Bij de voorbereidingen voor en de bouw van de Taj Mahal stapelden de problemen zich op. De drassige ondergrond bedreigde het fundament, de arbeiders moesten de regentijd voor zijn en de steenhouwers hielden het tempo niet bij.

Taj Mahal staat stevig op drassige grond

Toen de lievelingsvrouw van Shah Jahan, Mumtaz Mahal, in 1631 stierf, besloot de Indiase grootmogol een mausoleum ter ere van haar te bouwen. In een wedloop met het weer bouwde een leger van slaven het gigantisch grafmonument op drassige grond.

25 november 2015 door Natasja Broström

Taj Mahal was monument voor echtgenote

Bezorgd aanschouwden de architecten Mir Abd al-Karim en Makramat Khan de rivier de Yamuna, die door Agra kronkelde. Het water was heilig voor de miljoenen Indiase hindoes die naar de stad trokken om de as van hun overleden geliefden uit te strooien in de Yamuna. Maar de ruim 1300 kilometer lange zijrivier van de Ganges was levensgevaarlijk.

Op weg naar Agra maakte de 200 meter brede waterweg regelmatig een bocht van meer dan 90 graden. Als smeltwater uit de bergen zich in augustus een weg naar beneden zocht, trad de Yamuna buiten zijn oevers, vaak diep landinwaarts. De rivier kon bij deze overstromingen alles op zijn pad verzwelgen: mensen, huizen – en zelfs gigantische paleizen.

En juist op deze plaats – in een brede bocht aan de modderige oever van de Yamuna – wilde de heerser van het Mogolrijk een mausoleum bouwen. Mir Abd al-Karim en Makramat Khan stonden voor de taak van hun leven.

In de koele schaduw onder een rood baldakijn zat Shah Jahan het voorstel van zijn architecten af te wachten. De grootmogol, wiens naam ‘koning van de wereld’ betekende, was eraan gewend dat zijn wil wet was, maar als ervaren bouwheer besefte hij terdege dat zijn plan gewaagd was.

Diezelfde zomer, in 1631, had de grootmogol zijn lievelingsvrouw Mumtaz Mahal verloren. Gebroken van verdriet had Shah Jahan gezworen dat hij een grafmonument voor haar zou bouwen, groter dan alle andere.

Hoewel Shah Jahan de islam aanhing, moest de laatste rustplaats van zijn vrouw op een prominente plek bij de heilige rivier van de hindoes komen. Iedereen die er voorbij voer, zou het bouwwerk kunnen bewonderen – en zien hoe machtig Shah Jahan was.

Tegelijkertijd moest het mausoleum een afspiegeling van het multi-etnische India zijn. De schetsen lieten Perzische uikoepels, fraaie islamitische kalligrafie, strakke hindoeïstische symmetrie en een klassieke watertuin van de Mogols zien, met kanalen en fonteinen.

De vraag was alleen hoe een tonnen wegend gebouw van steen en marmer op de drassige rivieroever kon worden neergezet. De grootmogol keek zijn twee architecten afwachtend aan.

Ongeschoolde arbeiders storten zich op bouw van Taj Mahal

Mir Abd al-Karim en Makramat Khan presenteerden hun plan: het mooiste mausoleum ter wereld moest op smalle zuilen van steen en mortel komen. Die zuilen moesten diep ingegraven worden om voor stabiliteit te zorgen. Het was een doldriest idee, maar de grootmogol gaf er zijn zegen aan.

In het najaar van 1631 begon de waterstand te dalen en ving het droge seizoen aan. In de herfstmaanden werd de bodem bij de oever zo stevig dat er met het werk begonnen kon worden. De contouren van het mausoleum werden met wit krijt op de rode aarde getekend. Er was 17 hectare of 176.000 m2 nodig.

Het gerucht over het megaproject had zich als een lopend vuurtje verspreid, en van heinde en verre kwamen de arbeiders naar Agra. De eersten waren vooral ongeschoold, en zij moesten een gat van 300 bij 150 meter graven waar het fundament zou komen. 5000 arbeiders waren dag in dag uit aan het graven. Een deel van de aarde die ze opgroeven werd gebruikt om een beschermende wal aan te leggen langs de rivier de Yamuna.

