Ondanks alle Deense aanvallen wist Göteborg uit te groeien tot de tweede stad van Zweden.

© Kungliga Biblioteket, Stockholm

Göteborg is het nieuwe Amsterdam

In de 17e eeuw int Denemarken tol van alle schepen die door de Sont varen. De Zweedse koning Gustaaf II Adolf bedenkt een plan om aan de ijzeren greep van de aartsvijand op de handel te ontsnappen: een nieuwe stad. Göteborg moet Kopenhagen ruïneren – en de Nederlanders helpen een handje.

3 juli 2017 door Esben Mønster-Kjær

In het Zweedse rijksarchief ligt een bijzondere schat: 85 vergeelde registers, die samen het ‘losgeld van Älvsborg’ worden genoemd. 

Ze zijn het bewijs van een grote krachtmeting tussen de Scandinavische landen – en van de onbegrensde hebzucht van de Deense koning Christiaan IV.

In de boeken somden de ambtenaren van de koning elk huishouden in Zweden op, van de landgoederen van de adel tot boerderijtjes waar arme boeren op het randje van de hongerdood leefden.

Alles werd bijgehouden om zo veel mogelijk belasting van de burgers te kunnen innen, want koning Gustaaf II Adolf had een miljoen rijksdaalders of 25 ton zilver nodig. 

Voor dat immense bedrag was de Deense koning Christiaan best bereid om de vesting Älvsborg en de rest van de Zweedse westkust, die hij in 1612 had veroverd, terug te geven.

Drie jaar lang ging het volk gebukt onder torenhoge belastingen, tot de grens was bereikt. Toen moest de koning bij Nederlandse kooplieden bedelen.

Gustaaf Adolf nam het gezichtsverlies op de koop toe, want hij zon al op wraak. Als het losgeld betaald was en de blauw-gele vlag weer fier wapperde boven Älvsborg, zou hij een nieuw tijdperk inluiden voor Zweden.

Een versterkte stad op de plek waar de Götarivier in het Kattegat uitmondde, moest de ongehinderde doorgang van goederen van en naar het Zweedse rijk waarborgen. 

En dat pal onder de neus van Christiaan, die elk schip dat door de smalle Sont voer een fikse tol oplegde.

Göteborg, zoals de stad ging heten, werd uit pure wraakzucht gebouwd. Het vormde een vuist die provocerend naar Denemarken werd opgeheven. 

Zweden heeft geen westelijke haven

Sinds de 14e eeuw had Zweden slechts een klein strookje land langs de Götarivier aan het Kattegat, ingeklemd tussen Deens grondgebied en verdedigd door een eenzame vesting: Älvsborg.

Maar de wereld was veranderd sinds de middeleeuwen, en dat was de reden dat Gustaaf Adolf bereid was een miljoen neer te tellen voor de monding van de Göta.

Eerder waren de schatten uit het Verre Oosten naar Europa gekomen via de Zijderoute, van Centraal-

Azië naar de Middellandse Zee. Daar werd de handelswaar opgekocht door de Italiaanse kooplui, die ze verder Europa in brachten. 

Een fractie daarvan kwam de Alpen over en belandde uiteindelijk in Scandinavië.

Toen de Portugezen in 1498 de zeeweg naar India ontdekten, werden de kamelen verruild voor grote schepen, die hun laadruim vulden in Azië en de waren naar de steden aan de Europese Atlantische kust vervoerden.

De Zweedse koningen beseften dat hun land te geïsoleerd lag om van deze nieuwe wereldorde te kunnen profiteren. 

De havens lagen aan de Oostzee; in het westen was de kust in Deense handen. Het enige gaatje in het vijandelijke grondgebied was de monding van de Göta.  

Denen branden Göteborg plat

Christiaan IV wist dat Zweden met een haven aan de Göta-rivier de zogeheten Sonttol, die de Denen bij Helsingør inden, kon omzeilen.

