Rockefeller Center
© Getty Images

Rockefeller gaf New York een make-over

De miljardair Rockefeller laat zich verleiden tot een bouwproject dat New York weer op de kaart moet zetten. Hij wil een architectonisch meesterwerk maken, maar dreigt de risee van de stad te worden.

21 juni 2016 door Esben Mønster-Kjær

Midden in New York staat het Rockefeller Center, dat al ruim 80 jaar miljoenen bezoekers per jaar trekt. New Yorkers en toeristen zien er shows, schaatsen over het beroemde plaza of halen even een frisse neus.

Het was eigenlijk de bedoeling dat het gewoon een operahuis werd. En Rockefeller had er nog niets mee te maken toen de Metropolitan Opera in 1926 besloot om Broadway te verlaten.

Louche zaakjes hadden de overhand gekregen in de eens zo chique straat, en het culturele instituut voelde zich er niet meer thuis. Het operagezelschap had zijn oog laten vallen op een stuk grond midden op Manhattan, waar de huizen rijp voor de sloop waren. 

De eigenaar, Colombia University, zat te springen om nieuwe huurders. En de opera zou het gebied veel aantrekkelijker maken.

Pas toen de champagne al was ontkurkt, drong een vervelend, maar wezenlijk detail zich op aan ‘The Met’: het operagezelschap had helemaal geen geld voor een verhuizing.

Hier was een rol weggelegd voor John D. Rockefeller jr. en zijn miljarden. Aanvankelijk was hij slechts een van de vele potentiële geldschieters, maar op zijn eigen aandringen en door gekonkel binnen de opera kwam hij steeds duidelijker in beeld. En toen het misliep, kon hij zich niet meer terugtrekken.

Om zich uit deze penibele situatie te redden, gezichtsverlies te voorkomen en zijn investering veilig te stellen, bedacht hij het Rockefeller Center. Onvoorziene tegenslagen en geniale oplossingen zouden het gigantische gebouwencomplex samen vorm geven. Uiteindelijk sloten alle Amerikanen het in hun hart.

Rockefeller sr. was New Yorkse roofbaron

De Rockefellers waren, zoals de meeste nieuwe rijken, met name met hun imago bezig. De familie had zich aanvankelijk met kleine handeltjes en zwendel ingelaten, totdat John D. Rockefeller sr. eind 19e eeuw een vermogen verdiende.

Dankzij oliewinning werd de oude Rockefeller een van ’s werelds rijksten en kon hij zich scharen onder de New Yorkse ‘roofbaronnen’ – net als de staalmagnaat Carnegie, de bankier Morgan en de spoorwegkoning Vanderbilt.

Die hielden er allemaal bedenkelijke methoden op na, hadden meer geld dan ze ooit uit konden geven en hunkerden naar erkenning. Daarom gaven ze ruimhartig aan goede doelen, en filantropie werd zelfs een voltijdbaan voor John D. Rockefeller jr. 

Als zoon van het inmiddels hoogbejaarde familiehoofd maakte ‘Mr. Junior’ het tot zijn levensdoel om zijn naam een goede klank te geven.

Het verhuisplan van de Metropolitan Opera leek een uitstekend project om te steunen. En toen niemand anders er iets mee deed, stortte Rockefeller zich vol passie op de hele onderneming. 

In 1928 verplichtte hij zich om 90.000 vierkante meter grond 24 jaar lang te huren van de Columbia University. De huur bedroeg 3,8 miljoen dollar per jaar – zo’n 45 miljoen euro nu.

Rockefeller was nu onlosmakelijk aan het project verbonden, en de opera had opeens geen haast meer, vermoedelijk om hem meer geld afhandig te maken. En toen sloeg de rampspoed toe. 

Rockefeller senior verwierf een fortuin, en junior wilde zijn reputatie opvijzelen.

© Getty Images

Krach werd startschot voor Rockefeller Center

In oktober 1929 stortte de beurs van Wall Street in, en binnen twee dagen lag de Amerikaanse economie op z’n gat. Anderhalve maand later konden de kranten van New York melden: ‘Het plan om een nieuwe opera te bouwen op de grond die door Mr. Rockefeller is aangeboden, is opgegeven.’ 

