De Duitsers wisten dat achter elke bocht Noorse soldaten in een hinderlaag konden liggen, en zochten dekking achter hun kleine tanks (de Panzer I).

De val van Noorwegen: Churchill gaf zege uit handen

In 1940 besluit Hitler Noorwegen te bezetten om de Engelsen en Fransen te snel af te zijn. In het Noorse Narvik stuiten de Duitsers op hevig verzet van geallieerde troepen. Na een maand van gevechten staan de Duitsers op het punt zich terug te trekken, als de geallieerden opeens opgeven.

19 mei 2013 door Jan Ingar Thon en Torsten Weper

De pantserschepen Eidsvold en Norge lagen op 9 april 1940 voor anker bij Narvik. Het waren de beste oorlogsschepen die Noorwegen had, maar ook de oudste. De admiraal noemde ze gekscherend "mijn oude badkuipen".

Ineens dook een rank, grijs vaartuig op uit het donker, en even later waren het er tien – hypermoderne, gestroomlijnde Duitse destroyers stoomden op door de Ofotfjord richting Narvik. De twee oude bakbeesten lagen op hun pad.

Het Duitse vlaggenschip Heidkamp stuurde een sloep naar de Eidsvold. De bemanning deelde mee dat Duitsland geen kwaad in de zin had, en verzocht de Noorse soldaten zich over te geven. Maar kapitein Willoch van de Eidsvold stuurde ze met lege handen terug. Een paar tellen later schoot de Heidkamp een rode signaalpijl af. Kapitein Willoch wist meteen hoe laat het was.

"Beman de kanonnen! Nu gaan we vechten, jongens!" riep hij.

Het oude pantserschip kwam traag op gang en probeerde zijn zijkant naar de Duitse destroyer te draaien. Maar het was al te laat: drie explosies sloegen gaten in de romp. Duitse torpedo’s hadden het schip bij het munitiedepot geraakt. De Eidsvold ging in slechts 15 seconden ten onder. 175 van de 183 bemanningsleden kwamen om.

De opvarenden van het schip Norge, verderop in de fjord, hoorden het lawaai. Vanaf het dek zagen ze onbekende schepen opdoemen uit de mist, en de Norge opende het vuur. In het donker trof geen van de granaten doel, maar twee torpedo’s van de Duitse destroyer Armin raakten de Norge midscheeps. Een minuut later lag het schip met zijn 101 bemanningsleden op de zeebodem.

Hiermee was het verzet in Narvik gebroken. De bevelhebber van de stad was kolonel Konrad Sundlo, een lid van de Noorse nationaal-socialistische partij NS. Hij stelde een wapenstilstand van een half uur in, waardoor de Duitsers Narvik in alle rust konden bezetten.

De Duitse troepen namen de stad in zonder een schot te lossen, en de commandant van de Heidkamp, Bonte, kon melden dat zijn taak in de grootschalige operatie Weserübung volbracht was: Narvik, waar het Zweedse ijzererts werd verscheept dat voor Duitsland van levensbelang was, was veiliggesteld. Uitgeput na de lange reis maar tevreden trok Bonte zich terug in zijn kooi.

Duitse verrassingsaanval

De dagen en weken voorafgaand aan operatie Weserübung deden er al vele geruchten over een aanstaande Duitse aanval de ronde, maar die werden niet serieus genomen. Zelfs toen de grootste Duitse vloot aller tijden in de nacht van 6 op 7 april uit Noord-Duitsland vertrok, beseften de geallieerden nog niet wat er stond te gebeuren. Was het een aanval op IJsland? Op Moermansk? Of gewoon een oefening? Niemand die het wist.

Op 9 april om 04.15 uur sloegen de Duitsers toe bij een aantal strategisch gelegen steden, havens en bruggen in Denemarken en Noorwegen. Het was een volslagen verrassing. Binnen twee uur gooide Denemarken de handdoek al in de ring en verklaarde de regering met de bezettingsmacht te zullen samenwerken. Ook in Noorwegen hoopten de Duitsers op een snelle overwinning, maar koning Haakon VII en zijn regering sloegen op de vlucht en mobiliseerden het leger.