Hoewel Zweedse schepen af en toe vrijgesteld waren, trof de tol onder meer Nederlandse en Engelse kooplui zwaar, waardoor de waren in Zweden duurder werden. 

Als Christiaan IV de controle over de handel wilde bewaren, moest hij een daad stellen. Al in 1611 liet hij het eerste Göteborg platbranden. 

Die stad was acht jaar eerder door Karel IX, de vader van Gustaaf Adolf, aangelegd.

In januari 1612 keek de Deense vorst persoonlijk toe toen zijn mannen een kanon de bevroren Göta op duwden en de vesting Älvsborg onder vuur namen. 

De Zweden schoten terug, en het Deense kanon zakte door het ijs.

Christiaan besefte dat een belegering in de winter niet zo handig was en liet het erbij. Maar voordat de onbesuisde koning vertrok, kon hij het niet laten om nog een psychologisch schot te lossen.

In een brief aan de commandant van de vesting vroeg hij de Zweden goed op zijn kanon op de rivierbodem te passen, want in het voorjaar ‘keert de Deense koning terug en laat hij Älvsborg met nog een paar exemplaren kennismaken’.

Die belofte deed hij vier maanden later, in mei, gestand. Met 10.000 soldaten belegerde hij Älvsborg, dat over 400 man beschikte. De vesting was vervallen, en op 1 juni 1612, na een hevig gevecht, gooiden de Zweden de handdoek in de ring.

De hele Zweedse westkust was nu in Deense handen, maar de Deense adel zag er niets in om Älvsborg te behouden.

Ook Engeland oefende druk uit op Christiaan om de vesting af te staan opdat Denemarken niet te machtig zou worden op de Oostzee. 

Zweden betaalt losgeld

Daarom besloot Christiaan het stuk kust aan de Zweden terug te verkopen voor een miljoen rijksdaalders. 

Hij wilde er eigenlijk twee miljoen voor hebben, maar dat was de Zweden echt te gortig. 

De Deense vorst hoopte dat zijn Zweedse collega het geld niet op tijd bij elkaar zou krijgen, dan kon hij Älvsborg en de kust eromheen annexeren.

‘De Jutse koning’ noemden de Zweden Christiaan spottend.

Uiteindelijk, op 31 januari 1619, stond de Zweedse kolonel Herman Wrangel voor de poort van Älvsborg met het ondertekende bewijs dat Zweden het losgeld betaald had. 

Diezelfde dag rapporteerde hij aan Gustaaf Adolf: ‘Toen droegen ze onmiddellijk het slot en de bijbehorende goederen aan mij over en vertrokken ze.’

De overdracht was correct en beleefd verlopen, zonder de plaagstootjes die de Denen en Zweden steevast bij dit soort gelegenheden aan elkaar uitdeelden. 

Nu was Älvsborg weer in Zweedse handen, en de nieuwe commandant Wrangel kreeg het beheer over de westkust. Maar de bewoners waren vertrokken en hun huizen waren platgebrand.

Vlak ten zuiden van de vesting stonden de zwartgeblakerde restanten van Älvsborg Stad, dat de Denen in 1611 met de grond gelijk hadden gemaakt. 

Een paar kilometer stroomopwaarts op de Götarivier bevond zich de verlaten ruïne van de plaats Nya Lödöse. En de Zweedse troepen in de vesting keken uit op de overblijfselen van het eerste Göteborg.

Stuk voor stuk herinnerden deze puinhopen aan de mislukte Zweedse ambitie om een westelijke haven te bouwen.

Gustaaf Adolf heeft een plan

Meteen na de overname kreeg vestingcommandant Wrangel brieven van de oorspronkelijke bewoners van de door oorlog geteisterde streek.

Ze hadden hun toevlucht in het Zweedse binnenland gezocht, en nu wilden ze weer naar huis.

Ze verzochten om toestemming hun afgebrande huizen te herbouwen. Wrangel antwoordde ontwijkend dat dit een vraag voor de koning was, die de kust zou bezoeken.

