Vlucht over de Sont
In het holst van de nacht staken de joden in overvolle viskotters
en roeibootjes de Sont over.
© Scanpix

Vlucht over de Sont: 7742 joden ontkomen

In september 1943 trekt de bezetter de teugels strakker aan in Denemarken. De joden moeten afgevoerd worden, zo eisen de Duitsers. Maar de plannen daarvoor lekken uit, en duizenden Denen helpen de joden naar het neutrale Zweden te vluchten. Zelfs de Duitsers dragen hun steentje bij.

26 december 2016 door Else Christensen
Poul Hannover klampt zich vast aan de reling terwijl de ene golf na de andere over de viskotter heen slaat. 


Hij is drijfnat en rilt van de kou, maar hij en de 21 andere joden aan boord zijn op weg over de Oostzee naar het veilige Zweden. Daar kan de Gestapo, die Denemarken aan het uitkammen is op joden om naar het concentratiekamp te sturen, niets uitrichten.

Het gevaar is echter nog niet geweken. In het donker liggen Duitse boten op de loer, en de schipper heeft de grootste moeite met de storm. Naarmate de uren verstrijken, begint Hannover zich af te vragen of de man wel weet waar hij zich bevindt. 


De tocht van het Deense eiland Falster naar Zweden voert gevaarlijk dicht langs de Duitse kust.

Het hele gezin Hannover – Poul, zijn vrouw Inger en de kinderen Mette en Allan – is aan boord. Drie dagen geleden kwam er een einde aan hun rustige leven in een villa ten noorden van Kopenhagen. Sindsdien zijn ze op de vlucht, en ze hebben nog nauwelijks iets te eten gehad.

De overige 8000 Deense joden zitten in hetzelfde schuitje. Sinds 30 september 1943 leven ze ondergronds en zoeken ze wanhopig naar een uitweg.

Poul Hannover luistert naar de vissers, die op gedempte toon overleggen. Ze denken dat ze bij Kalmar aan de Zweedse oostkust zijn. Dat kán haast niet kloppen.

Denen werken samen met bezetter

Toen de Duitsers op 9 april 1940 Denemarken binnenvielen, koos de regering ervoor om samen te werken. 


Daardoor kon ze blijven zitten, maar in ruil moest de overheid de veiligheid van de Duitsers garanderen door sabotage tegen te gaan. De joden werden ongemoeid gelaten.

Maar naarmate de Duitsers terrein begonnen te verliezen, werd het verzet onder de Deense bevolking zichtbaarder. 


Het aantal sabotageacties nam toe, en er braken wilde stakingen uit.

De Duitsers eisten harde maatregelen van de Deense regering. Staken moest verboden worden, en op sabotage moest de doodstraf komen. Dat ging de regering te ver, en op 29 augustus 1943 traden de Deense bewindslieden af.

De hoogste Duitse autoriteit in Denemarken was Reichsbevollmächtigter Werner Best, die in het bezette Frankrijk 42.000 joden had laten interneren. 

Daar had hij de bijnaam ‘bloedhond van Parijs’ gekregen. In Denemarken maakte Best handig gebruik van het samenwerkings- beleid van de regering, waardoor slechts 20.000 Duitse soldaten in het land volstond en de 

Denen grote hoeveelheden voedsel naar Duitsland exporteerden – voldoende om acht miljoen van de 90 miljoen Duitsers te voeden.

Het gezin Hannover rond de eettafel: vader Poul, de 13-jarige Allan, Mette van acht en moeder Inger. De foto is na hun dramatische vlucht naar Zweden in 1943 genomen. 

© landsmænd/Politikens Forlag/privatfoto

Werner Best smeedt een plan

Het opschorten van de samenwerking was een regelrechte ramp voor Werner Best. Het kon de Duitsers duur komen te staan, en zijn eigen carrière hing aan een zijden draadje. 


Hij moest ervoor zorgen dat de Deense politici de samenwerking hervatten en dat de rust zou weerkeren in het ‘voorbeeldprotectoraat’.

Best wilde tegelijk het vertrouwen van de Denen herwinnen en een wit voetje halen bij Hitler. Daarvoor moesten de Deense joden worden opgeofferd.

Hij nam aan dat Hitler de onrustige situatie wilde aangrijpen om zich van de Deense joden te ontdoen. Best stelde op 8 september een razzia voor.

Negen dagen later kwam de reactie, ondertekend door Hitler zelf. De actie was goedgekeurd. 


Nu zette Best het tweede deel van zijn plan in werking: de Denen tevreden stemmen. Hij moest zien te bewerkstelligen dat de razzia geen ernstige gevolgen zou hebben voor de joden. Daartoe schakelde hij zijn contact op de Duitse ambassade in Kopenhagen in, de diplomaat Georg Duckwitz.