De leider van de enorme operatie Weserübung, generaal Nikolaus von Falkenhorst, besefte dat een confrontatie in Noorwegen onvermijdelijk was. Het langgerekte land moest dal voor dal op de inwoners veroverd worden.

Hoewel de Noren vastberaden waren, ontbrak het hun aan middelen. Het leger was slecht getraind en beschikte niet over genoeg materieel. Het land kon alleen maar hopen dat de geallieerden zouden ingrijpen.

Chaos bij de geallieerden

De geallieerden vielen Narvik niet rechtstreeks aan, maar gingen aan land bij het dorp Bjerkvik, waar de Duitsers niet zo veel stellingen hadden.

Na de Duitse aanval van 9 april kwamen geallieerde militaire en politieke leiders in alle haast bijeen. Frankrijk en Groot-Brittannië wilden de Duitse agressie beantwoorden, maar werden het niet eens over de beste manier. De Britten hadden een sterke vloot in het gebied en een landing op de Noorse westkust lag dus voor de hand. Waar dat precies moest gebeuren, was echter de vraag.

De Britse minister-president Neville Chamberlain wilde Bergen, Trondheim en Narvik heroveren, maar de Franse premier Paul Reynaud vond alleen Narvik belangrijk genoeg: "De geallieerden moeten de toevoer van ijzererts naar Duitsland stoppen. Een ogenblikkelijke en krachtige reactie is dus geboden."

De Noren hoopten dat de geallieerden zich eerst op de belangrijke havenstad Trondheim zouden richten. Hier lag ook een luchthaven, waarmee de geïsoleerde Duitse troepen in Narvik, 640 kilometer naar het noorden, bevoorraad werden. Zonder Trondheim waren zij nergens.

De geallieerden wisten echter weinig van de omstandigheden in Noorwegen en hadden nog geen contacten met het Noorse leger. Ze stelden steeds nieuwe aanvalsplannen op, om ze vervolgens weer te verwerpen. Medio april gingen dan eindelijk drie expeditiekorpsen van Britten, Fransen en Polen op pad.

Het korps Mauriceforce ging naar de stad Namsos, en het korps Sickleforce naar Åndalsnes, beide met Trondheim als doel. Een derde korps, Rupertforce, met 4000 Britten, 3000 Franse Alpen-jagers, 2000 Vreemdelingenlegionairs en 4000 Polen, zette koers naar Narvik.

Al vanaf het begin was deze operatie ronduit slecht georganiseerd. De route van de korpsen werd meermaals omgelegd, en hun uitrusting voldeed niet. Zo had het Mauriceforce, dat op weg was naar Namsos, slechts kaarten van Narvik bij zich. Daarnaast waren delen van de uitrusting - en de commandant - naar Narvik gestuurd.

Eerste aanval op Narvik

Op 14 april landden de eerste Engelse troepen in Harstad, even ten noorden van Narvik, waar ze een tijdelijke basis opzetten. Het ontbrak hun aan zwaar materieel als luchtafweergeschut en artillerie, en ze waren niet voorbereid op de omstandigheden: hoewel er een dik pak sneeuw lag, hadden de Britten geen warme kleding of ski’s. Toen de commandant lord Cork aan land ging, zakte hij weg in de sneeuw en verloor hij zijn monocle. Twee soldaten moesten hem overeind helpen. In zijn rapport schreef hij:

"Ik heb de sneeuw getest, en je zakt er makkelijk tot je middel in weg. De opmars zal een uitputtingsslag zijn."

Ondanks alle problemen werd op 24 april een aanval op Narvik gepland, maar deze liep in de soep doordat er een zware sneeuwstorm opstak. De Britse slagschepen vuurden salvo’s af, maar door de sneeuw zagen ze niet waar de granaten insloegen. De Britten moesten de aanval wel staken, en dat was maar goed ook, want hun granaten hadden geen enkele schade toegebracht aan de Duitse stellingen. De huizen van de stad waren echter wel zwaar beschadigd.

