In de Eerste Wereldoorlog renden snelle honden tussen de eenheden aan het front heen en weer met berichten aan hun halsband.

Dieren in dienst

Brandende varkens, honden die zelfmoordaanslagen plegen en ratten die mijnen ruimen. Dieren zijn door de jaren heen vaak op allerlei inventieve manieren ingezet op het slagveld.

13 augustus 2015 door Kasper Nielsen & Boris Koll

Het nieuws over de overwinning van Julius Caesar op de Galliërs in 52 v.Chr. en over de nederlaag van Napoleon bij Waterloo in 1815 werd door postduiven verspreid.

Brandende apen en varkens

De duif is al duizenden jaren in militaire dienst, terwijl andere dieren alleen bij wijze van proef zijn gebruikt. Zo schreef de Romeinse geschiedschrijver Plinius de Oudere over oorlogsvarkens, die ingezet werden tegen de olifanten van de vijand. Ze werden overgoten met een brandbare vloeistof en aangestoken. Door hun schelle pijnkreten zouden de olifanten in paniek zijn geraakt.

In oorlog is alles geoorloofd, zelfs de gruwelijkste dingen. Tijdens de Chinese Song-dynastie midden 10e eeuw werden apen ingezet. Ze werden ingepakt in stro, in olie gedrenkt en in brand gestoken. In het vijandige kamp richtten de levende vuurkogels een ravage aan.

Met respect behandeld

Maar hoewel dieren het in de vele oorlogen van de geschiedenis flink te verduren kregen, worden viervoetige of gevleugelde strijdmakkers over het algemeen met respect behandeld. Er doen veel mooie verhalen de ronde over postduiven, paarden en honden die door hun uithoudingsvermogen en inzet een oorlogssituatie ten goede keerden.

Veel oorlogsdieren zijn beroemd geworden, maar het paard Bucephalus van Alexander de Grote spant wellicht wel de kroon. Het droeg zijn eigenaar tijdens meer dan 30 veldslagen, altijd in de voorhoede. De dankbare Alexander stichtte een stad, Bucephala, ter nagedachtenis aan zijn paard.

Lastdier: Kamelen sjouwden zich dood

De Britten gebruikten kamelen als lastdier en bij frontale aanvallen.

Russische noch Britse soldaten hadden kaas gegeten van de specifieke behoeften van de kameel. De dieren werden uitgebuit en stierven bij bosjes.

Kamelen kunnen tegen een stootje en zijn beter aan het leven in de woestijn aangepast dan bijvoorbeeld paarden en muildieren. Zo kunnen ze het een week zonder water stellen en kunnen ze tijdens zandstormen hun neusgaten sluiten. Maar zelfs een kameel heeft verzorging nodig.

In 1877 had de Russische generaal Michail Skobele in de Russisch-Turkse Oorlog 12.000 kerngezonde kamelen tot zijn beschikking. Enige tijd later keerde zijn leger als overwinnaar terug met één kameel. De rest was bezweken aan het koude Aziatische klimaat. Ongeveer tegelijk vochten de Britten in Afghanistan, waar ze in een paar jaar 30.000 kamelen verloren.

De Britse auteur Geoffrey Inchbald, die in het Britse kamelenkorps diende tijdens de Eerste Wereldoorlog in Egypte, beschreef hoe kamelen massaal het loodje legden doordat soldaten die paarden gewend waren ze als lastdieren gebruikten. Kamelen vatten vaak kou of liepen andere ziekten op, en als hun hoeven nat werden, kregen ze last van schimmel. Als ze hun voedsel niet in emmers kregen maar het van de grond moesten eten, slikten ze zo veel zand in dat ze er vaak koliek of een maagzweer van kregen.

Geoffrey Inchbald schreef: ‘Alleen God weet hoe zwaar deze eens zo prachtige dieren leden, maar ze protesteerden niet meer dan anders en hielden vol tot ze van uitputting bezweken. Als we achter ons keken naar de route die we afgelegd hadden, zagen we een eindeloze rij dode kamelen tot in de verte.’

Brandstichter: Vleermuizen in plaats van atoombom

Terwijl de bom daalde, kwamen de vleermuizen los en verspreidden ze zich.

In januari 1942 kwam de Amerikaanse tandarts Lytle S. Adams naar president Roosevelt met een idee dat volgens hem de Japanners tot overgave zou dwingen: vleermuisbommen. Zo’n bom bestond uit 26 kooien met elk 40 vleermuizen. Elke vleermuis droeg 20 tot 30 gram napalm die ontstoken kon worden met een timer. De bom moest vanaf 1500 meter worden afgeworpen boven een stad en aan een parachute verder dalen. Als de kooien opengingen zouden de vleermuizen zich over een groot gebied verspreiden.

Theoretisch konden tien vliegtuigen ruim een miljoen vleermuizen afwerpen. Ook praktisch leek het haalbaar. Een zwerm testvleermuizen nestelde zich onder een brandstoftank op een militaire basis en zorgde voor een enorme ontploffing. Uiteindelijk werd echter voor de atoombom gekozen, die sneller ontwikkeld kon worden. Maar tot zijn dood in 1970 hield Lytle S. Adams vol dat zijn uitvinding Japan even zwaar zou hebben getroffen als de atoombom op Hiroshima.

