De Duitsers slapen zo dichtbij dat Clara hun ademhaling kan horen. Zelf moet ze doodstil zijn.

© Montage: Wayne Southwell/Historie & Shutterstock

Joods gezin leefde bij nazi’s onder de vloer

Als Duitsland Polen binnenvalt, moet het 15-jarige joodse meisje Clara onderduiken. Haar gezin verdwijnt letterlijk onder de grond. Door honger, dorst en het risico op ontdekking kan elke dag de laatste zijn.

30 november 2017 door Jannik Petersen

De 15-jarige Clara Schwarz krimpt ineen in het donker als ze het gebons op de deur hoort. 

‘We zijn op zoek naar joden,’ roept een schelle stem in het Duits. 

Clara beeft van angst, want haar ergste nachtmerrie is uitgekomen: Duitse soldaten hebben het huis omsingeld, en ze staan op het punt het uit te kammen. 

Slechts geluk kan Clara en de 10 andere joden die onder de vloer bij het echtpaar Beck verstopt zitten, nog redden.

Clara hoort de deur opengaan. Ala, de 18-jarige dochter van de Becks, vraagt: ‘Wat kunnen we voor u doen?’

‘We zoeken joden. We weten dat ze er zijn.’

‘Joden? Hier? Weten jullie niet wie mijn vader is? Hij veracht joden. Ga naar willekeurig welke kroeg in de stad en vraag ze maar eens hoe Beck over joden denkt!’ zegt Ala. 

‘Je hebt één kans om dit te overleven. Waar zijn de joden?’ zegt de soldaat ijzig. 

‘Goed dan, goed dan, ik ben een jodin. Kunt u mij niet meenemen?’ vraagt Ala lachend. 

Het angstzweet druipt Clara van het voorhoofd. Ze kan haar oren niet geloven. Ala maakt grapjes met de nazi’s, al weet ze donders goed dat op het verbergen van joden in huis de doodstraf staat.

Mevrouw Beck is ook naar de voordeur gekomen. Ze verontschuldigt zich voor haar brutale dochter.

‘O mama, we krijgen immers nooit bezoek en ik maakte maar wat grapjes met onze gasten.

Maar waarom zouden ze denken dat een gezagsgetrouwe Volksduitse familie joden zou verbergen?’ vraagt Ala, en ze begint een lange klaagzang over het zware leven dat de Duitse minderheid in Polen heeft. 

‘De Polen, de Oekraïners – iedereen verlinkt elkaar. 20 jaar geleden koopt iemand een zeug. Die is onvruchtbaar. En nu, 20 jaar later, wordt de verkoper van de onvruchtbare zeug ervan beschuldigd joden te verbergen.’ 

Er klinkt een nieuwe stem. Die is van een jonge Duitser, en de warmte waarmee hij spreekt verraadt dat hij onder de indruk is van Ala’s schoonheid: 

‘Excuseer ons voor het ongemak. We zullen vertrekken. We hebben nog andere rapporteringen te controleren.’

Clara hoort dat de deur dichtgaat. Het meisje kan niet meer op haar benen staan van de spanning, en zakt uitgeput in elkaar. Iedereen in de schuilplaats zwijgt.  

Wil je meer verhalen over de Tweede Wereldoorlog lezen?

Neem een abonnement op Historia! Hier vind je de beste aanbiedingen.

Buren kunnen onderduikers aangeven

Onder de vloerplanken van de slaapkamer van het echtpaar Beck mochten 11 joden een schuilplaats uitgraven. 

Hier zitten Clara, haar ouders en haar jongere zusjeMania samen met twee andere joodse gezinnen: de familie Melman en de familie Patrontasch. 

11 kinderen en volwassenen, die elke dag eten en drinken nodig hebben – terwijl de buren niet mogen merken dat het gezin Beck wel erg veel boodschappen doet. 