Sinds zijn aantreden eind 1942 had Best steun gezocht bij Duckwitz, die al jaren in Denemarken zat en het land goed kende. 


Hij was ervan gaan houden. De twee gingen ook privé met elkaar om, en Best wist dat Duckwitz geen overtuigde nazi was. 

Het was dan ook geen toeval dat Best uitgerekend hem opzocht om een actie tegen de joden te bespreken: Duckwitz zou zijn kennis zeker met de Denen delen om zijn geweten te sussen. En dat gebeurde ook.

Duckwitz komt in actie

‘Dat het nu toch zo ver zou komen. Ik weet wat me te doen staat. 


Wie kan de verantwoordelijkheid nemen voor zoiets?’ vroeg Duckwitz zichzelf af in zijn dagboek. 

Op eigen houtje toog hij naar de Zweedse hoofdstad Stockholm om van premier Per Albin Hansson te horen of Zweden bereid was om joodse vluchtelingen uit Denemarken op te vangen.

Zweden had grote hoeveelheden ijzererts aan de Duitsers geleverd, maar
nu Hitler aan de verliezende hand was, wilde het land afstand nemen van het nazisme. Hansson ging akkoord.

Terug in Kopenhagen kreeg Duckwitz de indruk dat de Reichsbevollmächtigter met de actie tegen de joden in zijn maag zat. Best zei dat hij het liefst een brug over de Sont tussen Denemarken en Zweden wilde bouwen om al deze mensen naar Zweden te laten ontkomen.

In zijn dagboek merkte Duckwitz op: ‘Geen macht ter wereld kan de RB [Best] zuiveren van deze grote schuld met zijn onoverzichtelijke gevolgen.’

Zelf wilde Duckwitz niet toekijken. Terwijl Best op 28 september aan Berlijn liet weten dat de razzia in de nacht van 1 op 2 oktober zou plaatsvinden, sprak Duckwitz in het diepste geheim met Hans Hedtoft, de leider van de sociaaldemocraten.

‘Het is zover,’ viel de Duitser met de deur in huis. ‘Een van de komende nachten zullen schepen de haven van Kopenhagen binnenlopen. De stad wordt geïsoleerd, de telefoonlijnen worden doorgesneden en de joden van hun bed gelicht en naar Duitsland afgevoerd.’
Duitse soldaten zetten wegversperringen op in Kopenhagen om joden aan te houden
die de stad ontvluchtten. De meesten waren echter inmiddels al ondergedoken.
© Frihedsmuseet/Nationalmuseet

Het vluchtplan krijgt vorm

In de uren daarna verspreidde het bericht zich als een lopend vuurtje in de joodse gemeenschap, en die avond bereikte het ook Poul Hannover, de directeur van de machinefabriek Titan. 


Hij besloot dat hij met zijn gezin moest vluchten.

‘Op kantoor stelde ik mijn naaste mede-werkers op de hoogte, en ze waren het met me eens dat ik geen keus had,’ schreef Hannover in zijn dagboek. Een aantal medewerkers boden aan het gezin te helpen vluchten naar Zweden.

‘Een van hen ging eropuit om te kijken of we vanuit Skovshoved of Tårbæk konden ontkomen, maar dat bleek totaal onmogelijk,’ schreef Hannover teleur- gesteld in zijn dagboek. Zelf ging hij langs bij een oude vriend, ook tevergeefs.

De meeste Deense joden hadden zich er niet op voorbereid dat ze hun land ooit zouden moeten ontvluchten, en het oversteken van de Sont was dan ook makkelijker gezegd dan gedaan. In heel Seeland werd koortsachtig gezocht naar speedbootjes of viskotters die de joden naar Zweden konden brengen.

Er werden afspraken gemaakt met booteigenaren, maar die waren vaak vaag, want ze kwamen tot stand via iemand die iemand kende die een boot had. 

En het was een ingewikkelde bedoening, want de joden dachten dat de telefoon werd afgeluisterd en bedachten tijdens de gesprekken een geheimtaal.

Poul Hannover ging naar huis, waar zijn buren en vrienden een oplossing probeerden te vinden. 


‘Thuis was het een zootje. Inger was aan het pakken – een kleine tas voor iedereen – maar omdat we niet wisten of we zouden blijven of niet, deed ze maar wat,’ schreef hij over de hectische uren waarin het gezin een vluchtweg zocht.

Eindelijk kreeg Poul Hannover contact met iemand die hen over wilde varen. Het zou 12.000 Deense kronen kosten. Hannover sloeg het aanbod af. Vier keer het jaarloon van een ambachtsman wilde hij niet aan een onbekende geven.

Toen kreeg hij een betere deal: het gezin Hannover moest naar de plaats Nykøbing op het eiland Falster komen. Een boer, Talleruphus geheten, zou hen dan met een boot naar Zweden brengen. De overtocht kostte 6000 kronen.

