Radaroperators moesten de positie van vliegtuigen met de hand intekenen op een groot scherm.
© Raf Museum & Corbis/All Over

Britse radar won luchtoorlog tegen Duitsers

Terwijl Duitsland een steeds grotere bedreiging vormt, zet de Britse luchtmacht alle zeilen bij om de verdediging te verbeteren. Experimenten met ‘doodsstralen’ mislukken, maar dan krijgt een Britse ingenieur een geniale ingeving.

25 augustus 2016 door Tim Panduro
De spanning is te snijden op 17 september 1936 in de oude paardenstallen van de herenboerderij Bawdsey Manor. De paarden hebben plaatsgemaakt voor drie elektronische panelen, voorzien van schermen en knoppen. De mannen die erachter zitten, gaan hun project voor het eerst tonen aan hoge politici en militairen, die hun adem inhouden.

Op deze dag moet het gloednieuwe Chain Home-radarsysteem bewijzen wat het waard is. Boven zee komen 10 vliegtuigen van de Britse luchtmacht snel dichterbij. Het is de bedoeling dat die te zien zijn als stipjes op een van de schermen. Als het systeem functioneert, is aangetoond dat radar vijandelijke luchtaanvallen kan zien aankomen.

Robert Watson-Watt heeft het radar-systeem gebouwd, en hij heeft zelf de kopstukken uitgenodigd om vandaag de demonstratie bij te wonen.

Eerst vertelt Watson-Watt enthousiast over het project, maar naarmate de minuten verstrijken en er niets gebeurt, zegt hij steeds minder. De stilte in de halfdonkere stal wordt pas doorbroken als er buiten een gebrom klinkt, dat de komst van de vliegtuigen aankondigt. Eindelijk ziet een operator een stipje op zijn scherm. 

Hij probeert de positie van de vliegtuigen nog snel door te geven, maar het is te laat: met brullende motor vliegen de eerste al over.

De demonstratie is jammerlijk mislukt. Watson-Watt was te ongeduldig: de radar was nog niet af.  

Doodsstralen zijn het begin

In de Eerste Wereldoorlog hadden de Duitse zeppelins bommen op Engeland gegooid. Veel schade hadden ze niet aangericht, maar de Britten waren bang dat de snel groeiende vliegtuigindustrie in een volgende grote oorlog wel eens doorslaggevend kon worden.

Ze namen dus maatregelen om de Duitse dreiging tegen te gaan. Er werden luisterposten gebouwd om vijandelijke communicatie te onderscheppen, langs de kust kwamen schijnwerpers en radio-golven werden als wapen ingezet. In 1934 loofde het ministerie van luchtvaart 1000 pond uit aan degene die een werkende ‘doodsstraal’ op basis vangeluidsgolven kon demonstreren.

In de maanden hierna probeerden velen de prijs in de wacht te slepen. De kranten stonden bol van de fantastische verhalen over deze stralen, die konijnen konden doden of motoren doen afslaan. Maar daar klopte allemaal niets van.

‘De sterfte onder schapen is niet door de prijsvraag beïnvloed,’ schreef het ministerie van Luchtvaart droogjes in een officieel persbericht.

Het idee werd echter niet opgegeven. In januari 1935 werd ingenieur Robert Watson-Watt, een deskundige op het gebied van radiogolven, door de regering bij het project betrokken.
Watson-Watt zag er weinig in. Het principe was dat de straal vijandelijke piloten zou doden door hun lichaams-temperatuur van vele kilometers afstand te verhogen. Toen hij het principe had doorgerekend, concludeerde Watson-Watt dat zijn scepsis terecht was. Een straal des doods zou veel meer energie vergen dan de elektriciteitscentrales in de jaren 1930 konden opwekken.

Door de berekeningen kwam Watson-Watt echter wel op een ander idee. In plaats van een straal uit te zenden om de vijand te doden, kon je radiogolven gebruiken om de positie van vijandelijke toestellen in de lucht te peilen. Dat schreef hij in een memo, dat hij als het geboortebewijs van de radar zag.

Watson-Watt noemde zich de vader van de radar en beschouwde Hülsmeyer als de opa.
© Getty Images

Apparaat getest met hulp van BBC

Het idee van Robert Watson-Watt viel in goede aarde bij het ministerie, dat meteen groen licht gaf.

Op 26 februari 1935 stond hij op een grasveldje nabij het dorp Weedon in Northamptonshire. Hij werd vergezeld door een collega en een hooggeplaatste ambtenaar van het ministerie.

Watson-Watt testte hier zijn idee met een zelfgemaakte radio-ontvanger, die op een primitief scherm aangesloten was, en de zender van een radiotoren van de BBC. Een piloot kreeg opdracht om in de richting van de radiotoren te vliegen. Met zijn apparaat pikte Watson-Watt het toestel over 13 kilometer op, waarna het signaal verdween.
De proef was geslaagd, en de steun van een selecte groep hoge politici en militairen was binnen. De belangrijkste was sir Philip Cunliffe-Lister, de Britse minister van Defensie.

Cunliffe-Lister was onder de indruk van de resultaten en hij gaf Watson-Watt de beschikking over een staf en de afgelegen boerderij Bawdsey Manor. Daar kon hij in alle rust doorgaan met de ontwikkeling van de radar.

Hetzelfde groepje hoogwaardigheidsbekleders was op 17 september 1936 getuige van de mislukking toen de radar de vliegtuigen niet op tijd waarnam. 