Veel arbeiders waren met hun hele gezin gekomen, want het werk zou een paar jaar duren. De meesten vestigden zich in het nabijgelegen Mumtazabad. Op bevel van Shah Jahan waren er twee kruisende hoofdwegen aangelegd in de stad, zodat er vier aparte marktplaatsen ontstonden. De symmetrische stad zou het zuidelijke deel van het complex van het mausoleum vormen.

Hier zouden toekomstige pelgrims kunnen handelen en in een van de vele herbergen logeren. Mumtazabad werd al snel een levendige plaats. Elke dag zag het zwart van de mensen op de markten. En de herrie van de bouwplaats overstemde alles. Op 8 januari viel het werk echter stil. De arbeiders legden hun schop neer, en de marktkramen gingen dicht.

Shah Jahan graaft zijn dode vrouw op

Voor het eerst sinds maanden was het stil op de bouwplaats, en de inwoners van het hele gebied waren in gebed verzonken. Vanuit het zuiden naderde langzaam een enorme processie. Voorop reed prins Shah Shuja, de zoon van Shah Jahan. Achter hem marcheerden olifanten bedekt met goud en fluweel. Op hun rug zaten de leden van de koninklijke familie en de edelen van het land.

De mensen langs de weg bogen nederig het hoofd, want iedereen in de processie droeg wit, de begrafeniskleur. Achter de olifanten liepen duizenden soldaten met witte banieren, en in het midden droegen tien man een overdekt, verguld podium. Onder het baldakijn lag het lichaam van Mumtaz Mahal.

Tegen alle gebruiken in had Shah Jahan zijn dode vrouw uit haar graf in de stad Burhanpur, zo’n 700 kilometer verderop, laten halen. Maar niemand durfde de grootmogol de les te lezen. Nadat geestelijken Koranteksten hadden gereciteerd, werd Mumtaz Mahal bij het monument in aanbouw herbegraven.

 

In juni slaat het noodlot toe voor Taj Mahal

Na de begrafenis werd de bouw hervat. In januari 1632 trotseerden de werklui temperaturen van 40 graden. Het gonsde van de activiteiten op de bouwplaats. Er werd druk gegraven, zand en aarde werden op karren geladen. Het had twee maanden niet geregend, en het rode stof dwarrelde rond terwijl ossenkarren de aarde naar een depot even buiten de stad brachten.

Tegen de lente hadden de arbeiders de vele lagen van de rivieroever afgegraven tot ze op stevige grond waren gestuit. Maar het was een race tegen de klok, en de opzichters dreven hun werklieden tot het uiterste. In juni zou de moesson hevige regens naar Agra voeren. De bouwplaats zou in één grote modderpoel veranderen, en als de rivier buiten zijn oevers zou treden, kon het onvoltooide fundament weggespoeld worden.

Volgens de kroniekschrijver van Shah Jahan, Lahori, zetten de arbeiders alles op alles om zo’n ramp te voorkomen: ‘Met hun gespierde armen en handen van staal zwaaiden de gravers met hun schoppen, net zo lang tot ze het niveau van het rivierwater hadden bereikt.’

Toen ze op 12 meter diepte waren, was de kuil zo diep als de rivierbedding. Het was tijd om de steunpalen aan te brengen die volgens de architecten het gebouw overeind zouden houden. Pas dan kon de bouw beginnen.

‘De kiene metselaars en architecten, die al vermaard waren om hun grootse prestaties, legden een stevig fundament met steen en mortel, dat helemaal tot het maaiveld reikte,’ zo beschreef de chroniqueur de voortgang van het werk.

Bekwame arbeiders leggen fundament voor Taj Mahal

De zuilen werden in open bakken van mahonie gezet, die nog dieper de grond in werden gegraven, zodat ze stevig vast kwamen te zitten in de harde bodem onder het rivierwaterniveau. Vervolgens vulden de arbeiders ze met scherven, puin en watervaste mortel, die alles bij elkaar hield. De zuilen werden boven op de bakken gebouwd, met een dikke laag puin ertussen. Zo ging het door tot het hele gat opgevuld was.

Intussen werd het fundament van een stelsel van afvoerbuizen voorzien, dat in steen en watervaste mortel werd ingekapseld. Als er water uit de rivier in de puinlaag zou stromen, werd het weer weggeleid.