Hulp komt niet opdagen

De volgende ochtend, 30 september, zat het gezin in de stoptrein naar Nykøbing – de sneltrein durfden ze niet te nemen, want de passagiers daarvan werden ge-
registreerd. 


Alles liep gesmeerd, maar boer Talleruphus was niet op het station. Toen de Hannovers hem aantroffen in de stationsrestauratie, wist hij niet dat het gezin zou komen, en de boot, die een ‘vaste lijndienst’ zou onderhouden naar Zweden, bleek de Oostzee nog nooit te hebben overgestoken.

Het grootste deel van de dag liepen de Hannovers met hun bagage wat rond
in Nykøbing, zo onopvallend mogelijk, terwijl ze een logeeradres voor de nacht en een boot probeerden te vinden.

Ze waren doodsbang, maar werden uit de brand geholpen door een medewerker van Titan. Zijn broer was boer op het naburige eiland Lolland, en het gezin mocht bij hem overnachten.

In de tussentijd waren de meeste Kopenhaagse joden ondergedoken. Ze verbleven bij vrienden, op zolders en in de bossen. 


Een enkeling met connecties werd onder een valse naam in het zieken-huis opgenomen. 

Velen probeerden niet eens in de stad een boot te vinden en trokken naar een van de vissersdorpjes ten noorden van Kopenhagen. Binnen een paar dagen waren er ettelijke honderden mensen op de vlucht geslagen.

Er was niemand die klaarstond om al deze vluchtelingen op te vangen, maar veel mensen zagen het als hun burgerplicht om hen te helpen. 


Joden werden op allerlei plaatsen ondergebracht, op de zolder van een kerk of bij mensen thuis, tot er een boot geregeld was.

Drie joodse broers en hun zus stuurden deze foto naar hun vader in Kopenhagen om te laten zien dat ze veilig waren.
© Frihedsmuseet/Nationalmuseet

Vluchtpoging mislukt opnieuw

De familie Hannover had de nacht op Lolland goed doorstaan, en op 1 oktober huurde Poul Hannover een wagen om naar de Oostzeekust van Falster te rijden. Volgens Talleruphus konden ze daar opgepikt worden door een boot.

Terwijl ze zich aan de rand van het bos verstopten en wachtten tot het donker werd, kwam er een auto aanrijden. 

‘Talleruphus stapte eruit met een man die ik de vorige dag in Nykøbing Falster op het station had gezien.Hij heette Goldstein en vroeg of ik Talleruphus geloofde. Ik antwoordde dat ik geen idee had hoe betrouwbaar hij was.’

De uren verstreken, en de Hannovers wilden niet nog langer op een boot wachten. 


Ze moesten een slaapplaats zoeken, maar uit vrees ontdekt te worden, durfden ze niet hun intrek te nemen in een van de hotels op het eiland. Ze braken in in een vakantiepark dat in het winterseizoen gesloten was.

‘We gaven de kinderen het eten dat we hadden, maar dat was niet al te veel. En drinken hadden we helemaal niet. Het was een vreselijke nacht. We bleven uitkijken, maar er kwam geen schip,’ schreef Poul Hannover in zijn dagboek. 

Gestapo kamt Kopenhagen uit

Ondertussen was de razzia in volle gang in Kopenhagen. Rond 21.00 uur rukte de Gestapo uit met 50 trucks met open laadbak. 


Daarna werd het telefoonnet platgelegd en zetten Duitse soldaten wegversperringen op. De Gestapo kreeg hulp van Denen, onder wie vrijwilligers van de SS, om de adressen van de joden te vinden.

In portieken in de hele stad klonk het gestamp van laarzen met ijzeren beslag en het gebonk
op deuren, maar er werd bijna niemand opgepakt: de Duitsers hadden orders om deuren niet open te breken als er niet werd opengedaan.


Zo zorgde Best ervoor dat de opbrengst van de razzia sterk tegenviel.

Slechts een groepje net aangekomen joden uit Rusland en circa 30 joden uit het bejaardentehuis bij de synagoge werden opgepakt. De oudste van hen was een vrouw van 102 jaar. 


De ouden van dagen werden geschopt en geslagen en aan boord van het Duitse stoomschip Wartheland gedreven.

In Jutland en op Funen arresteerden de Duitsers in totaal 82 joden, die in drie volgepakte treinen naar Theresienstadt werden gebracht – dezelfde bestemming als van de Kopenhaagse joden.
Theresienstadt lag in een oude vestingstad en diende als doorvoerkamp. 
© Frihedsmuseet/Nationalmuseet

Eindelijk komt er een boot

Na een slapeloze nacht in het vakantiepark gingen de Hannovers op 2 oktober naar het Freys Hotel in de kleine plaats Stubbekøbing om wat te eten. Gelukkig was de waard joden goed gezind en verbleef de familie Goldstein er al.

