De VS is aan de winnende hand in Azië, maar de fanatieke Japanse legertop weigert de realiteit te aanvaarden. Om het keizerrijk op de knieën te dwingen gaan de Amerikanen opzettelijk burgerdoelen bombarderen.
© Roy Cross

Genadeloos bombardement zette Tokio in brand

In de avond van 9 maart 1945 naderen 334 Amerikaanse bommenwerpers Tokio. Al snel regent het napalm in de Japanse hoofdstad en zijn de straten één grote vlammenzee. Rivieren koken, staal smelt en mensen verkolen binnen een paar seconden tijdens het dodelijkste bombardement aller tijden.

15 december 2016
Bommenrichter Joe Krogman kwam meestal de dag wel door als hij zichzelf als een dode zag. 


Dat hield de angst weg en de moed erin. Maar deze missie was anders. De doorgaans zo vrolijke boerenknecht uit Iowa in het Middenwesten zag het somber in.

‘Wat een idioot,’ mopperde hij. Zijn enigszins nasale stem was via de intercom te horen in de hele Lady Annabelle, een enorme B-29-bommenwerper.

‘Wat een idioot,’ herhaalde Krogman terwijl de bemanning zich opmaakte om op te stijgen vanaf het eiland Tinian.

‘Over wie heeft hij het?’ vroeg een ander lid van de bemanning.
‘LeMay,’ antwoordde de kapitein. 

Nieuwe tactiek zaait angst

Generaal-majoor Curtis LeMay was het brein achter de missie, die de codenaam Meetinghouse had. 334 blinkende B-29-bommenwerpers zouden in de avond van 9 maart 1945 opstijgen vanaf de eilanden Tinian, Guam en Saipan in de Stille Oceaan en koers zetten naar Tokio, de hoofdstad van de Japanse keizer.

De tactiek verschilde sterk van die van vorige aanvallen. De B-29’s zouden geen gewone bommen afwerpen, maar een tapijt van napalmbommen leggen. 

En ze bleven niet op 9 kilometer hoogte zoals anders, maar moesten laag over de stad en het afweergeschut vliegen. Voor de bommenrichter Krogman en zijn kameraden aan boord stond het gelijk aan een zelfmoordmissie.

‘Wat een idioot,’ riep hij nogmaals.

Die ochtend had het gegonsd van de geruchten onder de B-29-bemanningen op de drie eilanden, en in de briefing aan het begin van de middag waren hun ergste vermoedens bevestigd. 

De B-29’s zouden op slechts 900 meter hoogte over de stad vliegen, waar ze kwetsbaar waren voor het luchtafweergeschut en Japanse jagers, die normaal gesproken de grootste moeite hadden om de kruishoogte van de toestellen te bereiken. 

Bovendien zouden de bommenwerpers individueel aanvallen in plaats van in formatie, en alsof dat nog niet erg genoeg was zou het bombardement rond middernacht plaatsvinden, terwijl de bommenrichters niet getraind hadden in het donker.

De piloten kregen te horen dat ze geen machinekanonnen, munitie en schutters mee mochten nemen, zodat er nog meer plek was voor bommen.
Dat laatste bevel sloeg de kapitein van de Lady Annabelle, Percy Usher Tucker, gewoon in de wind. 


Daarom zat boordschutter John R. Dodd op zijn plaats bij de mitrailleur rechts in het midden. Hij beefde van angst toen de vier propellers op volle toeren draaiden aan het begin van de startbaan.

‘Ik kan het niet,’ zei Dodd hardop in zijn microfoon.

‘Ik kan het niet,’ herhaalde hij terwijl hij zijn rozenkrans stevig vasthield.

‘Wat een idioot,’ zei Krogman.

‘Radiodiscipline!’ zei kapitein Tucker streng. Het motorlawaai overstemde het intercomverkeer, en het bakbeest steeg op richting Japan. 

De ene na de andere bommenwerper volgde en koos dezelfde koers. Stuk voor stuk hadden ze meer dan 1500 brandbommen met napalm in het laadruim.

