 zag hij in een apotheek in Liverpool een heldere vloeistof, ‘chloroform’ staan. De apotheker vertelde dat de stof 16 jaar eerder als middel tegen astma was ontdekt. Thuis ademde Simpson de stof diep in en ging van zijn stokje.

Bij een etentje een paar dagen later liet Simpson de nieuwe stof testen. De sfeer werd meteen vrolijk, het gesprek ontspannen en vaag. Sommige mensen gingen liggen of vielen om.

Simpson was overtuigd dat hij eindelijk het middel had gevonden dat revolutionair zou zijn voor de chirurgie. Chloroform was veel effectiever dan ether. De verdoving was dieper en eenvoudiger te controleren. 

Chloroform ‘kan op een spons of doek worden gegoten die men voor de neus en mond van de patiënt houdt, zodat het gewenste effect al na een paar minuten diep inademen optreedt’, zo schreef Simpson.

Toen chloroform populair werd, vond men allerhande verdovingsapparaten uit − hier een uit 1862.

© Science Museum/SSPL

Chloroform wint terrein

Simpson kwam direct in actie om chloroform onder de aandacht te brengen, en al spoedig gingen in heel Europa artsen met het wondermiddel experimenteren om het gebruik ervan te verbeteren. 

Men was nog sceptisch, maar daar kwam verandering in toen koningin Victoria in 1853 de stof gebruikte bij de geboorte van prins Leopold.

Helaas voor Simpson kon chloroform ook dodelijk zijn. Naarmate de stof populairder werd, groeide ook het aantal sterfgevallen. En tot ieders verbazing stierven vooral jonge, sterke mensen. 

Simpson begreep het niet, maar zijn collega John Snow ontdekte dat chloroform de ademhaling en het hart beïnvloedt – en dat de grens tussen leven en dood miniem was. 

Een derde van een theelepel kon een patiënt verdoven, maar een halve theelepel was dodelijk. Jonge mensen hadden een grotere dosis nodig en kwamen daardoor dichter bij de gevaarlijke grens.

Ondanks de problemen kreeg Simpson voor zijn ontdekking veel erkenning. Zo werd hij geridderd en kreeg hij een wapenschild met de inscriptie ‘De pijn overwonnen’. En toen hij in 1870 stierf, liepen er 30.000 mensen achter zijn kist door de straten van Edinburgh.

Hua Tuo werd bekend om zijn verdovende kruiden.

Hua Tuo werd bekend om zijn verdovende kruiden.

© Science Photo Library

Vóór Simpson : Arts stookt zijn teksten op

Qiao, 2e eeuw: Hua Tuo (gestorven in 208) wordt gezien als een van de grootste Chinese artsen aller tijden. Hij groeide op in Qiao, bekend om zijn kruiden. Hua Tuo bestudeerde ijverig de lokale flora en gold al snel als een meester in de kruidengeneeskunde. 

Hij was vooral geïnteresseerd in de verdovende werking van planten en experimenteerde met chirurgie onder verdoving.

Zo opereerde hij volgens Chinese bronnen een man in zijn buik nadat hij hem een zelfgemaakt verdovingsmiddel had toegediend van plantenextracten – onder meer cannabis – vermengd met alcohol.

Hua Tuo werd zo beroemd dat keizer Cao Cao hem liet komen om zijn hoofdpijn te behandelen. Maar toen de arts op een keer naar huis ging om voor zijn zieke vrouw te zorgen, liet de keizer hem oppakken en zijn medische teksten in beslag nemen.

Hua Tuo smeekte zijn bewaker om de aantekeningen te verstoppen, maar uit angst voor Cao Cao weigerde die. Hua Tuo verbrandde daarom al zijn recepten, zodat de keizer ze niet te pakken zou kunnen krijgen.

Joseph Listers ontdekking bracht het sterftecijfer na amputaties terug van 50 tot slechts 15%.

© Wellcome Library London

‘Beestjes in de lucht doden toch geen mensen!’

Glasgow, 1865: Als een patiënt werd opgenomen met een open beenbreuk, wisten de artsen in de jaren 1860 dat de wond binnen een paar dagen geïnfecteerd zou raken. Dan volgde koudvuur en was amputatie de enige kans om het leven van de patiënt te redden. 

Ook al konden artsen verdoven en bloedingen stelpen, infecties zorgden nog steeds voor een overlijdensrisico van 50%.

Joseph Lister, hoogleraar chirurgie aan het universiteitsziekenhuis in Glasgow, snapte er niets van. Hij had het vak geleerd van de meest vooraanstaande chirurgen in Londen. De besten konden een been amputeren in 25 seconden, maar toch stierven veel patiënten aan infecties. Lister moest en zou de oorzaak hiervan vinden.

In Glasgow zagen sommigen de industrierook in de lucht als oorzaak. Anderen dachten aan het kerkhof voor choleraslachtoffers waar het ziekenhuis op gebouwd was. Lister had zijn eigen theorie.