De Duitse bezetter betaalt een beloning aan iedereen die joden aangeeft, en hongerige Polen verraden zelfs hun buren.

Twee koude maanden, van december 1942 tot februari 1943, hebben de joden al in de kelder doorgebracht. 

In de straten worden hun geloofsgenoten gedood, terwijl ze zelf met angst, honger en dorst te kampen hebben. 

Deze keer komen ze met de schrik vrij, maar al snel zijn de Duitsers overal: er trekken SS’ers bij de Becks in. 

Nazi’s eisen losgeld

Voordat de oorlog uitbrak, leidden Clara en haar gezin een goed leven in het Oost-Poolse Żółkiew. 

Samen met zijn eveneens joodse compagnons Melman en Patrontasch bezat de vader een molen die plantaardige olie maakte. 

Als Duitsland in 1939 Polen onder de voet loopt, bezet de Sovjet-Unie het oosten van het land, en hierdoor ontsnapt Clara aanvankelijk aan de jodenvervolgingen van de nazi’s.

In juni 1941 valt Hitler de Sovjet-Unie aan en worden de Russen naar het oosten teruggedrongen. Al snel moeten de joden van Żółkiew het ontgelden. 

Ze worden niet meteen afgevoerd en gedood, maar met de dag verslechtert hun situatie. Eerst brandt de SS de synagoge plat en worden de rabbijnen opgepakt. 

De nazi’s vragen een flink bedrag aan losgeld om hen te laten gaan. De joden hebben geen keus: ze zamelen geld in en kopen hen vrij.

Er komen speciale wetten, die de joden onder meer dwingen een armband met de davidsster te dragen. 

Alle joodse bedrijven – dus ook de molen van Clara’s vader – komen in Duitse handen, en de joden moeten maandelijks beschermgeld betalen aan de SS-commandant. 

Als het geld op is, pakken de SS-troepen honderden gezinnen op. 

Ze worden op de trein gezet, die volgens de geruchten stopt bij een kamp waar zwarte rook uit de schoorsteen komt en de stank van verbrande lijken hangt. 

Vluchtelingen vertellen Clara over de getto’s van de nazi’s, waar joden uitgehongerd worden voor ze naar het kamp gaan. 

© Image Asset Management/Age Fotostock

De dood wacht in het getto

Enkele maanden later verordonneert de SS-commandant dat alle joden vóór 1 december 1942 naar het getto in het centrum van Żółkiew moeten verhuizen. 

Clara en haar ouders beseffen dat hiermee hun vonnis is getekend, maar ze kunnen nergens heen. 

Ze gaan op zoek naar een Pool die hen wil verbergen, maar niemand durft. Net als ze de wanhoop nabij zijn, krijgen ze hulp uit onverwachte hoek. 

 Valentin Beck is een dronkenlap die zijn jodenhaat niet onder stoelen of banken steekt. Hij hoort bij de Duitse minderheid in Polen. 

Toch blijkt juist hij bereid om Clara, haar ouders en zusje onderdak te bieden, en ook nog eens de twee andere families. Clara kan haar geluk niet op.

Meteen beginnen de gezinnen een geheime ruimte onder de vloer van het huis van de Melmans uit te graven. 

Terwijl ze bezig zijn vraagt Beck toestemming om het huis over te nemen. De nazi’s hebben al het joodse bezit geconfisqueerd, en op het herhuisvestingsbureau krijgt Beck zonder moeite de benodigde papieren om het huis te mogen betrekken. 

Meneer Melman zit nu onder de vloer van zijn eigen huis, dat met een pennenstreek op een Duits kantoor in handen van Beck gekomen is. 

De schuilplaats is precies zo groot dat er 11 mensen kunnen slapen. Maar niet alle onderduikers kunnen staan, want de ruimte is maar 130 centimeter hoog. 

Het zou geen probleem zijn om dieper te graven, maar ze kunnen de grond nergens kwijt. Als ze die buiten dumpen, is het meteen duidelijk dat er onder het huis gegraven wordt. 