Terwijl de Amerikaanse vliegtuigen Tokio naderden, stoeide het Japanse schoolmeisje Kazuyo Funato wat met haar broers in hun huis in een wijk van Tokio. Voor het eerst in lange tijd was het gezin van de apothekersdochter compleet. 


Kazuyo had een tijdlang als evacuee op het platteland gezeten, maar nu was ze naar huis gestuurd, en haar broers hadden verlof van het leger en de arbeidsdienst. 

In de loop van de avond stak er een bries op uit het noorden, die aantrok tot orkaankracht. De wind rukte aan de deuren, maar binnen was het warm en gezellig.

‘We waren opgewonden en blij,’ schreef Kazuyo Funato vele jaren later.

Het gezin ging vroeg naar bed vanwege de verduistering, maar was niet bang voor Amerikaanse bommen, want die vielen doorgaans overdag. En tot nu toe waren er nog geen 1300 doden gevallen bij luchtaanvallen op Tokio. 

De bemanningsleden van de B-29’s die naar Tokio moesten spraken van een zelfmoordmissie.
© Getty Images

Een Japanner geeft niet op

Op Guam, iets ten noorden van Tinian, stond generaal-majoor Curtis LeMay met zijn onafscheidelijke sigaar tussen zijn kiezen te kijken naar de opstijgende bommenwerpers. 


Toen de laatste B-29 was vertrokken, ging hij naar zijn hoofdkwartier om af te wachten. De officier besefte dat de operatie een enorme gok was, die zijn beste mannen het leven kon kosten en hemzelf zijn baan.

Curtis LeMay had de leiding over de Amerikaanse bombardementen op Japan overgenomen op een moment dat de campagne in het slop zat. 

Sinds de Slag bij Midway in juni 1942 was de VS weliswaar aan de winnende hand, maar de fanatieke generaals aan het hoofd van het snel slinkende Japanse keizerrijk wisten van geen opgeven.


De Amerikanen moesten een zwaar gevecht leveren om elk eilandje in de Stille Oceaan, en generaals als Curtis LeMay gruwden bij het vooruitzicht van een moeizame, bloedige invasie van de Japanse hoofdeilanden. Dan konden er wel een half miljoen doden vallen.


Met hun imposante vlieghoogte en ongekend grote bereik hadden de B-29’s de doorslag moeten geven. 

Ze moesten de Japanse oorlogsindustrie lamleggen, de strijdlust van het regime breken en het einde van de oorlog bespoedigen. 

De bommen troffen echter zelden doel. Men wist destijds nog weinig over de straalstromen boven Japan, en daarom werden de grote vliegtuigen en hun bommen telkens uit koers geblazen.

Er waren dus drastische maatregelen nodig, en het plan van LeMay paste in die strategie: hij wilde de perfecte vuurstorm creëren boven Tokio.

In 1940 hadden de geallieerden voor het eerst de enorme vernietigende kracht van brandbommen ondervonden toen bijna 450 toestellen van de Duitse Luftwaffe de Britse stad Coventry met behulp van 30.000 brandbommen in vuur en vlam zetten.

De wraak volgde in 1943, toen meer dan 700 geallieerde bommenwerpers Hamburg in brand staken. Er kwamen 45.000 Duitse burgers om in de allesverzengende vuurzee.


De geallieerden vielen bewust burgerdoelen aan om het Duitse moreel te breken, met als dieptepunt het verwoestende bombardement op Dresden in februari 1945.

Curtis LeMay experimenteerde op dat moment ook met brandbommen op Japan, en slechts 10 dagen na de aanval op Dresden stuurde hij een squadron B-29’s naar Tokio met 411 ton van de nieuwe M-69-brandbommen aan boord.


Het resultaat overtuigde LeMay ervan dat bommen met napalm dé manier waren om Japan klein te krijgen. 2,5 km² van de stad brandde af, en 28.000 gebouwen werden verwoest.

Voor de aanval van 9 maart verdubbelde LeMay het aantal vliegtuigen, en de B-29’s namen vier keer zo veel bommen mee.

Waarschuwing wordt niet gehoord

Toen de bommenwerpers de Japanse kust naderden, maakten de mannen zich op voor de aanval. 