De Metropolitan Opera trok zich terug en Rockefeller kreeg de rekening gepresenteerd. 23 jaar lang moest hij de astronomische huur

betalen – zelfs voor een van de rijksten ter wereld een flinke aanslag op zijn portemonnee. Maar de vernedering deed nog meer pijn. De reputatie van de Rockefellers als handige zakenlieden die alles wat ze aanraakten in goud veranderden stond op het spel. Hij moest de grond snel te gelde zien te maken.

Rockefeller wilde zijn grond eerst aan andere firma’s onderverhuren. Maar in de winter van 1929-1930 moest je bedrijven die bereid waren geld uit te geven met een lantaarntje zoeken. De ene na de andere onderneming ging failliet, en de leegstand in New York nam met de dag toe.

Als Rockefeller huurders voor zijn stuk grond wilde hebben, moest hij er zelf gebouwen neerzetten. En die moesten aantrekkelijker zijn dan wat dan ook op de ingestorte onroerendgoedmarkt van New York: zelfs prestigeprojecten als het Chrysler Building en het Empire State Building, waarvan de bouw volop bezig was, hadden nog ruimte te over om te verhuren.

Met de veiligheid werd het tijdens de depressie niet zo nauw genomen. Arbeiders waren vervangbaar.

© Orbis/All Over

De enige manier om uit de penarie te komen was dus om nog meer geld uit te geven. Volgens een eerste calculatie moest Rockefeller 128 miljoen dollar ophoesten – een slordige 1,5 miljard euro nu.

Daarnaast had hij 1,3 miljoen dollar nodig om de vroegere huurders van de grond uit te kopen: er moesten in totaal 298 bouwvallige herbergen, nachtclubs, kroegen en bordelen gesloopt worden voordat er een schop de grond in kon. Veel huurcontracten waren net verlopen, maar de andere huurders wilden geld zien.

Rockefeller was bereid overal voor op te draaien. Hij nam een stel vastgoedontwikkelaars in de arm, die moesten uitzoeken hoe 350.000 vierkante meter aan kantoorruimte midden in de Grote Depressie te verhuren was. 

De toekomst klopt aan de deur

Het zag er slecht uit voor Rockefeller, maar toen keerden de kansen plotseling, zoals wel vaker tijdens de bouw van zijn complex. Er meldde zich een grote huurder aan, en het hele project veranderde van koers.

Rockefellers eerste klant was Radio Corporation of America – de eigenaar van de jonge omroep NBC (National Broadcasting Company). Opera was

ouderwetse kunst voor de elite, maar RCA en NBC vertegenwoordigden de toekomst, met massacommunicatie en vermaak voor de hele VS.

De radio had een ongekend snelle groei doorgemaakt, en eind jaren 1920 had een op de drie Amerikaanse huishoudens een radiotoestel. De luisteraars waren vanuit hun luie stoel getuige van alle belangrijke gebeurtenissen. De VS had in die tijd slechts drie landelijke zenders, en NBC runde twee ervan.

Het moederbedrijf NBC had ook een aandeel in de opkomende Amerikaanse filmindustrie via een andere tak, de RKO. Al deze bedrijven hadden ruimte nodig, en RCA had 4,25 miljoen dollar per jaar over voor de ‘Radio City’: een wolkenkrabber, een paar bijgebouwen en twee enorme zalen voor shows en het vertonen van films.

Nu hij deze grote vis binnengehaald had, kreeg Rockefeller weer hoop dat zijn wanhoopsinvestering toch nog zijn vruchten zou afwerpen. Nu moesten architecten een stel gebouwen neer-zetten die net zo modern zouden zijn als zijn nieuwe grote huurder.

Als coördinator huurde Rockefeller John Todd in, een gehaaide advocaat en ondernemer. Hij moest de architecten, die voor het eerst in de geschiedenis van New York een heel complex in plaats van losse gebouwen uit de grond zouden stampen, aan het werk zetten. Het moest een stad in de stad worden.

De kern van Todds team bestond uit mannen met wie hij eerder gewerkt had en die hij vertrouwde. Anders dan de meeste architecten van New York kwamen ze niet uit de elite en hadden ze niet op een Franse kunstacademie gezeten. Ze waren uit op praktische oplossingen voor een lage prijs.

Todd en zijn team werkten alle schetsen voor het toekomstige complex uit, en in maart 1931 konden ze hun visioenen aan de pers tonen. Maar de maquette was een rampzalig pr-fiasco dat het project opnieuw in zwaar weer bracht. 

Bob Hope was tientallen jaren dé komiek van de VS. In 1934 maakte hij in het Rockefeller Center zijn eerste radioshow.

