Duitse soldaten tijdens D-day

De Duitse opmars is aan het Oostfront vastgelopen, en er moeten extra manschappen worden ingezet. Tegelijk vallen er geallieerde troepen aan vanuit het westen. Hitler en zijn generaals weten dat het offensief komt, alleen niet waar en wanneer.

© Annet Mackie/HBO & imfdb.org

D-day gezien door Duitse ogen

De Duitsers wachten al maanden op de onvermijdelijke aanval. Langs de kust van Normandië zitten jonge soldaten samengepakt in kleine bunkers met veel te weinig munitie. Dan stormen er geallieerde troepen op hen af. Als de Duitsers met hun mitrailleurs antwoorden, verandert het strand in één groot bloedbad. Maar al gauw beseffen ze dat de strijd verloren is. Nu telt er nog maar één ding: D-day zien te overleven.

10 maart 2017 door Troels Ussing

Heinrich Severloh kan zijn ogen niet geloven. 

Maandenlang heeft de Duitse soldaat vanaf de winderige Normandische duinen het Kanaal in de gaten gehouden. 

En nu, om half zes ’s ochtends op 6 juni 1944, ziet hij wat hij al die tijd gevreesd heeft: ver aan de horizon doemen kleine zwarte stipjes op. De 20- jarige korporaal en zijn kameraden in Widerstandsnest 62 beseffen dat de langverwachte geallieerde invasie over een paar minuten zal losbarsten. 

En het gaat hier gebeuren, op Omaha Beach, vlak bij de stelling waar zij gelegerd zijn.

‘Het was de grootste militaire vloot ooit. Een eindeloze rij enorme schepen,’ constateert Severloh verbijsterd, terwijl de stilte wordt doorbroken door een zwaar gebrom uit de verte.

‘Het geluid werd steeds krachtiger. Een enorme formatie bommenwerpers kwam onze kant op, als een spook aan de bewolkte, grijze hemel. Het geluid van de machines was oorverdovend,’ zo herinnerde hij zich later.

De eerste bom slaat slechts 50 meter achter hem in. Aarde en brokken kalksteen vliegen alle kanten op. De Duitsers laten zich meteen op de grond vallen of vluchten halsoverkop de bunkers in.

Vlak bij Severloh zit Franz Gockel in een schuttersput. De 18-jarige soldaat buigt zich geschrokken over zijn Poolse machinegeweer, terwijl hij de aarde op zijn helm en rug voelt neerkomen. 

De lucht hangt vol rook en wit steengruis. Het brandt in Gockels neus en ogen, en zijn tanden knarsen ervan.

De Duitsers knipperen met hun ogen het stof weg en zien dan dat de schepen op de donkergrijze zee nu zo dichtbij zijn dat ze zich binnen het bereik van hun machinegeweren bevinden. 

De kanonnen in de verte lichten rood en oranje op en nemen de Duitse stellingen onder vuur. Om zijn zenuwen de baas te worden, begint de 18-jarige schutter hardop te bidden, op hoop van zegen – maar de vijand is oppermachtig. 

En terwijl hij zit te bidden, spookt telkens dezelfde gedachte door zijn hoofd: ‘Dit overleef ik niet. Dit overleef ik niet.’

Voor ze aan land gingen, moesten de Amerikanen 500 meter strand overleven. Ze waren er een makkelijke prooi voor de Duitse MG42, die 1200 schoten per minuut kon afvuren.

© Barch 101l-291-1213-34.

Zone des doods tegen invasie

Eind 1943 wisten Hitler en zijn generaals dat de geallieerden het jaar erop Europa zouden binnenvallen. Ze wisten alleen nog niet waar.

De Duitse Atlantikwall liep langs het grootste deel van de Europese westkust. Deze verdedigingslinie, die volgens de Duitse propaganda met ‘vereende krachten’ was gebouwd en zo goed als ‘onneembaar’ was, was in feite zo lek als een mandje. 