Ze trokken hun scherfwerende vest aan om zich tegen het gevreesde luchtafweergeschut te beschermen. En sommigen zetten een helm op, hoewel dat de communicatie via de intercom bemoeilijkte.


Even buiten de kust vingen Japanse vaartuigen het gebrom van de zware vliegtuigmotoren op, maar hun waarschuwingen bereikten het vasteland niet vanwege de storm en de gebrekkige communicatielijnen. Ondertussen glinsterden de toestellen in het schijnsel van de maan.

2500 kilometer ver weg, op Guam, wachtte Curtis LeMay op nieuws uit Japan. 


Zijn hoofdkwartier was een sikkelvormige prefabhut zoals er honderden stonden op de eilanden in de Stille Oceaan die de Amerikanen op de Japanners hadden heroverd. Zijn enige gezelschap, naast zijn kaarten en documenten, was de pr-man St. Clair McKelway, die een vertrouweling was geworden.

McKelway moest op zijn post blijven tot de mannen in de voorste linie hun bommen hadden afgeworpen. Dat zou nog wel een half uur duren, en de twee waren door hun gespreksstof heen.

‘Heb je zin in een Coca-Cola?’ vroeg LeMay plotseling. ‘Ik kan wel even naar mijn hut gaan zonder de anderen te wekken en twee colaatjes meegrissen, dan kunnen we ze in mijn auto drinken. Dan zijn we wel een half uur verder.’

Zo gezegd, zo gedaan, en korte tijd later zaten de mannen met een cola in de jeep van LeMay. Zwijgend staarden ze de duistere jungle rond het kamp in.

Het doelwit van de missie was een van de dichtstbevolkte wijken van Tokio – en van de wereld – met een wirwar van houten huisjes en fabrieken aan kronkelige steegjes. Er waren nauwelijks grote wegen. 

De uitgaanswijk Asakusa, met al zijn restaurants, geishahuizen en bordelen, telde wel 350.000 inwoners per km². In totaal woonden er circa 750.000 mensen in dit laaggelegen deel van de stad. De meesten waren arm of behoorden tot de middenklasse.

Volgens LeMay en de andere leden van de Amerikaanse legertop was het bombardement met napalmbommen gerechtvaardigd omdat de Japanse oorlogsindustrie zijn onderdelen vooral betrok van allerlei kleine leveranciers die her en der in de woonwijken waren gevestigd.


En burgerslachtoffers werden niet als een noodzakelijk kwaad gezien – eerder als een gunstige bijkomstigheid.

Na de Japanse aanval op Pearl Harbor in 1941 gold voor veel Amerikanen het motto ‘de enige goede Jap is een dode Jap’, en al drie weken vóór Pearl Harbor had de bevelhebber van het Amerikaanse leger, generaal George C. Marshall, op een geheime persconferentie verteld hoe de Amerikanen zouden reageren op een eventuele aanval door de Japanners.


Bommenwerpers, zo zei de generaal, zouden ‘de Japanse papieren steden in vuur en vlam zetten. Burgers worden niet ontzien – het wordt all-out.’  

Veel gebouwen waren van hout en papier en vormden daardoor een makkelijk doelwit voor brandbommen. Curtis LeMay concentreerde de aanval op een dichtbevolkt gebied met ruim 265.000 mensen per km2.
© Claus Lunau/Historie

De brandbommen vallen

Met 480 kilometer per uur raasden de eerste toestellen op slechts 1500 meter hoogte over Tokio, terwijl ze hun lading brandbommen lieten vallen. 


De vliegtuigen maakten een brandend kruis in de straten van stad, waar de volgende bommenwerpers op konden richten.

Het luchtalarm ging pas een kwartier na middernacht af, zeven minuten nadat de eerste bom was gevallen. Tot verrassing van de Amerikanen kwamen ze geen Japanse jachtvliegtuigen tegen – die waren niet op tijd gewaarschuwd.

Het schoolmeisje Kazuyo Funato werd wakker van de harde knallen. Haar vader zette een helm op en rende naar de plaatselijke school, waar hij als burgerwacht moest helpen. 