Ze strooien de aarde dan ook uit in de kleine kruipruimte van het huis, maar ook hier moeten ze voorzichtig zijn: mocht iemand ooit in de kruipruimte kijken, dan zal de laag aarde die daar ligt hen alsnog verraden.

De levenslijn van de joden is een verborgen luik in de slaapkamer van de Becks. 

Via deze weg krijgen de onderduikers eten en drinken en kunnen ze de emmer legen waar ze hun behoefte in doen. 

Het luik is gemaakt door de handige meneer Patrontasch en gaat volkomen op in het visgraatparket dat in de slaapkamer ligt. 

Beck is een jodenhater

De drinkebroer Valentin Beck beschikt over het lot van 11 joodse onderduikers, die hij nauwelijks kent. 

De redder van de drie gezinnen heeft niets weg van een held, zo vertrouwt Clara Schwarz haar dagboek toe: 

‘Hij was uitgemergeld, met bloeddoorlopen, lichtblauwe ogen als die van een wolf, en wangen en een neus die bezaaid waren met gesprongen paarse haarvaatjes, zag hij er veel ouder uit dan de 40 die hij was. Hij had grijs haar en een dun sikje; ik vond dat hij eruitzag als de houtsnede op mijn exemplaar van Don Quichot.’

Als geen ander weet Beck Clara en de anderen gerust te stellen, hoewel de situatie zeer hachelijk is: ‘Jullie hoeven je geen zorgen te maken. Beck heeft geluk. Beck heeft altijd geluk,’ zegt hij tegen zijn onderduikers, waarna hij het Duitse wijsje Ende gut, alles gut neuriet. 

Dit wordt de herkenningsmelodie van Beck, waarmee hij aangeeft dat eventuele gevaren voorbij zijn.

Clara vraagt zich elke dag af waarom een zelfverklaard antisemiet niet alleen zijn eigen leven op het spel zet, maar ook dat van zijn vrouw en dochter, om een handvol wildvreemde joden te redden. 

Het antwoord krijgt ze op 25 december 1942, als Beck zijn broer en schoonzus op bezoek krijgt. Na een groot aantal glazen wodka deelt Beck plotseling zijn geheim met zijn broer.

De onderduikers schrikken als ze horen dat hun schuilplaats nu bekend is bij anderen dan het gezin Beck, en dat de broer met afgrijzen reageert op het bericht. 

Hij roept dat Beck de joden niets verschuldigd is, en al helemaal niet iets wat iedereen in het huis het leven kan kosten. 

Een stomdronken Beck schreeuwt hem toe: 

‘In ’39 (...), toen waren die verdomde Sovjets van plan om ons naar Siberië te verschepen, (...) en weet jij wie me uitkocht? Nou, waarde broer van me? Jij, mijn mede-Volksduitser? Nee, het was de jood Melman beneden die die klotecommunisten omkocht! Ik neem afstand van ze! Ik zeg mijn eer vaarwel! Ik heb joden mijn hele leven gehaat. Dat doe ik nog steeds. Waarom? Weet ik veel. Maar het was een jood die mijn waardeloze kloteleven redde.’

Beck vertelt dat het oorspronkelijk een idee van zijn vrouw was om alle drie de gezinnen te helpen. 

Zij had jarenlang als huishoudster bij de joden gewerkt en was, zo schrijft Clara, altijd goed behandeld. 

Daarnaast was mevrouw Beck bevriend met Klara Melman, de zuster van meneer Melman, die nu een van de 11 onderduikers is die zich onder de vloerplanken schuilhouden.

De vriendschap tussen mevrouw Beck en Klara staat echter onder druk. Valentin Beck heeft duidelijk een oogje op de mooie Klara en haalt haar vaak naar boven als zijn vrouw en Ala niet thuis zijn. 