De zoektocht naar een boot ging door. De joden wilden er nu een kopen. In de loop van de dag werd Poul Hannover verzocht naar een kroeg te komen waar een man hem opwachtte. 

Die droeg het embleem van de Deense koning als blijk van zijn vaderlandsliefde en zei dat hij anoniem wilde blijven. Hij kende wel iemand die hen naar Zweden kon varen. Voor de hele groep van in totaal 22 personen zou dat 20.000 kronen kosten.

Die avond stonden Poul Hannover en de andere joden te wachten bij de kade in de zware storm. De eerste twee vissers-boten voeren voorbij, maar de derde legde aan en nam de 22 wachtende vluchtelingen aan boord. 


Eindelijk waren ze op weg naar Zweden.

Ondertussen had de Gestapo er lucht van gekregen dat er joden in het Freys Hotel zaten. De geheime politie hield meteen een razzia, maar de vogels waren allang gevlogen.

In Kopenhagen bracht Reichsbevoll-mächtigter Werner Best verslag uit over het verloop van de actie aan Adolf Hitler en minister van Buitenlandse Zaken Von Ribbentrop in Berlijn. 

Hij verzweeg dat er nauwelijks joden opgepakt waren: ‘Vanaf vandaag kan Denemarken als

jodenvrij worden beschouwd, gezien geen jood er legaal meer kan verblijven of werken,’ schreef hij in een telegram. 

Zweden onthaalt joden

Het was een zware nacht voor de 22 joden op de viskotter. 


Onderdeks stonk het naar brandstof, en Poul Hannover zat dan ook liever op het dek, waar de ijskoude golven over hem heen sloegen. Na 12 lange uren op zee kregen ze dan eindelijk de Zweedse kust in het oog.

‘We kwamen langs een boei, en toen zagen we de ingang van de haven heel duidelijk – al het andere was vergeten. 


Even later zagen we een paar arbeiders aan komen rennen op de buitenste pier, zwaaiend met touwen. 

‘Welkom!’ riepen ze in het Zweeds. Ik geloof niet dat iemand van ons het droog hield,’ schreef Poul Hannover na aankomst in het Zweedse Ystad.

Het gezin Hannover behoorde tot de eersten die de overtocht maakten – de meeste joden wachtten nog bij vrienden of wildvreemden, die hun met gevaar voor eigen leven onderdak boden.

Al snel ontstond er een groot netwerk van helpers. 

Zo zette iemand in de stad Helsingør op Seeland, nadat hij 10 joden had zien vluchten, een groep op die in oktober 1943 maar liefst 700 mensen met vissersboten naar Zweden bracht. De groep had de onschuldig klinkende naam ‘Naaikrans van Helsingør’.

Deense Gestapoagent slaat toe

Niet alle joden ontsprongen de dans. 


Al had Werner Best de Gestapo opgedragen terughoudend te zijn en lagen de Duitse patrouilleboten op de Sont en de Oostzee stil, de vlucht van de Deense joden verliep allesbehalve op rolletjes. 

In totaal werden 190 van hen gearresteerd, de meesten in Gilleleje ten noorden van Kopenhagen, waar de Gestapo-officier Hans Juhl de scepter zwaaide.

De Deen Juhl pakte onder meer 80 joden op die zich op de zolder van de kerk van Gilleleje hadden verstopt. Vroeg in de ochtend van 7 oktober dwong hij de doodgraver hem de sleutel te geven.

Slechts één man ontkwam: hij wist zich aan de buitenkant van de toren te verbergen. Later, tijdens de overtocht naar Zweden, verdronk hij, net als 22 andere Deense vluchtelingen.

Leden van de ‘Naaikrans’ wisten Juhl echter af te leiden met een reeks valse meldingen. Hij werd door zogenaamde collaborateurs naar adressen gestuurd waar joden ondergedoken zouden zitten.

In totaal vielen er 47 doden tijdens de razzia in Denemarken, onder wie zeker 16 mensen die zelfmoord pleegden in plaats van op de vlucht te slaan.

Kinderen veroorzaakten regelmatig gevaarlijke situaties als ze het op een schreeuwen zetten in een van de bootjes op weg naar Zweden. Soms eisten andere vluchtelingen dat deze kinderen gewurgd zouden worden, maar in de regel was een slokje drank of een pilletje genoeg om ze het zwijgen op te leggen.

In totaal bereikten 7742 Deense joden Zweden. Volgens Duckwitz ontstak Hitler in woede toen hij dat getal hoorde. Maar tot het einde van de oorlog leefden de joden veilig in Zweden.

De bereidheid van gewone Denen om hen te helpen is legendarisch geworden, maar het is minder bekend dat ook Duitsers een grote rol speelden bij de reddingsactie.   

Bekijk ook ...