© Getty Images

Zuinigheid geeft slechte pers

Hoewel de VS tot stilstand was gekomen door de depressie, verwachtten de New Yorkers dat een project van Rockefeller uit louter glitter en glamour zou bestaan. Maar de verslaggevers kregen een stel zeer uiteenlopende gebouwen rond een claustrofobisch pleintje te zien.

‘De kern van de zaak is dat Radio City erg lelijk is,’ schreef de New York Herald Tri­bune genadeloos. ‘De buitenkant is afgrijselijk saai en naargeestig.’

‘Architectonische dwalingen en gruwelen,’ sneerde de New York Times. Al het prestige dat RCA het complex had gebracht was in één klap weg, en de New Yorkers staken de draak met de goedkope stijl van Rockefeller.

In een populaire sketch probeerde ‘Mr. Junior’ zijn oude vader de grond op Manhattan in de maag te splitsen. In deze sfeer kon Rockefeller in de VS geen huurders meer krijgen voor zijn project. Hij stuurde zijn zoon Nelson dan ook naar Europa om daar op zoek te gaan naar partners, en ondertussen gingen de architecten terug naar de tekentafel.

De ondernemer John Todd had op alle onderdelen van de gebouwen willen beknibbelen. Het was zijn instinct, en hij verdedigde zijn keuzes door Rockefeller voor te houden dat deze zijn investering nooit terug zou verdienen als er niet op de kleintjes gelet werd. Maar nu dreigde alles te stranden.

Hierdoor sloeg de stemming om in het architectenteam. Naar mannen die kunstzinniger waren aangelegd werd geluisterd, terwijl Todd en zijn zuinige, maar fantasieloze gunstelingen een toontje lager moesten zingen.

Zo werd de creatieve Raymond Hood de man die ervoor zorgde dat het complex toch nog van wereldklasse werd.  

Goede smaak voert de boventoon

De elegante, welbespraakte Hood was het prototype van de Amerikaanse architect. Hij kwam uit een rijke familie en had een diploma van de prestigieuze École des Beaux-Arts in Parijs. Voordat hij in het team van Rockefeller kwam, had hij fraai gedecoreerde gebouwen in onder meer Chicago neergezet.

In de maanden na de rampzalige persconferentie wist hij op slinkse wijze telkens zijn zin door te drukken.

‘Geen zinnig mens probeerde met John Todd in discussie te gaan,’ vertelde een architect later. Maar Hood kwam met steekhoudende financiële argumenten om veranderingen door te voeren die hij eigenlijk om esthetische redenen wilde. The New Yorker noemde hem niet voor niets een ‘briljante slechterik’.

De eerste triomf van Hood was de vervanging van het baksteen van de buitenmuren door het fraaiere, maar duurdere kalksteen. Het complex werd er lichter en uitnodigender van.

De presentatie van de maquette in 1931 was een regelrechte pr-ramp.

© Getty Images

Die toegankelijkheid was ook Hoods hoofdargument om een streep te zetten door een groot, rond gebouw dat een centrale functie had in Todds plan. Het gebouw moest ver uitsteken op de stoep van Fifth Avenue en de voorbijgangers bijna dwingen om binnen te lopen, naar een ondergronds winkelcentrum.

Het ‘olievat’, zoals de kranten de ronde sta-in-de-weg noemden, paste echter slecht bij de vierkante vormen van de rest van het complex, en sloot de overige gebouwen af met een kleine, donkere binnenplaats.

Gesteund door de pers wist Hood Todd ervan te overtuigen dat het vat een slecht idee was. De voetgangers op Fifth Avenue konden beter naar binnen gelokt worden door een open as die naar een centraal plein leidde, met de RCA-wolkenkrabber erachter. Aan beide kanten zouden lage gebouwen komen, die veel zon toelieten en gunstig waren om buitenlandse huurders aan te trekken, zoals Rockefeller wilde.

En de jonge Nelson Rockefeller sloeg zijn slag aan de overkant van de oceaan. Een syndicaat van Britse bedrijven gaf in oktober 1931 aan bereid te zijn om het complex te betrekken, en niet veel later sloot Nelson een soortgelijke deal in Frankrijk. Elk land kreeg een van de lage gebouwen, zo stelde Hood voor.

Zo veranderde het project opnieuw van aanzien. Licht en openheid waren de nieuwe mantra’s, en met de komst van de Europeanen zagen de New Yorkers het weer zitten. In februari 1932 durfde de bouwheer het aan om het complex naar zichzelf te noemen. Het ‘Metropolitan’, zoals de werktitel nog luidde, werd het Rockefeller Center. 