Erwin Rommel, die in november 1943 verantwoordelijk was voor de kustverdediging richting het westen, kreeg een woede-uitbarsting toen hij de stellingen zag. 

Er waren dan wel duizenden bunkers met kanonnen en machinegeweren, maar de verdediging zat vol gaten. De veldmaarschalk zette zijn troepen meteen aan het werk.

Met de hulp van gevangenen groeven soldaten zoals Severloh en Gockel palen met mijnen eraan in het zand in. 

Ook werden er militaire obstakels naar de kust gebracht vanuit bezette gebieden in Tsjecho-Slowakije en België. 

Er werden miljoenen landmijnen geplaatst en nog meer loopgraven aangelegd in de 500 meter brede kuststrook die later bekend zou staan als ‘Rommels zone des doods’.

‘Ik ben ervan overtuigd dat we de westkust kunnen verdedigen, als we goed voorbereid zijn. Ik denk dat we een aanval kunnen afslaan,’ schrijft Rommel vol goede moed aan zijn vrouw in het voorjaar van 1944.

Maar de tijd begint steeds meer te dringen. De Duitse legerleiding denkt dat de geallieerden pas later in juni zullen aanvallen. 

Roosevelt en Churchill zijn oppermachtig en beschikken over veel meer soldaten, die bovendien veel beter getraind zijn dan de Duitsers. 

Het Duitse verdedigingsleger bestond voor een groot deel uit onervaren Landsers – voetsoldaten – of krijgsgevangenen die zich hadden aangemeld om zo uit de

gevangenis te blijven. Het grootste probleem van de Duitsers was de erbarmelijke toestand aan het Westfront. 

Ze hadden veel te weinig oorlogsschepen, onderzeeërs en vliegtuigen. Hitler en propagandaminister Goebbels waren echter, zoals altijd, niet onder de indruk van de situatie.

‘Laat ze maar komen! Onze soldaten zullen de vijand eens een lesje leren,’ schreeuwde Goebbels tijdens een toespraak, twee dagen voor de invasie. En de Führer zelf was een en al optimisme toen hij zijn troepen in Frankrijk liet weten: ‘Ik weet, mijn dappere soldaten, dat elk van jullie de komende dagen vol overtuiging en overgave zal vechten voor onze overwinning en voor een glorieuze toekomst voor het

Duitse volk. Waar de vijand ook aanvalt, we zullen hem verpletteren. Dankzij onze verdediging zullen ze geen voet aan land krijgen. Wij zijn onoverwinnelijk!’

Maar daarin vergisten de twee nazikopstukken zich behoorlijk.

LEES MEER: Steek nog meer op over D-day met ons grote thema.

Bommen beginnen te vallen

Het optimisme van Hitler en Goebbels wordt echter niet gedeeld door Severloh, Gockel en hun kameraden op Omaha Beach, die binnen een half uur worden getrakteerd op onder andere meer dan 10.000 raketten en granaten.

Ook pantserkorporaal Gustav Winter, die in een kleine bunker op 1 kilometer van Severloh en Gockel zit, hoort het bombardement. 

Samen met zijn Tsjechische adjudant van amper 17 jaar moet hij ervoor zorgen dat de vijandelijke troepen de voet van de kliffen op Omaha Beach niet bereiken. 

Maar de opening voor hun 50mm-kanon is niet meer dan een smal spleetje, zodat ze geen idee hebben wat er gebeurt. Ze kunnen de lucht en zee bijna niet zien, maar ze voelen wel de trillingen en zien het stof dat door de kieren naar binnen dringt.

‘Toen er plotseling een granaat vlak bij ons explodeerde, voelden we de drukgolf door de muren heen. Het leek alsof je een stomp in je maag kreeg. En ze bleven maar komen, steeds weer zo’n stomp. Mijn oren begonnen te tuiten,’ herinnert Winter zich, die zijn assistent schreeuwend van de schrik op de koude vloer van de bunker ziet neervallen.

Om 6.15 uur ziet Severloh vanuit zijn bunker, dwars door de rookwolken heen, hoe honderden amfibievoertuigen zich een weg banen door de metershoge golven. 

