Pas na negen maanden maakten Pattersons kogels een einde aan de bloeddorst van de menseneters.

© Field Museum

Bloeddorstige leeuwen verslonden 100 mensen

In de Keniaanse wildernis leggen arbeiders een spoorlijn aan voor het Britse koloniale gezag. Maar ze zijn niet alleen. In het hoge gras liggen twee hongerige leeuwen op de loer, die ’s nachts op mensenjacht gaan in het tentenkamp.

8 februari 2017 door Hans Henrik Fafner

Net als de andere arbeiders die aan de tijdelijke spoorbrug over de Oost-Afrikaanse rivier de Tsavo bouwden, sliep hij in een tent.

’s Avonds was hij op zijn gebruikelijke plekje gaan liggen, dicht bij de opening, maar de volgende ochtend konden zijn collega’s hem nergens vinden.

De man was van onbesproken gedrag en had een flink bedrag gespaard, en de spoorwegingenieur, Ronald O. Preston, dacht dan ook dat de vermiste mogelijk vermoord was door een jaloerse collega. 

Niet veel later werd zijn lijk gevonden, en meteen was het duidelijk dat het niet om een gewone moordzaak ging.

‘Ik heb veel dodelijke ongelukken gezien, waarbij de slachtoffers soms zwaar verminkt waren,’ schreef Preston in zijn dagboek. 

‘Maar dit skelet, waar het vlees van afgescheurd was, bood een van de gruwelijkste aanblikken.’

Preston twijfelde niet: de arbeider was door een leeuw gedood. 

De ingenieur liet het lichaam ter plekke begraven, en de rest van de dag waren de werklui bezig met het aanleggen van een hoge boma – een heg van doornstruiken – waarmee de plaatselijke bevolking ook hun eigen dorpen beschermde tegen hongerige wilde dieren.

Spoorlijn door de wildernis

‘De wind zorgde slechts voor een triest geritsel, vol van verdriet, alsof hij wilde zeggen: “Hier is alles dood en ellende.”’ Zo beschreef de avonturier Joseph Thomson het gebied toen de Royal Geographical Society hem in 1883 op pad had gestuurd om het traject van een spoorlijn in kaart te brengen.

Het werk aan de zogeheten Oegandaspoorlijn was in 1896 begonnen. De lijn vertrok vanuit de havenplaats Mombassa en moest aan de oever van het Victoriameer uitkomen.

Veel arbeiders waren in de Taruwoestijn omgekomen, en het traject tussen de plaatsen Voi en Ndi was vanwege de dichte acaciabossen met veel pijn en moeite aangelegd.

De meeste van de 3000 arbeiders kwamen uit India, want het Britse koloniale gezag had moeite om in Kenia zelf gekwalificeerd personeel te vinden.

Afrikaanse tropenziekten maakten veel slachtoffers onder de Indiërs, en in de woestijn heerste er een gebrek aan drinkwater. Dat moest uit Mombassa komen, 200 kilometer verderop.

In 1898 leek de ellende voorbij: het spoor had de rivier de Tsavo bereikt. Hier was het land groen en vruchtbaar, en water was er in overvloed.

De projectleiding wist dat ‘Tsavo’ in de plaatselijke taal, het Kikamba, ‘slachtpartij’ betekende. In dit gebied vielen de Masai af en toe dorpen aan – en de Masai namen geen gevangenen, maar doodden hun vijanden.

Britse ingenieurs zagen deze aanvallen echter als een plaatselijke aangelegenheid die geen invloed had op de aanleg van de spoorlijn, en na de ontberingen in de droge woestijn was Tsavo een waar paradijs.

Nog geen week na het eerste incident werden de mannen gewekt door leeuwengebrul. Toen werd het stil en vielen de arbeiders weer in slaap.

Ze vertrouwden erop dat hun boma wilde dieren buiten de deur zou houden. Maar opeens verscheen er een grote leeuw in een tentopening.

De werklui hadden de tent opengelaten voor wat frisse lucht.