Fransen maken een nieuw plan

In de vier dagen na de mislukte aanval op 24 april ruzieden de twee Engelse commandanten over de verdere gang van zaken. Commandant Cork van de Royal Navy wilde met zijn schepen een frontale aanval op Narvik uitvoeren, maar de bevelhebber van de landmacht, generaal Mackesy, zag meer in een omsingeling van de stad door zijn troepen. Ze kwamen er samen niet uit.

Op 28 april arriveerde de Franse generaal Bethouart, een veteraan van de Eerste Wereldoorlog en een expert in oorlogsvoering in de bergen. Hij had drie vechtlustige bataljons chasseurs alpins (Alpenjagers) meegenomen.

Generaal Bethouart stelde de twee bekvechtende Engelse commandanten een compromis voor: de geallieerden zouden bij het dorp Bjerkvik troepen aan land zetten, waar de Duitse verdediging zwak was. Dan konden ze bij Narvik de Duitsers in de flank aanvallen.

Gelijktijdig moest een groep Polen in ballingschap vanuit het zuidwesten oprukken, en het Noorse leger vanuit het noorden, terwijl de Royal Navy de Duitsers vanuit de fjord zou bestoken.

De beide Britse generaals konden met dit plan leven, en de voorbereidingen op de Slag om Narvik begonnen.

Oorlog in de bergen

De circa 10.000 Noorse soldaten in het binnenland stonden intussen onder zware druk. De Duitsers werden vanuit de lucht bevoorraad en veroverden veel land ten noorden en oosten van Narvik.

Op 16 april vielen Duitse troepen de Noorse stellingen op de berg Bjørnefjell nabij de Zweedse grens aan. Ze wilden de Ertsspoorlijn veiligstellen, die Zweeds ijzererts naar de zeehaven van Narvik bracht. Een paar uur hielden de Noren dapper stand, maar toen de Duitsers hen met een snelvurend 20mm-kanon beschoten, leken ze kansloos.

De Noren waren moe, slecht getraind en hadden zwaar materieel noch luchtsteun. Maar onder leiding van generaal Carl Gustav Fleischer gingen ze steeds beter vechten en ze konden goed van hun ervaring met ski’s en kennis van de Noorse winter gebruikmaken.

Al snel konden de Noorse soldaten zich meten met de Duitse Alpenjagers, en vanaf begin mei rukten ze langzaam maar zeker op naar Narvik. De Duitsers boden hevig verzet, maar de Noren vochten zich een weg door het berglandschap, van top naar top. Op 7 mei veroverden ze de strategisch belangrijke hoogvlakte ‘856’, en konden ze de Ofotfjord, waar Narvik aan grenst, zien liggen. En in de verte ontwaarden ze de lichten van de stad zelf.

De slag om Bjerkvik

Op 12 mei, even voor middernacht, stond generaal Bethouart aan dek van de kruiser Effingham. Met 24 andere schepen gleed het vaartuig over de stille Bjerangsfjord. In het schijnsel van de avondzon zag de Fransman hoe vier landingsvaartuigen met bijna 500 leden van het Vreemdelingenlegioen Bjerkvik naderden. Toen ze bijna aan wal waren, gaf Bethouart het bevel om te schieten.

De drukgolf van de kanonschoten rukte zijn sigaret uit zijn mond. Een paar tellen later sloegen de granaten neer in Bjerkvik. De kerk werd als een van de eerste gebouwen geraakt. De Duitsers hadden er munitie opgeslagen, en al snel ontstond een enorme vlammenzee. Het vuur verspreidde zich naar de houten huizen.

Toen stormden de Franse legionairs het land op. Ze hadden te horen gekregen dat er geen burgers in het dorp waren, maar korporaal Favrel van het legioen ontdekte dat dat niet het geval was:

"Het werd een vreselijk bloedbad. We doodden meer burgers dan Duitsers. Onze machinegeweren doorzeefden deuren en ramen, infanteristen gooiden met granaten en raakten de huizen die het inferno hadden overleefd. Met mijn wapen in de hand liep ik door een angstaanjagend Golgotha, bezaaid met verminkte lijken, omgevallen wiegjes met dode baby’s en kreunende gewonden in plassen bloed," schreef hij later.