Hij rent als een haas naar de dichtstbijzijnde communicatiebunker, zo’n 15 meter verderop.

‘Het is begonnen! Ze komen aan land!’ schreeuwt de korporaal voordat hij zigzaggend weer terug naar zijn bunker rent, waar een van zijn kameraden op hem zit te wachten.

Severloh zorgt ervoor dat het zware MG42-machinegeweer stevig vastzit op zijn tweepoot, terwijl zijn collega het helse apparaat een patroonband vol 7,92mm-Mauser-kogels voert. Maar de soldaten weten op dat moment al dat ze te weinig kogels hebben.

Klik op de rondjes op de illustratie voor een overzicht van de indeling van een Duitse bunker

Amerikanen zijn kanonnenvoer

Verschrikt ziet Severloh de Higginsboten van de vijand naderen. Het lijken wel mieren. Ze deinen op en neer op de golven en komen steeds dichterbij. 

De korporaal is verbaasd dat de geallieerden de aanval bij eb hebben ingezet. Op dit tijdstip hebben de landingsboten echter niets te duchten van de ijzeren hekken en mijnen van de Duitsers, maar wel moeten de marine-infanteristen een bijna 300 meter brede strandstrook oversteken voordat ze zich veilig kunnen verschuilen achter de zeedijken.

Rond 6.30 uur gaan de eerste boegkleppen van de Higgins-boten open en komen de soldaten verrassend rustig naar buiten. 

Op sommige plekken is het water zo diep dat de Amerikanen kopje onder gaan en zich half zwemmend, half lopend richting het strand begeven om zich te hergroeperen, bijna alsof het een oefening is. 

De Duitsers hebben nog geen schot gelost. Ze wachten totdat de Amerikanen op ongeveer 400 meter afstand zijn, met het water tot aan hun knieën.

‘De Amerikanen vochten zich een weg uit het water, met hun wapens en rugzakken door de krachtige, koude branding – langzaam en totaal onbeschut. Het leek wel een kudde schapen die naar het slachthuis werd geleid,’ zegt Severloh later over wat hij zag.

Vanuit hun bunker hogerop in de duinen volgen de korporaal en zijn collega’s het merkwaardige schouwspel. 

Severlohs vingers jeuken en hij wil niets liever dan de trekker overhalen van zijn MG42, een machinegeweer dat 1200 schoten per minuut kan afvuren en dat de Duitsers ‘Hitlers cirkelzaag’ noemen.

‘Mijn God. Die arme stakkers,’ mompelt Bernhard Frerking, de bevelhebber van Severloh, als hij ziet dat de vijand de 400-metergrens bereikt.

Niet veel later wordt in alle bunkers en stellingen langs de kust van Omaha Beach hetzelfde commando gegeven: 

‘LOS! Open het vuur! De vijand moet vernietigd worden.’

Omaha wordt één groot bloedbad

Meteen openen de loodzware machine geweren, mortieren en kanonnen langs het strand het vuur – de weerloze Amerikanen worden aan flarden geschoten. 

Al gauw is het strand bezaaid met afgerukte ledematen. De landingsboten worden met zo veel geweld tot zinken gebracht dat stukken hout en metaal als pijlen door de lucht vliegen. 

Severloh maait met zijn machinegeweer van links naar rechts: ‘Ik zag het water opspatten waar de kogels de zee troffen. 

Zodra de kleine fonteintjes dichterbij kwamen, lieten de soldaten zich vallen. Na een paar minuten was iedereen in paniek.’

De korporaal ziet hoe de Amerikanen wanhopig proberen om op het strand te komen en dekking te zoeken achter de enorme ijzeren hekken (Belgische poorten) en verdedigingsobstakels (Tsjechische egels).

Ondertussen blijven de geallieerde boten steeds meer soldaten uitspuwen.