Project loopt gevaar

De teleurstelling was groot voor Watson-Watt en zijn team. Korte tijd later kreeg hij te horen dat het project wellicht in zijn geheel geschrapt zou worden. 


De radar hing aan een zijden draadje, maar de ingenieur gaf niet op. Hij wist zeker dat de vinding de doorslag zou geven in een toekomstige oorlog en werkte dag en nacht om de fout te vinden.

Gelukkig bleek al snel dat er slechts een paar aanpassingen nodig waren om het systeem aan de praat te krijgen. Nadat hij minister Cunliffe-Lister had overtuigd, was zijn project veiliggesteld en kon hij op volle kracht doorgaan met de ontwikkeling van radar.

Binnen de kortste keren schoten de radartorens als paddenstoelen uit de grond: voor de oorlog uitbrak, stonden er maar liefst 19 langs de Britse oostkust, van Schotland in het noorden tot Portsmouth in het zuiden.

Radaroorlog begint

Op 3 augustus 1939 – een paar weken voor de oorlog losbarstte, volgde de bemanning van Britse radarstations de vlucht van een enorme zeppelin langs de kust.

Aan boord was de Luftwaffe-generaal Wolfgang Martini. Hij was betrokken bij de ontwikkeling van een Duitse radar en was ervan overtuigd dat de torens langs de kust een waarschuwingssysteem voor vijandelijke toestellen vormden. Martini probeerde signalen op te vangen van de torens, maar na zes uur gaf hij het op, schakelde hij zijn meetapparatuur uit en keerde hij terug naar Duitsland.

De generaal had niets opgevangen doordat de Duitse radar een andere
frequentie gebruikte dan de Britse. Martini interpreteerde de Britse radiosignalen dan ook als ruis.

Dat het wel degelijk radar was, en een zeer effectieve, ondervonden de Duitse piloten aan den lijve in de Slag om Engeland in de zomer van 1940. Het was de eerste grote luchtslag, en de Duitsers leden een nederlaag.

Er waren altijd Britse toestellen in de lucht als de Duitsers in aantocht waren, en de verliezen aan Duitse zijde waren ongekend. Pas toen ze de Britse radio-
communicatie onderschepten die de positie van de Duitsers aangaf, wisten ze dat de Britten hen konden zien.

Martini verzocht zijn baas, Hermann Göring, daarom het bevel te geven om de radarstations uit de schakelen. Die zag ze echter niet als een groot probleem en ging pas na lang aarzelen akkoord.

Op 12 augustus 1940 werden 16 Duitse bommenwerpers op vier Britse radarstations afgestuurd. Ze plaatsten enkele voltreffers, maar de bouwwerken waren snel weer te repareren. Bij latere aanvallen kon de Luftwaffe evenmin veel uitrichten: slechts één radarstation raakte zwaar beschadigd en was een tijdje buiten bedrijf.

De Britse legerleiding schrok zich echter een hoedje van het beperkte Duitse succes. Als de aanvallen op het radarsysteem aanhielden, kon het hele radarnetwerk instorten. De Britten konden echter niet bevroeden dat ze hulp zouden krijgen uit onverwachte hoek: de top van de Luftwaffe. Op 15 augustus 1940 schreef Göring: ‘Het is de vraag of het zin heeft om radarstations te blijven aanvallen, gezien het feit dat tot nu toe geen enkel van de aangevallen stations geheel uitgeschakeld is.’

De woorden van de rijksmaarschalk waren wet, en vanaf midden augustus besteedde de Luftwaffe geen energie meer aan het bestoken van de Britse radartorens. De Engelse legertop kon opgelucht ademhalen. 
Op 20 augustus 1939, 17 dagen na zijn verkenningsvlucht boven Engeland, maakte de Graf Zeppelin zijn laatste vlucht.
© Corbis/All Over

Slag wordt ’s nachts beslist

In plaats van het Britse radarnetwerk aan te vallen, besloten de Duitsers te vertrouwen op de duisternis. De radar werkte ook als het donker was, maar dan konden de Britse piloten de vijand veel moeilijker waarnemen wanneer ze toesnelden na een radarmelding.
Daardoor werd de strijd in de lucht iets gelijker en richtten de Duitsers meer schade aan met hun aanvallen.

De Britten moesten iets nieuws verzinnen om te voorkomen dat de Duitsers de overhand zouden krijgen in de lucht. Ze bouwden een kleine ontvanger voor de radar die elk vliegtuig aan boord kon hebben. Op die manier was het contact met de grond minder belangrijk. De Britse piloten kregen de positie van de vijandelijke vliegtuigen sneller door en konden ze makkelijker lokaliseren.

Er werden ook radarstations in het binnenland gebouwd om vijandelijke toestellen op te kunnen sporen nadat ze door de eerste radarbarrière waren geglipt. De radarstations stuurden hun signalen namelijk maar één kant op, en wie erlangs was, was veilig.

De verbeteringen hielpen, en na verloop van tijd besefte de Duitse legertop dat de Britten niet in de lucht verslagen konden worden. In oktober 1940 gaf Hitler het idee op om de Engelsen net zo lang te bombarderen tot ze zich overgaven en zag hij van een invasie af.

Er zijn geen Duitse piloten gedood door radiogolven, maar indirect hadden ze wel degelijk het effect van stralen des doods. Dankzij de techniek zegevierden de Britten in de Slag om Engeland – de eerste radaroorlog in de geschiedenis.

Bekijk ook ...