Wat ze dan doen weet Clara niet, maar alle volwassenen in de schuilplaats maken zich er druk over. 

Beck kunnen ze niet terechtwijzen, en Klara weigert erover te praten als ze terugkeert naar de donkere kelder. De andere onderduikers maken zich zorgen wat er gebeurt als mevrouw Beck iets ontdekt. 

‘Brand! Brand!’

Maar dan krijgen de joden dringender zaken aan hun hoofd. Beck meldt dat de Duitsers bezig zijn het getto van Żółkiew te ontruimen. 

Er klinken schoten in de straten en trein na trein met veewagons propvol mensen verlaat het station. 

Enkele joden weten echter aan de vervolgingen te ontkomen, en al snel krijgen de 11 onderduikers in de krappe ruimte gezelschap van zeven anderen. 

Tegen vijf van hen kon Beck geen nee zeggen omdat ze familie zijn van de joden onder zijn vloer, en de laatste twee zijn de rijke apotheker en zijn vrouw, die Beck betaald hebben. 

Van het geld koopt hij eten voor zijn eigen gezin en voor de inmiddels 18 joodse onderduikers in zijn huis.

De schuilplaats wordt iets uitgebreid, waarna meneer Patrontasch hem nauwkeurig opmeet en iedereen precies 35 centimeter toebedeelt om op te slapen.

Op 18 april 1943 wordt Clara wakker van de stank van rook en van mevrouw Beck, die op het luik bonst. Ze roept ‘Brand, brand!’ 

De onderduikers weten zich geen raad: als ze de straat op rennen, worden ze ontdekt en ter plekke doodgeschoten. 

Blijven ze in de kelder, dan zal de rook of het vuur hun fataal worden. De mannen komen naar boven om Beck te helpen emmers met water te vullen, die Beck buiten op het houten huis leeggooit. 

Clara hoort haar vader vertwijfeld roepen als hij door het keukenraam kijkt. Alle huizen aan hun kant van de straat staan in brand. De vlammen slaan uit de ramen en komen helemaal tot aan de daken.

In paniek springt Clara’s zusje van 13 plotseling door het luik en rent naar buiten. Pas als het gevaar geweken is en de brand geblust is, merkt Clara dat Mania de straat op gegaan is. Sindsdien is ze niet meer gezien.

Die avond probeert Beck discreet te informeren naar het lot van het meisje, en vraagt hij buurtgenoten of ze haar zijn huis uit hebben zien rennen. Als dat zo is, lopen hij en alle andere bewoners van het huis groot gevaar.

Als Beck ’s nachts op het luik klopt en de vaders bij zich roept, is zijn gezicht grauw van verdriet. 

Hij vertelt dat het zusje van Clara gezien is door een aantal Poolse schooljongens, die haar hebben verraden aan een stel Duitse SS’ers. 

De nazi’s gingen achter haar aan, pakten haar op, verhoorden haar en schoten haar dood. Beck weet niet of ze over de schuilplaats verteld heeft.

‘Ik ben bang dat ik jullie moet vragen om te vertrekken,’ zegt Beck. Maar een paar uur later bedenkt hij zich en mogen de onderduikers blijven. 

Clara schrijft in haar dagboek: ‘Ik wist nu dat er niet zoiets bestond als een gebroken hart. Het gaat door met kloppen om je te bespotten. (...)’ 

De bittere waarheid over de dood van mijn zusje was dat zelfs terwijl wij baden om haar overleving en hoorden van haar gevangenneming, we ook baden dat ze ons niet zou verraden. Dus onze tranen om mijn zusje waren ook tranen van opluchting.’

De volgende dag wordt het echtpaar Beck verhoord door SS’ers, die gehoord hebben dat Mania hun huis uit rende. 

Maar opnieuw weet Beck de nazi’s ervan te overtuigen dat hij een goede Duitser is die het niet in zijn hoofd zou halen om joden te verbergen.  