Gustaaf Adolf arriveerde in maart 1619 met zijn gevolg en bracht een week door in de vesting, terwijl hij het ene bevel na het andere uitvaardigde. 

De bewoners konden terugkeren, maar ze mochten ‘niets blijvends’ bouwen, want ze zouden snel weer moeten verhuizen: 

‘Wij geven hierbij toestemming aan alle inwoners van Nya Lödöse en Göteborg (de stad die Karel IX gebouwd had, red.), evenals alle andere Zweden en vreemdelingen van eender welke natie, om zich te vestigen in ons nieuwe Göteborg,’ zo verkondigde de koning.

Gustaaf Adolf was niet van plan om de platgebrande steden te herbouwen en zo het eeuwenoude spel met de Denen voort te zetten. Er moest een nieuwe, zwaar versterkte stad verrijzen. 

Alles hangt van Nederlanders af

De koning had het over ‘vreemdelingen’, maar hij bedoelde de Nederlanders.

De 17e eeuw was de Gouden Eeuw van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die een ware wereldmacht was. 

De bloeitijd was vooral te danken aan de kooplieden die goederen uit alle windstreken naar Amsterdam brachten en er een vermogen aan verdienden.

Gustaaf Adolf wilde van zijn nieuwe Göteborg een vitale schakel maken in het wereldwijde Nederlandse netwerk van handel en rijkdom. 

De koning dacht een graantje te kunnen meepikken door kooplieden uit de Republiek over te halen zich in Göteborg te vestigen. Zijn diplomaten waren nog vóór de bouw van de stad al druk bezig om potentiële rijke inwoners te werven.

Een van de belangrijkste was Jacob van Dijck, die in 1567 in Haarlem geboren was. Hij had rechten gestudeerd en vertegenwoordigde al vanaf 1607 de Zweedse belangen in Holland.

De koning liet het aan hem over om de Nederlanders te rekruteren die zijn project tot een succes moesten maken, en Van Dijck stelde hem niet teleur. 

‘Er zijn hier veel voortreffelijke bemiddelde mannen, die wel naar Göteborg willen komen en mij dagelijks het hemd van het lijf vragen over de mogelijkheden,’ schreef Van Dijck vanuit Amsterdam.

De Nederlanders werd een grote invloed in het vooruitzicht gesteld, nog voor de eerste schop de grond in was gegaan. 

Daarnaast beloofden de Zweden hun grond, een belastingvrijstelling van 16 jaar en vrijstelling van militaire dienst.

Ook de handelsmogelijkheden zagen er gunstig uit, want via Göteborg konden de Nederlandse kooplieden handeldrijven met het machtige Spanje, waarmee de Republiek in een uitzichtloze oorlog verwikkeld was. 

Daardoor konden kooplui geen zaken doen met Spanjaarden.

In tijden dat Zweden vrijgesteld was van de Sonttol kon Göteborg dienen als overslaghaven. Waren uit de hele wereld konden overgeladen worden op Zweedse schepen die ze over de Sont vervoerden zonder tol te hoeven betalen.

Met name voor de remonstranten of arminianen was de uitnodiging van Gustaaf Adolf aantrekkelijk. 

Deze kleine geloofsgemeenschap werd in de Republiek vervolgd. De arminianen vormden de meerderheid van de 500 Nederlanders die naar Zweden kwamen. Hun leider, Jacob van Dijck, was zelf arminiaan, en hij zou uitgroeien tot de sterke man van Göteborg.  

© Göteborgs Stadsmuseum

Nieuw-Amsterdam komt op

Toen de eerste kolonisten in 1621 bij de Göta-rivier aankwamen, stond er nog maar een handjevol huizen, maar de stad begon zich af te tekenen.

De havens, grachten en singel waren uitgetekend door dijkmeesters, en een stratenmaker had bepaald hoe het stratenpatroon zou gaan lopen.