Als jongen had hij kikkers opengesneden en de ontstoken wonden onderzocht met zijn vaders microscoop. Hij zag talloze micro-organismen maar begreep niet waar ze vandaan kwamen, tot hij over Louis Pasteur hoorde.

Deze Franse bioloog had net ontdekt dat een steriele stof in een fles steriel bleef, ook als deze alleen met watten werd afgesloten. Er kon namelijk alleen lucht door de watten en verder niets. Zo bewees Pasteur dat het niet de lucht, maar de micro-organismen in de lucht waren, die de stof beïnvloedden.

Fenol bleek de oplossing

Lister concludeerde dat deze micro-organismen ook zijn patiënten doodden. Hiermee was de toename verklaard van het aantal sterfgevallen sinds artsen een verdoving gebruikten. Ze namen nu de tijd bij een operatie waardoor patiënten langer waren blootgesteld aan de micro-organismen. Lister ging uitzoeken hoe hij de micro-organismen kon doden. 

Louis Pasteur had zijn materialen uitgekookt maar dat ging met lichamen niet, dus moest de oplossing wel chemisch zijn.

Het antwoord vond Joseph Lister in Carlisle, waar het stadsbestuur in een nieuwe waterzuiveringsinstallatie fenol deed. Hierdoor verdween de stankoverlast, en Lister concludeerde dat fenol de micro-organismen doodde.

De chirurg begon meteen met laboratoriumproeven en bracht zijn idee in 1865 in de praktijk. Hij opereerde een 11-jarig jongetje dat was aangereden door een wagen. Het scheenbeen van de jongen was verbrijzeld en hij had een grote, open wond.

De stank bleef uit

Lister zette de breuk, dekte de wond af met een in fenol gedrenkte doek en pakte het been in in folie, zodat de stof niet zou verdampen. 

Hij zag de jongen vier dagen later weer. Lister verwachtte een stank van rotting toen hij het verband losmaakte, maar de wond was niet geïnfecteerd. Zes weken daarna was de jongen weer op de been en kon hij naar huis. De antiseptische chirurgie was ontdekt.

‘Een zeer opbeurend resultaat’, noteerde Lister, die het jaar erop zijn resultaten bekendmaakte. Hij had toen 11 operaties gedaan met slechts één sterfgeval, en dat kwam door complicaties die los van de operatie stonden.

Ondanks het succes stuitte de nieuwe methode op weerstand. Lister ontwikkelde een apparaat dat fenol verstoof, zodat de operatie verliep in een nevel van fenol. Zulke arbeidsomstandigheden pikten veel chirurgen niet. 

Zo moest een arts van het Bellevue Hospital in New York buiten in een tent opereren, omdat de rest van het personeel de fenollucht niet verdroeg.

Oudere collega’s noemden Lister een leugenaar. Dat kon niet kloppen, dat ‘beestjes die alleen in Listers fantasie bestaan een volwassen mens kunnen doden’, zeiden zij.

Maar langzaam werd het idee geaccepteerd. Beetje bij beetje werden de houten operatietafels vervangen door stalen en werden bebloede vloeren bedekt met zeil. 

De chirurgen zelf gingen schone doktersjassen en rubberen handschoenen dragen. En zo werd de laatste stap gezet om de chirurgie tot een moderne wetenschap te maken.

Semmelweis voerde in dat artsen hun handen moesten wassen in chloor met chemicaliën.

© Polfoto/Corbis

Voór Lister : Schone handen redding

Wenen, 1847: In een Weens ziekenhuis werd de ene kraamafdeling door vroedvrouwen en de andere door mannelijke artsen geleid. In 1846 bleek dat de artsen vier keer zoveel patiënten verloren als de vroedvrouwen.

Ignaz Semmelweis (1818-1865), een jonge verloskundige, ontdekte hoe dat kwam. Tussen de bevallingen door voerden de artsen autopsies uit, en Semmelweis maakte mee dat een collega die zich tijdens een autopsie in zijn vinger sneed, na een paar dagen door een infectie stierf. 

Dat deed hem denken aan de situatie op de kraamafdeling en zijn conclusie was dat de artsen ‘lijkstof’ van de doden op de vrouwen overdroegen. Hij beval daarom dat de artsen hun handen moesten wassen voor ze de kraamafdeling betraden.

Prompt daalde het sterftecijfer van 18,2 naar 2,3%. Maar Semmelweis maakte zich er niet populair mee. 

De artsen vonden het handen wassen onpraktisch en lieten hem ontslaan. Semmelweis bleef zijn standpunt vurig verdedigen, maar verloor gaandeweg de moed. In 1865 werd hij opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, waar hij een wond opliep die ging ontsteken. 

Twee weken later stierf hij aan het soort infectie waar hij de wereld voor gewaarschuwd had.

Bekijk ook ...