‘Terwijl de boten dichterbij kwamen, richtte ik me vooral op de boegkleppen. Zodra die opengingen om de infanteristen naar buiten te laten, opende ik het vuur. Soms gebruikte ik mijn karabijn om ontsnapte soldaten neer te schieten. 

Ik weet niet hoeveel ik er heb gedood. Het was vreselijk. Ik word nog steeds misselijk als ik eraan denk. Het water langs de landingsvaartuigen was rood van het bloed,’ vertelt Severloh, die in de jaren na de oorlog de bijnaam ‘het beest van Omaha’ krijgt.

Niet ver van de bunker van de korporaal zit Franz Gockel met zijn vinger aan de trekker van zijn Poolse machinegeweer.

De 18-jarige is de eerste schok van het vijandelijke bombardement te boven gekomen. En nu is het tijd geworden om keihard terug te slaan. 

Heel af en toe moet hij het geweer laten rusten om het af te laten koelen, en om het bloedbad op zich te laten inwerken: ‘Het hele strand lag vol met lijken. Er kwamen er steeds meer bij. Het was niet te bevatten.’

De niet aflatende stroom soldaten gaf aan over hoeveel manschappen de geallieerden beschikten. 

Aanvankelijk kwamen er ook amfibietanks en bulldozers het strand op rijden, die een stortvloed aan zand en water opwierpen om de infanteristen de mogelijkheid te geven dekking te zoeken.

Om ongeveer 10.30 uur hadden tienduizenden infanteristen de dijken langs het strand bereikt. Severloh en Gockel zien hoe de vijandelijke landingstroepen, met steun van torpedobootjagers en Sherman-tanks, het Duitse mijnenveld doorkruisen en naar de voet van de klippen rennen. 

Op datzelfde moment komen de twee Duitsers tot de conclusie dat ze bijna door al hun munitie heen zijn. En dan worden ze pas echt bang.

Winter verstijft van schrik

Pantserkorporaal Gustav Winter en zijn Tsjechische adjudant komen pas in actie als ze het geluid horen van een geallieerde Sherman-tank die een lage duin probeert te beklimmen. 

Hij ziet in zijn vizier dat een paar Duitsers uit de duinpannen proberen te vluchten. Dan hoort hij plotseling een enorme  dreun. 

De Duitsers worden getroffen door een granaat. Overal ligt bloed.

‘Verschrikkelijk. Zo wil ik niet doodgaan,’ denkt de pantserkorporaal. En dan ziet hij dat de Sherman-tank de top van de duin heeft bereikt.

‘Ik schrok enorm. Ik had nooit gedacht dat de geallieerde troepen verder zouden komen dan het strand. Meteen begon ik op de tank te schieten. Het was een makkelijk doelwit. Hij reed recht op me af en had een grote, witte ster op de voorkant,’ zegt Winter, die tot zijn verbazing ziet dat zijn granaat van de tank afketst en een stuk verderop ontploft.

De Amerikaanse tank reageert direct met een salvo. Eerst wordt de loop van Winters kanon aan stukken gereten en vervolgens doorboren de kogels de borstkas van zijn adjudant. Omdat de Tsjech ze heeft opgevangen, minderen de kogels vaart en kunnen ze niet heen en weer ketsen in de Duitse bunker.

‘Die arme knul, die nog een heel leven voor zich had, heeft dus eigenlijk mijn leven gered. Hij was op slag dood en viel naast me neer. Het was een nachtmerrie,’ aldus Winter jaren later.

De Duitse pantserkorporaal ziet nog meer tanks en infanteristen over de duinen komen en weet dat hij als de bliksem uit de kleine bunker moet zien te komen. 

Eén Amerikaanse soldaat heeft een vlammenwerper, die hij richt op een antitankstelling op slechts 100 meter van Winter vandaan. 

Een enorme vuurbal verandert het kanon en de aanwezige soldaten in een grote brandstapel.

Winter kruipt door een luikje boven in de bunker en valt achter het betonnen gebouw op de grond. 

Tot zijn schrik ziet hij dat de duinen die hij zo goed kent vol liggen met kraters, lijken en afgerukte ledematen – overal hangen rook en stof.