Toen het fundament op z’n plek lag, begon het werk aan de rode sokkel, die van baksteen en zandsteenplaten werd gemaakt. De bakstenen kwamen per boot, en de blokken zandsteen werden over land in ossenkarren vervoerd. In werkplaatsen hamerden steenhouwers ijzeren stangen in de blokken. Als hij zijn vak verstond, kon een steenhouwer een blok splijten alsof het hout was, en hield hij dunne, gladde platen over.

Vervolgens bonden twee mannen een touw om de twee meter lange platen en bevestigden dat aan een bamboepaal. Met de paal op hun schouders droegen ze de plaat naar de sokkel, waar hij met deuvels en ijzeren klemmen aan de andere platen werd vastgezet.

Lahori beschreef het zo: ‘De platen van zandsteen waren zo gelijkmatig gesneden en met zo veel deskundigheid aan elkaar bevestigd dat je zelfs van heel dichtbij nog geen enkel spleetje ertussen kon ontwaren.’

Het harde werk wierp zijn vruchten af, want nog datzelfde jaar, voordat de regentijd begon, kon Shah Jahan de sokkel in gebruik nemen.

 

Rijken vieren feest op sokkel van Taj Mahal

In juni 1632 was het een jaar geleden dat de vrouw van de grootmogol was gestorven en hield hij de eerste urs. Hij had hovelingen, geestelijken en edelen uitgenodigd voor de plechtigheid, die onder grote baldakijnen op de sokkel werd gehouden. Dagenlang kregen de mannelijke gasten, gezeten op zachte zijden kussens, rijkelijk te eten en te drinken – evenals de vrouwen, maar zij verbleven in een afgeschermde tuin met fraaie tapijten op de grond.

Ook de inmiddels 20.000 werklui aten een lekker hapje mee. Volgens de Perzische hofkroniekschrijver van de grootmogol, Jala-ud-Din Tabataba’i, werd Mumtaz Mahal op passende wijze herdacht: ‘De heilige mannen voerden de hele nacht en dag hun ceremoniën uit. Ze reciteerden de Koran: de eerste soera en de gebeden voor de doden.’

Tabataba’i schreef dat Shah Jahan ‘eten aan de armen en aalmoezen aan de behoeftigen’ gaf. In totaal deelde hij 50.000 roepie uit, een enorm bedrag.

Bouw van Taj Mahal vereist enorm veel materiaal

Het feest was nog niet voorbij of het werk werd hervat. Ongeduldig bezag de grootmogol de aanleg van een tweede sokkel, dit keer van marmer, en van het mausoleum en de beide bijgebouwen – een moskee en een herberg. De muren moesten uit rode bakstenen bestaan, en ook de steigers waren van steen.

De ingenieurs hadden becijferd dat er zo veel bakstenen nodig waren dat het een jaar zou kosten om alleen al de stellage rond het hoofdgebouw weg te halen. Maar Shah Jahan wist wel een oplossing: als het werk klaar was, kon iedereen gewoon de bakstenen pakken die hij wilde hebben. Zo zou de steiger in een mum van tijd afgebroken zijn.

De legende wil dat de stellage binnen één nacht verdween. In werkelijkheid gebruikten de arbeiders de bakstenen vooral voor de moskee en de herberg die naast de Taj Mahal staan. De steiger loste dus op in de loop van het project.

Er waren niet alleen veel bakstenen nodig, maar ook tonnen wit marmer. De zes meter hoge sokkel, de koepel en de muren van het mausoleum moesten bedekt worden met dit kostbare gesteente. Bakstenen konden lokaal geproduceerd worden, maar marmer moest uit een groeve in de plaats Makrana komen, zo’n 400 kilometer verderop. Voor elke lading waren 30 ossen nodig, en bij aankomst hesen tienduizenden arbeiders en 1000 olifanten de blokken op hun plaats met een ingenieus systeem van balken en katrollen.

Om het werk sneller te laten verlopen liet Shah Jahan een aarden helling aanleggen. Na 12 jaar was die helling, die steeds groter werd naarmate de bouw vorderde, 16 kilometer lang. Om plaats te maken voor de helling, die dwars door Agra liep, werden hele wijken met de grond gelijkgemaakt.