Zelfmoordhond: Bomhonden vielen Duitse tanks aan

In de Eerste Wereldoorlog renden snelle honden tussen de eenheden aan het front heen en weer met berichten aan hun halsband.

In 1941 probeerde het Sovjetleger de Duitse opmars een halt toe te roepen met alle denkbare middelen – zelfs antitankhonden.

Het idee was sinds de jaren 1930 ontwikkeld in trainingskampen van het leger. Honden leerden om onder een tank door te lopen en een mijn die ze in hun bek hadden los te laten. De mijn werd op afstand of met een timer bediend, zodat de hond op tijd weg kon komen.

Helaas kwamen de honden vaak bij hun baasje terug met de mijn nog steeds in hun bek. In een oorlogssituatie was dit risico onaanvaardbaar. Daarom werd de mijn geprogrammeerd om te ontploffen wanneer de hond zijn doelwit bereikte. De tank – en de hond – werden dan opgeblazen.

In de praktijk werkte de methode echter niet optimaal. De honden raakten in de war van de benzinelucht van de Duitse tanks. Ze waren uitsluitend getraind met Sovjettanks, die op diesel reden. Aan dit kleine maar wezenlijke verschil had niemand in de trainingskampen gedacht.

Het is niet bekend hoeveel Duitse tanks de honden in de oorlog uitschakelden, maar van de eerste 30 ontploften er maar vier honden bij een tank.

Mijnenruimer: Ratten getraind om mijnen op te snuffelen

De ratten krijgen voor elke gevonden mijn iets lekkers.

In 1941 kregen de Britten het idee om dode ratten met springstof te vullen en ze door saboteurs in de kolenvoorraad van Duitse munitiefabrieken te laten stoppen. Als een rat dan in een oven werd geschept, zou de ketel exploderen. De eerste levering van rattenkadavers werd echter onderschept door de Duitsers, die zo schrokken dat ze een zoekactie naar explosieve ratten op touw zetten.

Het Britse plan viel in duigen. De Russen hadden meer succes toen ze tijdens de belegering van Stalingrad ratten besmetten met de konijnenkoorts – die bij mensen koorts, hoofdpijn en moeheid veroorzaakt – en ze loslieten achter vijandelijke linies. Minstens 50.000 Duitsers raakten besmet. In Mozambique trainen Belgische mijnenruimers ratten om mijnen op te snuffelen. In een half uur kunnen ze een gebied van 100 m2 uitkammen, veel sneller dan mensen.

Boodschapper: Postduif kreeg medaille voor moed

‘Wij dienen ook’, stond er op de medaille van de duif G.I. Joe.

Vogels met heimwee worden al meer dan 3000 jaar als boodschappers in oorlogen gebruikt, maar de twee wereldoorlogen vormden het hoogtepunt met 250.000 actieve postduiven alleen al bij de geallieerden.

Ze waren zo belangrijk dat er in Engeland een half jaar celstraf stond op het verwonden of doden van een postduif. Ook kreeg een aantal duiven een militaire onderscheiding. Zo werd de Amerikaanse postduif G.I. Joe in 1946 van de VS naar Engeland gebracht om een medaille uitgereikt te krijgen in het bijzijn van meerdere hoge officieren.

Tijdens de strijd in Italië had G.I. Joe in recordtijd een bericht afgeleverd dat een dorp dat door de vijand bezet was, heroverd was. Als G.I. Joe maar vijf minuten later was geweest, hadden merikaanse bommenwerpers het dorp met de grond gelijk gemaakt – met 100 Amerikaanse soldaten erin.

Bangmaker: Olifanten als bangmaker

Olifanten waren een krachtig, maar onhandelbaar wapen. Bij veldslagen in de oudheid vertrapten ze geregeld hun eigen troepen.

Olifanten moesten met grof geweld door de vijandelijke linies breken, maar gewonde olifanten raakten vaak in paniek en waren dan levensgevaarlijk.

Al ver voor Christus gebruikten de Indiërs olifanten als strijdwapen. In Europa schreven olifanten voor het eerst militaire geschiedenis in 218 v.Chr., toen de Carthaagse generaal Hannibal zijn grote leger met een aantal strijdolifanten over de Alpen leidde. Van de oorspronkelijke 37 olifanten overleefden slechts enkele de barre tocht, en ze speelden geen rol van betekenis tijdens Hannibals oorlog in Italië.

Op het slagveld joegen olifanten vooral schrik aan. Ze konden voetsoldaten makkelijk vertrappen, maar de Romeinen leerden snel hoe ze met de beesten om moesten gaan. Toen Hannibal in 202 v.Chr. in de Slag bij Zama in Noord-Afrika 80 olifanten op de Romeinen losliet, lieten deze de dieren door trompetgeschal schrikken. In paniek maakten ze rechtsomkeert en walsten ze over hun eigen leger heen.

De Carthagers verloren de slag. Olifanten werden nooit erg belangrijk in Europese oorlogen, maar het Britse leger gebruikte ze nog in de Tweede Wereldoorlog in Birma om voorraden te vervoeren.

Bekijk ook ...