Strenge regels moesten levens redden

Elke dag in de kelder kon de laatste zijn van de drie joodse gezinnen. Elk geluidje kon hun schuilplaats verraden. 

In haar dagboek schreef Clara: ‘Om een ramp te voorkomen stelden de volwassenen een reglement op dat ervoor moest zorgen dat het in de kelder altijd doodstil zou zijn.’

Het kelderreglement: 

  • Alleen meneer Patrontasch mag het luik openen en sluiten. Hij kan dat geruisloos.
  • Privacy en eigendom zijn verleden tijd. De toiletemmer staat in de kelderruimte en daar zullen we aan moeten wennen.
  • Wees beleefd. Spreek met twee woorden.
  • Er wordt niet geklaagd.
  • Elk gezin is verantwoordelijk voor zijn eigen eten en drinken.
  • Niemand spreekt, tenzij het strikt noodzakelijk is.

Beck bedriegt zijn vrouw

Als het zomer wordt, wordt de hitte in de schuilplaats ondraaglijk. 

Clara probeert te tijd te doden door de kleinste kinderen les te geven, in haar dagboek te schrijven en de sokken van Duitse soldaten te stoppen, waar mevrouw Beck geld voor krijgt. Maar dan dient de volgende ramp zich aan.

Beck heeft voor de zoveelste keer Klara Melman naar boven laten komen terwijl zijn vrouw naar de kerk is. Plotseling hoort Clara voetstappen bij de voordeur.

‘Ik ben het maar. Ik was mijn handtas vergeten. Ik was in de kerk en had geen kleingeld voor de collecte,’ roept mevrouw Beck opgewekt.

De onderduikers houden hun adem in en tellen de vijf stappen van de voordeur naar de slaapkamer.

‘Schoft! Schoft! En jij! Ik wil geen slang onder mijn dak! Ga weg! Ga uit mijn ogen!’ brult mevrouw Beck met tranen van woede in haar ogen. 

Met een verfomfaaide jurk klimt Klara Melman door het luik, en zonder iemand aan te kijken zoekt ze haar slaapplaats in de hoek op.

Boven draait mevrouw Beck volledig door en vervloekt alle joden die onder haar vloer wonen: ‘Gooi haar eruit! Gooi ze er allemaal uit! Allemaal! roept ze. 

Er wordt een spiegel tegen de muur gegooid. Dan hoort Clara het geluid van een vuistslag en een lichaam dat op de grond valt.

Na een paar minuten komt mevrouw Beck weer bij. Een paar uur later pakt ze haar koffer en vertrekt ze, samen met Ala. 

De verzorger van de onderduikers is weg – hun leven ligt nu in handen van een zuiplap die bijna nooit thuis is. 

De onzekerheid vreet aan hen, en drie slapeloze nachten lang vraagt Clara zich af wat er zou gebeuren als de hele familie Beck het huis verlaat. 

Er volgen drie dagen van honger en dorst. Niemand zegt iets, iedereen ligt apathisch af te wachten.

Dan gaat de voordeur open en klinken de herkenbare voetstappen van mevrouw Beck. Ze klopt op het luik en laat een emmer met appels en water zakken. 

De joden slaken een zucht van verlichting, en Clara schrijft warme woorden over mevrouw Beck in haar dagboek: 

‘Zij was onze rots in de branding. (...) Maar Julia Beck, onaantrekkelijk, eenvoudig, met aan misvorming grenzende artritis, vroeg oud en veracht door haar eigen man, was de sterkste van ons allemaal.’

’s Avonds bereidt mevrouw Beck een verzoeningsmaal voor haar man en nodigt ze Clara bij zich in de keuken uit. 

Beck komt dronken binnenwaggelen met een hand vol lelies en een bontjas. 

Clara maakt aanstalten om naar de kelder te gaan, maar Valentin Beck wuift naar haar en mompelt: ‘Nee, nee. Blijf zitten ... Ik heb misschien wat bescherming nodig.’