‘Dat zand was de hel. Echt de hel,’ herinnert hij zich.

De pantserkorporaal heeft alle hoop verloren. Geknakt gaat hij zitten en ziet de Amerikanen voorbijrennen.

Pas na een hele tijd ziet iemand de Duitser zitten en slaat hem instinctief met zijn geweer tegen het hoofd.

‘Hij had een bajonet op zijn geweer en was van plan om mij neer te steken, denk ik, toen hij werd afgeleid door een explosie ergens in de buurt,’ weet Winter zich te herinneren.

Het valt Winter op dat de kleding van de vijandelijke soldaten die de omgeving uitkammen vaak nat is – ze zijn blijkbaar nog steeds druk bezig om de doorgang vanaf het strand veilig te stellen.

Dan krijgt een andere soldaat Winter in het oog. Hij wijst naar het strand en geeft hem een harde trap zodat de korporaal de duin afrolt.

Onder aan de duin wordt hij opgepakt door een groep andere soldaten die hem handboeien omdoen en bij een stel Duitse krijgsgevangenen zetten.

Hier dwaalt zijn blik van het strand, waar de lichamen van gesneuvelde Amerikanen aan land spoelen, naar de verkoolde lijken van Duitse soldaten onder aan de voet van de rotsen.

Een beeld dat Winter nooit zal vergeten: ‘Niemand zei iets. We zaten daar maar, te kijken. Wat wij zagen, dat raak je nooit meer kwijt.’

Gockel en Severloh ontvluchten strand

Rond 13.00 uur hadden de Amerikanen meer dan 19.000 soldaten aan land gezet en waren bulldozers bezig de weg vrij te maken voor de tanks. 

Maar terwijl de vijand langzaam het oostelijke deel van Omaha inneemt, zit Gockel nog steeds te wachten in zijn kleine bunker, slechts een kilometer verderop.

Het machinegeweer van de jonge Duitser is door een granaat verwoest, dus hij heeft alleen zijn karabijn nog. Ineens merkt hij een scherpe pijn in de hand waarmee hij zijn geweer vasthoudt. 

Hij kijkt wat er is en ziet dat twee van zijn vingers alleen nog met enkele pezen aan zijn hand vastzitten, en dat het bloed eruit stroomt.

‘Nou zeg, dat is geluk hebben! Met zo’n wond mag je zeker terug naar huis,’ zegt een kameraad nadat Gockel naar de compagniebunker is gerend.

Zodra de wond aan zijn hand verzorgd is, mag de soldaat ook inderdaad het front verlaten. Hij vermijdt de grote, onverharde landweg, uit angst om er Amerikanen tegen te komen, en loopt stilletjes over binnenweggetjes en paden totdat hij op een ambulance stuit.

Terwijl de wagen richting het veldhospitaal van Balleroy rijdt, 15 kilometer van de kust, ziet Gockel hoe het landschap kapotgebombardeerd is door de geallieerde vliegtuigen.

‘Er lagen overal dode koeien en ook de hulptroepen hadden zware verliezen geleden,’ herinnert Gockel zich.

Ze moeten regelmatig stoppen omdat uitgebrande Duitse vrachtwagens de weg versperren, terwijl de berm bezaaid is met dode en halfdode Duitsers. 

Het is een deprimerend gezicht, maar Gockel troost zich met de gedachte dat hij spoedig weer terug naar huis mag.

Maar voor Heinrich Severloh is Duitsland verder weg dan ooit als hij rond 14.30 uur merkt dat hij door zijn allerlaatste munitie heen is. 

In plaats daarvan vult hij zijn MG42 met lichtkogels. Die zijn net zo dodelijk als gewone kogels, maar het nadeel is dat ze een spoor van licht achterlaten en dus de locatie van de Duitser verraden als hij ze afvuurt.

Binnen 10 minuten wordt Severloh liefst vier keer achterovergeworpen door krachtige granaten die vlak bij zijn bunker inslaan en zijn longen vullen met een dichte rook.