Al deze vaklui waren Nederlanders, die in de 17e eeuw golden als de beste stadsplanners ter wereld. 

De plattegrond van Göteborg zag er zo Nederlands uit dat de stad in de volksmond wel ‘Nieuw-Amsterdam’ genoemd werd. 

Net als in het origineel lag de haven niet aan de riviermonding, maar aan het eind van een brede gracht naar de binnenstad. Hiervandaan konden schepen kleinere zijgrachten op varen.

In 1622 was de hoofdgracht voltooid, en acht jaar later waren drie zijgrachten uitgegraven. 

Die vervoerden niet alleen goederen, maar zorgden er ook voor dat de drassige rivieroever drooggemalen werd, zodat de huizen en vestingwerken van de stad op stevige bodem stonden.

Terwijl de huizen en de haven vorm begonnen te krijgen, werd ook de vesting uit de grond gestampt. 

Naar Nederlands voorbeeld werd een drie meter hoge wal aangelegd met bastions erop en een anderhalve meter diepe gracht erbij. 

Boze Zweedse buren

Het was de bedoeling dat er om de kavels geloot zou worden, maar dat waren de Hollanders niet van plan. 

Ze bouwden hun huizen op de gunstigste plaatsen, en de Zweden moesten het doen met de restjes bouwgrond toen zij aankwamen.

Die Zweden waren al boos omdat de koning hen uit hun oude steden had verdreven, en nu moesten ze met lede ogen toezien hoe er Nederlandse huizen verrezen op de beste plekken van Göteborg. Woedend gingen de Zweden verhaal halen bij de autoriteiten van de stad.

Helaas voor hen werden hun klachten behandeld door de kersverse burggraaf: Jacob van Dijck. 

En hij was niet van zins om iets te veranderen aan de verdeling van kavels binnen de singelgracht.

Kooplieden vormden de bovenklasse van de Nederlandse gemeenschap. Ze vestigden zich in herenhuizen aan de Sint-Jacobsstraat. 

Maar in aantal werden ze overtroffen door ambachtslieden, die net als de handelaren de reputatie hadden de beste ter wereld te zijn. 

Jacob van Dijck had scheepsbouwers, brouwers, bakkers, schoenmakers en andere vaklui naar de stad gehaald, die de burgers van Göteborg van alle benodigdheden voorzagen.

De derde en laatste groep kolonisten waren de Nederlandse boeren. Ook zij stonden bekend om hun deskundigheid. Ze moesten van het drassige land langs de Göta-rivier landbouwgrond maken.

Toen koning Gustaaf Adolf in 1624 op bezoek kwam, had Göteborg al veel weg van een echte wereldstad.

In brieven had Jacob van Dijck de koning opgeroepen ‘zijn licht’ te laten schijnen over de kolonie en de noodzakelijke besluiten te nemen. 

Tijdens zijn bezoek stelde de majesteit dan ook een stadsraad in, waarmee de macht in handen van de buitenlanders kwam. 

De raad bestond uit vijf Nederlanders, twee Duitsers, twee Schotten en drie Zweden.

Extra vernederend was het voor de Zweden dat het raadhuis uit Nya Lödöse kwam. De inwoners hadden het zorgvuldig uit elkaar gehaald en herbouwd in Göteborg, en nu zaten de Hollanders er.

De Jutse koning keert terug

Het bezoek van Gustaaf Adolf in 1624 was de laatste keer dat de burgers van de nieuwe stad hun koning zagen. 

Die ging naar Duitsland om zich in de Dertigjarige Oorlog te mengen. Hij kwam helemaal tot in München, maar werd op een slagveld in Saksen omsingeld door de vijand en in zijn rug geschoten.

Ondertussen was de Deense koning Christiaan IV niet van plan om de strijd tegen Göteborg te staken. In 1644 was er een nieuwe oorlog uitgebroken tussen de Zweden en de Denen en liet hij zich weer zien. 