Met een snelle uithaal greep de leeuw de man die het dichtst bij de ingang lag bij zijn nek en sleepte hem naar buiten. In de tent hoorden de anderen zijn doodskreten.

De leeuw beet door, en het geschreeuw stopte.

De volgende ochtend werden het hoofd en de voeten van de man 100 meter van het kamp gevonden.  

De arbeiders en de Britse opzichters woonden in tenten, dus de leeuwen hadden vrij spel. 

© Field Museum

Ingenieur is leeuwenjager

Kort na deze eerste aanvallen kwam kolonel John Henry Patterson naar het kamp.

Hij was ingenieur en zou toezien op de bouw van een permanente, stalen brug op een fundament van steen over de Tsavo.

In India, waar hij eerder spoorbruggen gebouwd had, was hij geconfronteerd met tijgers die mensen aten, en toen hij hoorde dat er moordlustige leeuwen in het Tsavogebied huisden, besloot hij meteen de koe bij de hoorns te vatten.

Patterson bouwde een zogeheten machan – een horizontale plank in een boom, die in India voor de tijgerjacht werd gebruikt.

Hier zat hij de hele nacht met zijn geweer in de aanslag in de hoop de dodelijke leeuw in het vizier te krijgen. Maar elke nacht werden arbeiders gedood en aan stukken gescheurd.

Na verloop van tijd kwam Patterson erachter dat er twee leeuwen waren, die als een team opereerden.

Eentje ging er op rooftocht in het kamp, terwijl de andere buiten de wacht hield. Ze deelden de buit.

Patterson probeerde een patroon te ontdekken, maar telkens als hij zijn machan verplaatst had naar de plek waar ze voor het laatst hadden toegeslagen, hoorde hij angstkreten uit een heel ander deel van het kamp.

‘Wees gewaarschuwd, broeders, de duivel is onder ons,’ klonk het in de nacht als er weer een leeuw opdook.

De Indiërs geloofden niet dat Patterson iets kon doen tegen hun dodelijke vijand. Ze dachten dat de leeuwen overleden stamhoofden waren, die de bouw van de spoorlijn door hun land wilden stoppen. 

Dieren leven van mensenvlees

Patterson wist de aanhoudende leeuwenaanvallen geen halt toe te roepen. In april 1898 hadden de roofdieren 16 Indiase werklui en een onbekend aantal Afrikaanse waterdragers en houthakkers verschalkt.

De spoormaatschappij hield niet bij hoeveel Afrikanen er gedood werden, want zij werden in natura betaald en stonden niet op de loonlijst.

Maar Patterson maakte zijn eigen berekening. Hij schatte dat een leeuw die honger heeft 40 kilo vlees per dag kan eten, en op basis daarvan becijferde hij dat de twee leeuwen vooral van mensenvlees leefden.

En hij wist ook waarom: Tsavo lag op een hoofdroute van slavenhandelaren. Als een slaaf in een karavaan te zwak was om verder te lopen, werd hij achtergelaten. Zo hadden de leeuwen mensen leren eten.

De Indiërs stonden doodsangsten uit, maar bleven, en al snel trok het kamp verder – het jachtterrein van de leeuwen uit.

Patterson bleef achter met een paar honderd werklui, die de brug moesten voltooien. Hij had ze een flinke loonsverhoging moeten geven, anders waren ze niet gebleven.

Een Indiase koelie legde hem uit dat het risico beperkt was toen er nog 3000 man in het kamp woonden. Nu liepen ze veel meer gevaar.

Patterson voerde zijn strijd op. Hij loofde een beloning van 200 roepie uit aan degene die hem een leeuwenvel bracht.

Ter vergelijking: een koelie verdiende zo’n 12 roepie per maand, een steenhouwer 45. De boma rond het kamp leek geen effect te hebben, dus Patterson maakte hem hoger en hing lege blikjes in de bomen, waarop de bewakers konden slaan om de leeuwen bang te maken. 

Om de leeuwen buiten het kamp te houden, bouwden de arbeiders een boma, een heg van doornstruiken. 

© Field Museum

Maar de roofdieren veranderden van tactiek. Ze gingen nu allebei tegelijk het kamp in.