‘Dat hangt ervan af voor wie de lelies zijn,’ antwoordt mevrouw Beck gevat. Beck overhandigt haar de jas en de bloemen en kust haar op de wang.

Hij vertelt dat hij de bontjas gekocht heeft via zijn connecties in het nazibestuur van de stad. Hij is gemaakt door de beste bontwerker van de stad, die hele huiden gebruikt heeft in plaats van kleine stukjes. 

Terwijl hij opschept, pakt hij de jas en wuift hij hem heen en weer voor de ogen van mevrouw Beck. Plotseling vinden zijn vingers twee gaatjes in de achterkant van de jas. 

Beck begint te schelden: ‘Die schoft! Ik vertelde hem dat het een cadeau voor jou was. Denk je dat ik jou een jas met kogelgaten zou geven? Denk je dat ik niet weet hoe die erin zijn gekomen?’ 

Mevrouw Beck stelt haar man gerust. 

Ze zegt dat ze de jas prachtig vindt en dat ze wel iemand zal vinden die de gaten kan stoppen. De rust keert weer in huize Beck. 

Kinderen mogen niet huilen

December 1943 brengt geen vreedzame kerstsfeer, maar meer stress. Clara zit nu al een jaar in de donkere kelder, en zoals de oorlog nu verloopt, schat Beck in dat de onderduikers er nog wel een jaar zullen zitten. 

Nog een jaar met de onberekenbare Beck. Nog een jaar waarin ze moeten hopen dat mevrouw Beck bij haar man zal blijven, die haar nu bedriegt met zijn schoonzus in de stad. 

Nog een jaar waarin het minste geluid de schuilplaats kan verraden en de joden allemaal het leven kan kosten.

Na nieuwjaar komen er twee Duitse spoorwegbeambten in het huis wonen. De nazi’s beschouwen Beck als een loyale Duitser en brengen belangrijke personen bij hem onder.

Opeens wordt het risico dat de onderduikers verraden worden door geluiden of luchtjes torenhoog. 

De volwassenen vragen zich op zachte toon af of ze niet beter meteen collectief zelfmoord kunnen plegen om zich de vernederingen en de martelgang te besparen. 

De apotheker speelt met de gifcapsule die hij altijd aan een ketting om zijn nek draagt. Beck probeert hen gerust te stellen. 

Hij zegt dat het zelfs gunstig kan zijn als er Duitsers in huis wonen: ‘We hadden niet veel keus. Maar ik denk niet dat dit zo’n slechte zaak is. 

We zullen veiliger zijn. Wie zou ooit kunnen denken dat jullie hier zijn, met spoorwegbeambten die recht boven jullie wonen!’ 

Maar het verblijf in de kelder wordt ondraaglijk als de Duitsers er eenmaal zijn. 

De mannen zijn soms dagenlang achtereen thuis, en pas als ze weg zijn, kan Beck water en eten aanvoeren en kan Patrontasch naar boven komen om de emmer in het toilet te legen.

Op een avond geeft Beck een feestje voor de spoorweg-beambten en zijn nazivrienden in de stad. De wodka vloeit rijkelijk, en Clara luistert mee met de gesprekken.

‘Moge God ons bijstaan als de oorlog voorbij is en de joden wraak nemen,’ zegt iemand.

‘Niet als wij ze eerst te pakken krijgen,’ zegt een van de spoorlui grijnzend. Zijn harde lach maakt een van de kleine kinderen in de kelder aan het schrikken.

Het kind begint te huilen – zo hard dat mevrouw Beck naar het luik komt en fluistert: ‘Ik kan haar horen.’ Uit wanhoop drukt iemand een kussen over het gezicht van het meisje. 

Het kind spartelt hevig tegen, maar ze ligt uiteindelijk stil. Als het kussen weggetrokken wordt, is ze blauw aangelopen. Dan opent ze gelukkig haar ogen weer.  