Tekort aan marmer dreigt

Dankzij de helling boekten de werklui veel voortgang, maar er ontstond een nieuw probleem: het prestigeproject van de grootmogol dreigde zonder marmer te komen zitten, want de arbeiders in de groeven hielden het tempo niet bij.

In september 1632 ontving Raja Singh, een edelman die mede-eigenaar van de steengroeve in Makrana was, een schriftelijk bevel. Hij moest ‘al zijn steenhouwers beschikbaar stellen’, en omdat ‘deze kwestie van het grootste belang was’, mocht hij ‘onder geen beding van dit bevel afwijken’.

Ook in 1633 en 1637 kreeg Singh orders van dezelfde strekking: hij moest ‘elke beschikbare steenhouwer naar de koninklijke afgevaardigden sturen’. De grootmogol wilde zijn gebouw af hebben, en hij liet zich niet door een gebrek aan materialen tegenhouden.

Wanden van Taj Mahal versierd met edelstenen

Het fundament en de sokkels hadden al een paar regenseizoenen doorstaan, en de architecten, de ingenieurs en Shah Jahan begonnen aan de volgende fase: het 73 meter hoge grafmonument. Om de geplande koepels te kunnen dragen werden de muren een paar meter dik. De constructie moest sterk genoeg zijn voor twee kleinere koepels en de grote buitenkoepel van 13.000 ton.

Via 28 spitsbogige gewelven, zogeheten iwans, werd het gewicht verdeeld. Ondanks het wat iele uiterlijk konden de bogen het gewicht aan, zodat alle krachten op het fundament werden overgebracht.

Op de zandstenen bevestigden de arbeiders platen van marmer. Intussen begonnen de kalligrafen en de andere kunstenaars met het aanbrengen van versierselen. Uit Perzië kwamen enkele van de beste kalligrafen ter wereld. Met grote precisie decoreerden ze muren en bogen met Arabische tekens in zwart marmer.

Europa en het Midden-Oosten leverden juweliers, die de fraaiste en helderste edelstenen en halfedelstenen uitkozen – van het blauwe lapis lazuli uit Afghanistan tot het diepgroene jade uit China. In werkplaatsen ten westen van de bouwplaats bewerkten de kunstenaars de gekleurde stenen zo dat ze precies in de uitgehakte nissen in de marmeren muren pasten.

Shah Jahan komt in de gevangenis

Langzaam kregen de twee hoofdkoepels van het grafmonument vorm. Om de bakstenen op hun plek te houden, werd er een onderlaag van kalkmortel – kalk, water en zand – aangebracht. Vrouwen droegen het goedje de stellages op. De kalkmortel maakte het mogelijk om de beide koepels uitsluitend met iwans te verstevigen. Vanbinnen en vanbuiten kregen de koepels een laag marmer.

Terwijl de uikoepel 35 meter de lucht in reikte, begon de bouw van de twee bijgebouwen. Om de symmetrie niet te verstoren had Shah Jahan ze in eigen persoon ontworpen. Beide kregen een koepel, die echter aan de binnenkant slechts met gips werd bekleed. Vóór de gebouwen werd een enorme tuin met kanalen en fonteinen aangelegd. Ook die moest volkomen symmetrisch zijn.

Twee jaar later werd de lange aarden helling weggehaald en was de Taj Mahal compleet met tuinmuren en een grote toegangspoort klaar om ingewijd te worden. Op 6 februari 1653 gaf Shah Jahan een groot feest, gelijktijdig met de jaarlijkse urs voor Mumtaz Mahal, vier maanden te vroeg. Eindelijk kon zijn vrouw haar laatste rustplaats betrekken.

Na de voltooiing van zijn levenswerk ging het bergafwaarts met Shah Jahan. Toen hij in 1658 ziek werd, greep zijn zoon Aurangzeb de macht en gooide hij zijn vader in de gevangenis, waar deze acht jaar later stierf. Hun vijandschap ten spijt begroef de zoon hem naast zijn geliefde Mumtaz Mahal. Het enige asymmetrische element in de Taj Mahal is Shah Jahans kist.

De architectuur van de Taj Mahal is geïnspireerd door de vele culturen van India. Ga op ontdekkingstocht in het imposante mausoleum met onze grote klikbare afbeelding.

 

Bekijk ook ...