Op een goede nacht had Patterson bijna een leeuw te pakken. Samen met de kamparts, dokter Brock, lag hij in een hinderlaag in een goederenwagon op de spoorlijn.

Ze hadden de deur opengelaten om een goed uitzicht te hebben in het donker.

Na een paar uur hoorden ze een takje kraken.

Beide leeuwen waren in de buurt van de wagon. Plotseling zagen Patterson en Brock een grote schim rechtstreeks op de deur af springen.

De twee mannen schoten met hun geweer, en de schaduw verdween in de nacht.

De volgende ochtend zagen ze pootafdrukken, maar er was geen bloed. Het roofdier was niet geraakt.

De zomer ging over in de herfst, en de dieren bleven het kamp terroriseren. De brug over de Tsavo was nog niet klaar toen de arbeiders op 1 december uit protest vertrokken.

Ze waren gekomen om te werken, niet om als leeuwenvoer te eindigen, zo zeiden ze. Patterson bleef achter in het kamp met een klein groepje bedienden en helpers.

Nu het bouwwerk geheel stillag, kon Patterson al zijn aandacht op de leeuwen richten. Twee dagen later had hij het geluk aan zijn zijde.

De ingenieur had een grote houten kooi gebouwd. Die had twee ruimtes, en in de binnenste kooi zette hij twee Indiërs als lokaas.

In de loop van de nacht verscheen een van de leeuwen. Hij ging de kooi binnen, en de Indiërs lieten een luik vallen, zodat de leeuw opgesloten zat.

Maar het roofdier ging als een razende tekeer, en voordat de mannen genoeg moed hadden verzameld om te schieten, was de vogel alweer gevlogen.

Patterson stelt zich kwetsbaar op

Een paar dagen later ging Patterson weer op zijn machan zitten, die hij op hoge palen had gezet. Hij was alleen.

Zijn vaste wapendrager, Mahina, was snipverkouden, en zijn gehoest zou de leeuwen verjagen.

Die nacht liep een leeuw onder de gammele jachttoren door, die hij zo zou kunnen omduwen.

Nerveus maar beheerst richtte Patterson zijn geweer. Langzaam kreeg hij zijn ademhaling onder controle, en toen hij het silhouet van de leeuw vlak onder zich zag, haalde hij de trekker over.

De leeuw zette het op een brullen en hinkelde het struikgewas in. Patterson vuurde in zijn richting, en hoorde even later iets zwaars omvallen.

Er klonken meteen kreten uit het kamp: ‘Mabarak, mabarak!’ Dit woord betekent ‘gezegende’ – een synoniem voor leeuw.

Terwijl Patterson uit zijn machan klom, kwamen de mensen uit het kamp naar hem toe. Met lantaarns en trommels probeerden ze de tweede leeuw weg te jagen. Ze vonden het dode dier en brachten het naar het kamp. 

Patterson bouwde een hutje in een boom, van waaruit hij elke nacht uitkeek naar hongerige leeuwen.

© Field Museum

Kogels kunnen leeuw amper stoppen

De jacht op de nog levende leeuw ging door. Na een paar nachten liet de tweede leeuw zich zien.

Patterson zat klaar in zijn machan, terwijl de maan hoog aan de hemel stond. De ingenieur schoot op het roofdier.

Het raakte gewond, en de dag erop volgden Patterson en Mahina het bloedspoor van de leeuw.

Toen ze de gewonde menseneter hadden gevonden, schoot Patterson twee keer. De leeuw rende hard weg.

Patterson vroeg Mahina om een ander geweer, maar de assistent was een boom in gevlucht.

Op het laatste moment bracht ook Patterson zichzelf in veiligheid. Hij greep zijn tweede geweer en schoot opnieuw. De leeuw was dood.

De dieren hadden in negen maanden 28 Indiërs en meer dan 100 Afrikanen gedood.

Patterson verkocht de koppen en de huiden in 1924 aan het natuurhistorische Field Museum in Chicago in de VS. Daar zijn de menseneters van Tsavo nog steeds te bezichtigen.

Bekijk ook ...