Speciale SS-eenheden doodden duizenden joden.

© AKG Images

SS komt bij Beck wonen

In april 1944 hebben de joden geleerd met de situatie om te gaan en legen ze hun toiletemmer, koken ze hun aardappelen en brengen ze hun voorraden naar beneden zodra de twee beambten ook maar even weg zijn. 

Maar op een dag stampen zes paar laarzen het huis binnen. Clara hoort Duitse stemmen en denkt meteen dat er een razzia gaande is. 

De nazi’s komen, het is voorbij. Korte tijd later klopt een ongewoon bleke Beck op het luik: ‘Het zijn SS’ers. (...) Ze vertelden me dat ze autopech hadden en dat ze moesten wachten op onderdelen.’

De SS’ers betrekken dezelfde kamer als de machinisten. Nu is het vrijwel onmogelijk om de toiletemmer vaak genoeg te legen. 

Beck geeft de onderduikers er drie bij, maar dat helpt niet. De stank dreigt hen te verraden. De joden besluiten om ’s nachts wakker te blijven, zodat de Duitsers hun zware ademhaling en gesnurk niet horen als ze in bed liggen en het doodstil is in huis. 

Ze slapen alleen overdag, waarbij iemand steeds toezicht houdt op de onderduikers die geneigd zijn te snurken.

Het echtpaar Beck heeft de grootste moeite om genoeg voedsel te vinden voor de joden. 

En als ze eens geluk hebben en iets eetbaars vinden, is het bijna ondoenlijk om het bij de hongerige onderduikers te krijgen.  

Patrontasch wordt gezien

Het voorjaar brengt echter ook wat goed nieuws: het Rode Leger komt snel dichterbij vanuit het oosten. 

Het front tussen de Russen en de Duitsers ligt nog maar 150 kilometer van Żółkiew. En na zes dagen reizen de SS’ers door en zijn alleen nog de spoorwegbeambten over.

Dat betekent echter niet dat de omstandigheden in de kelder er beter op worden. 

Vanwege de aanhoudende bombardementen in het gebied rijden er geen treinen meer, en de gasten liggen de hele dag op bed. In de schuilplaats dreigt een sanitaire catastrofe. 

Beck moet midden in de nacht het luik openen zodat Patrontasch naar boven kan komen om de emmers te legen terwijl de spoorwegbeambten liggen te slapen.

In zijn ondergoed en op zijn sokken sluipt het kleine, kromme mannetje naar de wc en begint de emmers leeg te gieten. 

Maar vanwege het geluid heeft een van de beambten aandrang gekregen om te plassen, en ineens gaat de deur van de kamer van de Duitsers open en verschijnt er een slaapdronken gestalte in de deuropening.

Meneer Patrontasch ontvlucht het toilet en staat naast het bed van de Becks, dat het luik in de vloer afschermt. 

De machinist kijkt in de richting van het bed, maar hij sjokt door naar de wc. Patrontasch springt het gat in en sluit het luik geruisloos. Een paar tellen later barst de hel los in het huis. 

De spoorwegbeambte rent als een kip zonder kop rond en roept: ‘Ik zweer dat ik hem gezien heb. Hier, midden in de slaapkamer!’

Dan klinkt de opgewonden stem van mevrouw Beck: ‘Een dief – het moet een dief zijn geweest.’ 

Mevrouw Beck trekt een kastdeur open en roept: ‘Ik had een paar zilveren kandelaars, uit mijn bruidsschat ...’

Clara hoort dat de inmiddels klaarwakkere spoorwegbeambte recht op het luik is gaan liggen om onder het bed te kijken. 

Dan komt hij overeind en herhaalt: ‘Ik zweer dat ik hem zag. Hij stond daar. Hij was klein. Donker haar. Donkere ogen. 