In het spookachtige, rode schijnsel van de ochtendzon vochten de legionairs om elk huis. Duitse Alpenjagers met machinegeweren stonden op elke straathoek, en pas na een paar uur was het dorp in geallieerde handen. Maar Bjerkvik was slechts een bruggenhoofd. Nu moest het dorp Øyjord, de toegang tot Narvik, nog veroverd worden.

Bethouart stuurde soldaten op snelle motorfietsen naar het zuiden. Vanuit het westen rukten Poolse troepen op, en twee Britse destroyers lagen klaar om artilleriesteun te geven. Maar die was niet meer nodig: na het bloedbad in Bjerkvik waren de Duitsers gevlucht, en de legionairs bereikten Øyjord ongeschonden. Narvik was omsingeld.

Churchill ziet het niet meer zitten

Narvik had zwaar te lijden onder de oorlog. Geallieerde schepen en Duitse vliegtuigen bestookten de stad. Voordat de Duitsers zich op 28 mei terugtrokken, verwoestten ze de haven, en op 7 juni bliezen de geallieerden de spoorlijn op.

’s Ochtends op 15 mei werd de kersverse Britse premier Winston Churchill gewekt door de telefoon. Hij nam op en had de Franse premier Reynaud aan de lijn, die hysterisch tekeerging: ‘We zijn overwonnen! We zijn verslagen! We hebben verloren!’

Vijf dagen eerder was Duitsland aan de al lang geplande invasie van België, Nederland en Frankrijk begonnen. 157 divisies waren de grenzen overgestoken, en de Duitse pantsertroepen waren
onstuitbaar. Langs het hele front hadden de geallieerden halsoverkop op de vlucht moeten slaan, en Narvik was ineens niet belangrijk meer.

Op 17 mei - de Noorse nationale feestdag – riep Churchill zijn kabinet bijeen en zei: ‘We moeten uitkijken dat Narvik de middelen die we zelf hard nodig hebben niet opslokt.’ Diezelfde dag namen Duitse troepen Brussel in.

Drie dagen later uitte hij zijn teleurstelling over de gang van zaken in Noorwegen: "We moeten bedenken of we, als we Narvik veroveren, zelf wel baat hebben bij een bezetting. De troepen, schepen en het materieel kunnen we goed elders gebruiken."

Op 23 mei ontving het Britse kabinet een rapport van de stafchefs dat er geen doekjes om wond: Narvik moest veroverd worden, gevolgd door een snelle terugtrekking uit Noorwegen. De geallieerden waren bang voor een bloedbad als de Duitsers lucht kregen van de evacuatie. De verovering van Narvik diende slechts als dekmantel voor de aftocht.

De volgende dag kreeg lord Cork in Noorwegen zijn orders. Maar de Noorse troepen moesten koste wat kost in het ongewisse blijven. De Britten waren bang dat ze zich zouden overgeven als ze hoorden van de vluchtplannen, en dan zouden de geallieerden tijdens hun terugtrekking geen rugdekking meer hebben. De Britse generaal Auchinleck zat hier behoorlijk mee in zijn maag: "Het ergste is dat we tegen iedereen moeten liegen. Als we doen of we doorvechten terwijl we in werkelijkheid al opgegeven hebben, is dat buitengewoon onbetamelijk tegenover de Noren. Je voelt je een laaghartige huichelaar."

Narvik wordt ingenomen

Rond middernacht op 28 mei begon de laatste fase van de operatie in Narvik. Er waren te weinig landingsvaartuigen om alle troepen in één keer van Øyjord naar Narvik te brengen. De eerste soldaten moesten onopgemerkt blijven, zodat er een bruggenhoofd gelegd kon worden. Pas toen de vaartuigen vlak bij de kust waren, schoten de Britten een rode signaalpijl af ten teken dat de schepen de Duitse stellingen konden bestoken.

Aanvankelijk konden de soldaten zonder noemenswaardige tegenstand oprukken. Maar toen begon de ellende. Twee tanks die bij de aanval ingezet moesten worden, reden zich vast in de modder op het strand. Noorse en Franse troepen liepen in de chaos door elkaar heen en verstonden elkaar niet. Ook was het Duitse verzet hevig. Een groep Duitsers verschanste zich in een tunnel waar de geallieerden doorheen moesten. Pas toen Vreemdelingenlegionairs een kanon tot aan de ingang van de tunnel wisten te slepen en het vuur openden, konden de geallieerden veilig naar de andere kant.