Het lawaai doet zijn oren tuiten, zodat hij amper kan horen wat er om hem heen gebeurt. Maar hij en zijn kameraden in de bunker weten dat dit hun laatste kans is om te ontsnappen.

Severloh sprint voorovergebogen van granaatkrater naar granaatkrater, waar hij zich steeds even kan verschuilen.

Hij wacht een paar minuten op zijn vrienden uit de bunker, maar slechts één van hen komt opdagen – de anderen, onder wie ook Severlohs goede vriend luitenant Bernhard Frerking, zijn neergeschoten door de vijand.

Ook al doet elke spier in zijn lichaam pijn en is hij gewond aan zijn gezicht, hij en zijn kameraad moeten maken dat ze wegkomen. Tijdens hun vijf kilometer lange vlucht naar het hoofdkwartier van het bataljon in Colleville moeten ze vaak van koers veranderen om de oprukkende Amerikaanse troepen te ontlopen.

Na veel omzwervingen bereiken ze uiteindelijk het hoofdkwartier, waar een verpleger de wond in het gezicht van Severloh behandelt. Alles lijkt verloren, maar dan hoort de korporaal een gesprek tussen twee officieren en krijgt hij weer wat hoop.

‘We wachten op de tanks. En dan dringen we de Amerikanen weer terug de zee in,’ zegt een van hen.

De geallieerden bouwden havens om na D-day manschappen en materiaal aan land te brengen.

© Getty Images

Amerikanen bijten zich vast

Maar de officieren en Severloh weten niet hoe ernstig de situatie is – ook voor de Duitse pantsereenheden die de hele middag proberen om het offensief te doorbreken. 

Amerikaanse parachutisten hebben de meeste wegen en bruggen onder controle en de Duitse tanks worden vernietigd door vliegtuigen en boten van de geallieerden.

De meeste Duitsers verliezen het laatste beetje geloof in de overwinning tijdens ‘de langste dag’, zoals Rommel 6 juni 1944 noemt. 

De geallieerde troepen richten bruggenhoofden op langs alle vijf de landingsstranden, soms wel acht kilometer landinwaarts. Een Duitse officier schrijft diezelfde avond nog aan Erwin Rommel dat ‘de vijand zowat één tank per minuut’ aan land brengt. 

Uiteindelijk beseffen Rommel en zijn generaals dat de vijand zich goed heeft vastgebeten.

Nog diezelfde 6 juni wordt ook Colleville ingenomen. Samen met enkele landgenoten is Heinrich Severloh gevlucht voordat de Sherman-tanks met hun witte sterren het dorp binnenrollen. 

Ze vertrekken in het holst van de nacht, op zoek naar andere Duitse troepen. Als ze na een paar kilometer een vlakte moeten doorkruisen, worden ze onder vuur genomen door mitrailleurs. Ze proberen zich te verstoppen in een kuil.

‘Toen begrepen we dat we de oor­log eigenlijk al hadden verloren. We waren moe en uitgeput, we hadden te weinig wapens en nog minder hoop, en we waren omsingeld door de vijand, ergens in een natte kuil aan het einde van de wereld,’ schrijft Severloh later.

Diezelfde nacht dringt het pas echt tot hem door: ‘Hadden die oorlog en alle persoonlijke offers en enorme verliezen dan geen enkel nut gehad? Ik dacht aan Frerking en voelde hoe de tranen langs mijn opgezwollen gezicht naar beneden rolden. Het was afgelopen.’

Als de zon de volgende dag opkomt, komen Severloh en zijn vrienden weer overeind. Onbewapend en met de handen in de lucht lopen ze door de natte struiken terug naar de weg, waar ze door Amerikaanse manschappen worden opgewacht. 

Precies 24 uur nadat de invasie is begonnen, is de oorlog voor Severloh eindelijk voorbij.

Elke geallieerde C-47 Skytrain bevatte 16 à 18 soldaten.

© Getty Images

Bekijk ook ...