De bouw vordert

In de herfst van 1931 was de bouw begonnen. 75.000 man stampten eerst de wolkenkrabber en de andere gebouwen uit de grond waar RCA ongeduldig op wachtte.

Intussen bleef Hood op zijn opdrachtgever inpraten: ‘Todd is de meest conservatieve man op aarde, en elk stapje dat we zetten is iets moderner,’ schepte Hood op in een brief aan een vriend.

De architect zorgde voor behaaglijke daktuinen op meerdere gebouwen van het complex, en hij verfraaide het verzonken plaza dat in het midden moest komen. Maar het kostte hem grote moeite om de plaatsing van een fontein erdoor te krijgen.

‘Heb je enig idee wat het kost om elke dag 115.000 liter water rond te pompen?’ vroeg Todd, die zichtbaar moeite had zijn kalmte te bewaren.

‘Nee, hoeveel dan?’ antwoordde Hood, de vermoorde onschuld zelve.

‘Acht dollar en 30 cent,’ kreeg hij te horen na een snelle hoofdrekensom. Todd besefte meteen dat hij de discussie daarmee had verloren, en Hood kreeg zijn spuitende fontein.

Het werk vorderde gestaag, en in december 1932 was het eerste gebouw van het complex al klaar. Dat was de Radio City Music Hall, de showzaal die samen met het centrale plein het Rockefeller Center een plekje in het hart van generaties Amerikanen heeft gegeven. 

Rockefeller is geen lachertje meer

Rockefeller jr. was zelf onder de indruk toen hij een paar weken voor de opening de Radio City Music Hall bezocht.

‘Het grote auditorium is mooi, een vreugde voor de ziel en inspirerender dan ik ooit voor mogelijk had gehouden,’ zei hij daarna. Elk detail was in sierlijke art deco-stijl, zoals de mode voorschreef. De stijl komt in het hele complex terug.

Het podium was tientallen jaren lang het grootste en meest geavanceerde ter wereld. Secties ervan konden 4 meter omhoog en 8 meter omlaag getakeld worden met een liftsysteem dat tot staatsgeheim werd verklaard en later in vliegdekschepen werd gebruikt.

Het 75 man sterke orkest stond op een grote kar die overal op het podium neergezet kon worden terwijl de musici de sterren van de hemel speelden.

De Radio City Music Hall bood het publiek grote shows en de beste films. De studio’s in Hollywood hadden het nakijken, want een galapremière in het Rockefeller Center gaf de belangrijkste producties van het jaar extra glans.

De toeschouwers vormden geduldig de langste rijen die New York ooit had gezien om een kaartje te bemachtigen. En films waren niet het enige: de groots opgezette kerst- en paasshows trokken duizenden New Yorkers, en nog veel meer gasten uit de hele VS.

De Radio City Music Hall werd het ‘toneel van de natie’ genoemd, en deed die bijnaam lange tijd eer aan. 30 jaar na de opening kwamen er nog steeds 6 miljoen gasten per jaar – twee keer zo veel als in het Empire State Building, het Vrijheidsbeeld en het VN-gebouw samen. 

Een bezoekje aan de stad was niet compleet zonder een rondleiding in de Radio City Music Hall of een schaatstochtje op het Rockefeller Plaza. Het plein werd al met kerst 1939 in een schaatsbaan omgetoverd, en die traditie bestaat nog steeds. Het plaza bood een beetje ruimte in het drukke Manhattan.

De stad van Rockefeller werd niet meer belachelijk gemaakt, en in 1934 verdween de sketch over ‘Mr. Junior’ en zijn pogingen om ervan af te komen van het toneel. De lol was eraf.

In november dat jaar stak het vakblad Architectural Forum de loftrompet over het nieuwe Rockefeller Center: ‘Een inspirerende aanblik voor de New Yorkers en een respectabel monument voor Mr. Rockefeller,’ stond er te lezen.

In 1939 schoot John D. Rockefeller de laatste klinknagel in het complex. Dankzij zijn volharding, zijn geld en een dosis mazzel had hij een succes gemaakt van een rampzalige investering.

John D. Rockefeller jr. schoot in 1939 de laatste klinknagel erin. De bouw had acht jaar geduurd. 

© Corbis/All Over

Bekijk ook ...