Twee Duitse eenheden kwamen van de strategisch gelegen berg Taraldsvikfjell af en onthaalden de geallieerden op een regen van granaten. De strijd duurde lang, en even leek het of de geallieerden afgesneden zouden worden van hun landingsplaatsen. Ze verloren terrein, en enkelen vluchtten.

Maar te midden van het strijdgewoel klonk de kreet "À moi la Légion!"

Het was kapitein De Guittaud van het Vreemdelingenlegioen. Hij voerde zijn compagnie aan ondanks een gapende hoofdwond. De Noorse kapitein Hanekamhaug trok zijn pistool en dreigde
iedereen die ook maar een stap achteruit deed neer te schieten. De legionairs rukten op, rechtstreeks het Duitse spervuur in, en 60 van hen sneuvelden, onder wie kapitein De Guittaud. Ook veel Noren lieten het leven, maar de overlevenden vochten vastberaden, zij aan zij met de legionairs. Meter voor meter beklommen ze de berg.

In de loop van de ochtend werden de Duitsers op een steeds kleiner gebied teruggedreven, en uiteindelijk had hun commandant, majoor Haussel, nog maar 400 man tot zijn beschikking.

Na zeven uur strijd - op 28 mei om 06.50 uur - gaf Haussel zijn mannen het bevel Narvik te verlaten, en in de loop van de middag namen de geallieerden de stad in. De bevolking was in groten getale uitgelopen om haar bevrijders te bedanken.

"Jong en oud stroomden toe om ons de hand te drukken en ons hartelijk welkom te heten," vertelde de Noorse majoor Hyldmo later.

De verloren zege

Na de val van Narvik leek het een kwestie van tijd voor de Duitse troepen in Noord-Noorwegen verslagen waren. Ze waren teruggedreven tot op de berg Bjørnefjell bij de Zweedse grens, en de Noorse 6e divisie rukte steeds verder op.

De Duitsers beseften dat het einde nabij was – aan de andere kant van de grens stonden al treinen klaar om hen te evacueren. Maar terwijl de Noorse soldaten zich een weg vochten naar de Bjørnefjell, begonnen de geallieerden hun troepen aan de kust te evacueren. En toen de Noren op het punt stonden om de Duitsers op de berg de genadeslag toe te brengen, was het al te laat. De slag op de Bjørnefjell zou op 8 juni plaatsvinden, maar zo ver kwam het niet. Een dag eerder kwam de Noorse regering voor het laatst in Noorwegen bijeen, en stelde vast dat de situatie uitzichtloos was. Die avond sprak koning Haakon via de radio zijn volk toe:

"Na veel wikken en wegen ben ik tot de stellige overtuiging gekomen dat ik en mijn regering onder de huidige omstandigheden geen andere keuze hebben dan het land te verlaten en vanuit het buitenland de Noorse belangen zo goed mogelijk te behartigen", zei hij.

Op 9 juni was de evacuatie van de geallieerden voltooid. Noorse soldaten kregen het bevel zich te verspreiden om gevangenneming te voorkomen. De ongeslagen troepen verruilden schoorvoetend hun uniform voor burgerkledij.

"Het was het droevigste moment in mijn leven toen ik de jongens naar huis zag gaan. Met een vragende blik keken ze me aan. Ze begrepen niet wat er was gebeurd. Ze hadden week na week voor elke centimeter gevochten, en wisten net zo goed als ik dat de Duitsers op de Bjørnefjell binnen een paar dagen verslagen waren geweest," zei een Noorse officier over zijn teleurgestelde manschappen na de afgelaste slag.

Narvik lag in puin, verwoest door de granaten van de Royal Navy, de Duitse bommen en de zware gevechten. Tussen de brokstukken liepen ezels rond. Ze waren door de geallieerden achter-
gelaten. Veel van de dieren hadden met het Vreemdelingenlegioen dienstgedaan onder de brandende zon van Noord-Afrika. Nu stonden ze er verloren bij onder de Noorse middernachtzon.

Bekijk ook ...