Met alleen een onderhemd aan.’ Dan rent de man haastig het huis uit om de politie van het dichtstbijzijnde bureau erbij te halen.

‘15 maanden in dit gat. Om nu te sterven nu de Russen in Tarnopol waren,’ denkt Clara.

De agenten kammen het huis uit, maar gelukkig zijn ze niet op zoek naar een schuilplaats voor onderduikers, maar naar een verstoorde inbreker die zich wellicht in een kast verstopt heeft of de achterdeur uit gerend is.

‘Je zou denken dat mensen die de dood zo vaak in de ogen gekeken hebben als wij, er wel aan wennen. 

Maar niets is minder waar: hoe meer we in levensgevaar verkeren, hoe banger we worden,’ schrijft Clara.  

Granaten vallen op het huis

Al snel komen er vier Duitse soldaten in het huis wonen. Ze horen bij een eenheid die de aftocht van de Duitsers uit Żółkiew moet voorbereiden. 

Hoewel ze het leven van de joden onder de vloer moeilijk maken, geeft hun aanwezigheid ook nieuwe hoop. Het is een teken dat de oorlog op zijn einde loopt.

Op een nacht als mevrouw Beck alleen thuis is, wordt er plotseling hard op de deur gebonsd.

De Oekraïense politie, die samenwerkt met de nazi’s, stormt naar binnen. Mevrouw Beck staat snel op, maar de agenten zijn al in de kolenkelder om naar verborgen ruimtes te zoeken.

‘Joden! Joden! Waar zijn de joden? Vertel het ons en we laten je leven. Poolse hoer! Iedereen weet dat ze er zijn. We weten hoeveel! Je hebt 14 joden! De hele stad weet ervan!’ De onderduikers houden hun hart vast.

De agenten stampen rond in het huis, terwijl het stof op de hoofden van de joden onder de vloer neerdaalt. 

Dan klinkt de stem van een Duitser: 

‘Zwijn! Hoe durf je een huis te doorzoeken waar Duitse soldaten wonen?’ 

Het is een van de soldaten die in het huis ingekwartierd zijn. 

De Oekraïners staken hun razzia onder gevloek en gescheld, en Clara noteert triomfantelijk in haar dagboek: 

‘Beck had gelijk. Met een stel Duitsers in huis zou je nooit denken dat er 18 joden onder de vloer verstopt zitten.’

In juli 1944 komt het front vlakbij Żółkiew. Als het Russische granaten begint te regenen, pakken de Duitse transporttroepen en beambten hun biezen. 

Drie dagen lang trilt het huis op z’n grondvesten. Er staat een Duitse artilleriestelling in de buurt, die de Russen telkens proberen te raken. 

Een van de muren van het huis stort in, en de Becks zoeken hun toevlucht bij de joden in de schuilplaats onder de vloer.

Als het vuren eindelijk ophoudt, gaat Beck naar buiten om te kijken of de Duitsers weg zijn. Korte tijd later komt hij terug en klopt hij op het luik in de vloer: 

‘De Russen zijn er!’ zegt hij. Dolgelukkig komen Clara en de anderen uit de kelder tevoorschijn.

Buiten liggen dode Duitse soldaten langs de wegen, en de Russen marcheren erlangs. 

Clara geniet van de zon en kijkt de andere onderduikers aan: 

‘Maar hier buiten in het zonlicht zag ik hoe dicht we de dood genaderd waren. Onze huid was doorschijnend en hing om ons heen als loszittende kleding. We waren skeletten met longen en een hart, niet veel meer.’


Na de oorlog werd Żółkiew een onderdeel van de Sovjetrepubliek Oekraïne, waar de jodenhaat nog springlevend was. Clara en haar familie vertrokken en kwamen in de VS terecht. Daar woont ze nog steeds met haar gezin. 

Lees ook

 Clara Kramer: Clara’s oorlog, Uitgeverij De Arbeiderspers, 2010.

Bekijk ook ...