11 Deense schepen voeren de Göta op en zetten troepen aan land. Christiaan nam de stad persoonlijk in ogenschouw om te kijken of hij de verdedigingswerken de baas kon.

Göteborg had net een nieuwe schans gekregen op een rotspunt buiten de wallen: Kronan. De schans, die van aarde gebouwd was en met kanonnen uitgerust, werd in de volksmond de ‘Juttenverjager’ genoemd.

Nu werd Göteborg voor het eerst op de proef gesteld. Het stadsbestuur had deze dag met angst en beven tegemoet gezien. 

De Zweden en Nederlanders keken toe hoe de Denen buiten de stad schansen bouwden en grote kanonnen aansleepten.

De Denen sloten de toegang tot het Kattegat af, maar verder keek Christiaan de kat uit de boom, want hij had te weinig soldaten om aan een belegering te beginnen. Hij moest wachten op versterkingen uit Noorwegen, destijds in Deense handen.

Göteborg kreeg echter eerder hulp: er arriveerde een Nederlandse vloot die naar het Kattegat was gestuurd om de Zweden te helpen. 

Toen de schepen de Göta-rivier naderden, moest de Deense koning zijn troepen snel terugtrekken en vluchtte hij naar het zuiden.

Niet veel later verschenen de Noren, maar zij konden niets uitrichten zonder de Denen. In arren moede brandden ze maar een hospitaal buiten de stad af.

Elders boekte het Zweedse leger de ene zege na de andere, en toen de oorlog in 1645 voorbij was, waren de machtsverhoudingen in Scandinavië op hun kop gezet. 

Christiaan was nu de zwakke partij en moest de provincie Halland aan Zweden afstaan. Daardoor lag Göteborg niet meer ingeklemd tussen Deens bezit. 

Het dagelijks leven komt op gang

De ‘Jutse’ koning, de plaag van Zweden, was al vijf jaar dood toen Göteborg in 1653 hoog buitenlands bezoek kreeg. 

De stad was toen uitgegroeid tot een bedrijvige plek met 1500 inwoners, die de eer te beurt viel om de gastheren te zijn van Bulstrode Whitelocke, de ambassadeur van Engeland.

Whitelocke zag dat de hoogste ambtenaren Zweeds waren, het garnizoen door Schotten werd geleid en de Nederlanders het bevel over de vloot voerden.

En de aanwezigheid van laatstgenoemden leidde tot spanningen, want de Republiek was in oorlog met Engeland.

De Nederlanders waren sinds de jaren 1620 heel wat minder dominant geworden in Göteborg. Ze zaten niet meer in de stadsraad en de prominentste namen in de belastingregisters waren niet langer Nederlands. 

Enkelen waren opgegaan in de Zweedse maatschappij, anderen waren terug naar de Republiek gegaan, teleurgesteld over hun mogelijkheden in Zweden.

De remonstranten hadden verwacht dat ze godsdienstvrijheid zouden krijgen, maar daar had Gustaaf Adolf een stokje voor gestoken. 

‘Wij zien liever geen vreemde religie in ons rijk,’ had de streng lutherse koning al voor de komst van de Nederlanders gezegd. 

Maar die hadden zich er doof voor gehouden. De remonstranten moesten hun geloof dus achter de voordeur belijden, net als thuis. Ze mochten geen kerken bouwen.

Jacob van Dijck bleef in Göteborg, al zat het hem de laatste jaren niet mee. Bij zijn dood in 1631 was hij aan de bedelstaf geraakt, en zijn familie moest zelfs geld lenen voor zijn begrafenis.

Göteborg deed het echter prima. 

De handel bloeide dankzij Duitse en Schotse kooplui, en het inwonertal steeg gestaag. Er werden nieuwe, sterkere verdedigingswerken gebouwd, die de Denen voorgoed buiten de deur hielden.

Bekijk ook ...