De broers van Kazuyo gingen de straat op om de eerste brandjes te proberen te blussen. Kazuyo kroop met haar moeder en haar zusje in de provisorische schuilkelder die het gezin had gegraven onder de apotheek.

De moeder bond Kazuyo’s broertje, nog maar een paar maanden oud, stevig vast op haar rug.
Een van de oudere broers kwam aangerend en riep dat ze naar de school moesten gaan voordat ze ingesloten raakten door de vlammen. 


Buiten was het licht van alle branden.

‘De noordenwind was zeer krachtig. Het gebrom van de vliegtuigen was overweldigend en deed hemel en aarde trillen. Er vielen overal brandbommen,’ schreef Kazuyo Funato later.

Vanwege de harde wind verspreidde het vuur zich razendsnel, en binnen een half uur veranderde de aanhoudende napalmregen de wijk in de hel op aarde. 

De bommenwerpers kwamen van alle kanten aangevlogen, en hoewel de lichtbundels van de zoeklichten koortsachtig heen en weer zwiepten over de nachtelijke hemel, wisten ze maar zelden een van de zilveren toestellen lang genoeg in te vangen om het onder vuur te kunnen nemen. 

Op de grond keek de 14-jarige Katsumoto Saotome omhoog en zag hoe de gouden vlammen weerschenen in de glanzende rompen van de enorme bommenwerpers.

Na elke aanvalsgolf werd de vuurzee heviger. Wanneer er een Amerikaanse M-69-brandbom insloeg, werd er een lont aangestoken, en een paar seconden later schoot er een brandende smurrie van kleverige napalm door de lucht.

Kazuyo Funato rende met haar zusje en moeder naar de naburige school, maar de schuilplaats daar was niet meer dan een loopgraaf.

‘Er brak paniek uit, mensen renden doelloos rond en schreeuwden: “We gaan allemaal dood! Het vuur komt!” 


Het geluid van vallende brandbommen, whizzz, het oorverdovende lawaai van de vliegtuigen en het gebrul van het vuur waren overweldigend.’

De vele brandjes groeiden uit tot één grote, razende vuurstorm. Aan de grond zoog het monster zuurstof op, zodat het nog harder ging waaien, en in het midden spuwde het een gigantische zuil van gloeiende gassen uit, terwijl het alles op zijn pad verslond. 


Geen brandweerkorps ter wereld was opgewassen tegen deze vuurzee – en de 8100 slecht uitgeruste brandweerlieden van Tokio al helemaal niet. 10 brandweerwagens gingen in vlammen op, samen met de mannen die erin zaten. Ze hadden niets kunnen uitrichten.

De ramp werd nog eens verergerd door het bevel van de autoriteiten dat de inwoners burgerwachten moesten vormen en onder het motto ‘vechten, niet vluchten’ de vuurzee moesten bestrijden. De enigen die kans maakten te overleven waren degenen die beseften dat vluchten hun enige uitweg was.

Een van hen was de 36-jarige Kiyoko Kawasaki. Ze probeerde zich met twee emmers water te beschermen.

‘De prostituees die altijd bij de rivieroever rondhangen sprongen in een vijver. Maar het water kookte, en ze gingen allemaal dood,’ vertelde de ooggetuige vele jaren later.

Te midden van dit alles stond een klein meisje met een bril in een vale jurk, en ze wist zich geen raad. 

Haar moeder had haar om de een of andere reden naar buiten gestuurd, en nu was de achtjarige Yuki Hiragama verstijfd van angst terwijl iedereen om haar heen alle kanten op rende. 

Tussen de mensen sloegen bommen in. Plotseling zag het meisje haar buurman. Hij schreeuwde en zijn traditionele Japanse kimono stond in brand.

Een andere buurman ging in foetushouding op de hete grond liggen. Het werd steeds warmer, en Yuki rook verbrand vlees. Uiteindelijk zette ze het op een rennen. Toen ze de brug over de
rivier de Sumida overstak, merkte ze dat het water onder haar kookte. 
Na de – vanuit Amerikaans oogpunt – geslaagde aanval haalde de bemanning opgelucht adem. 
© Getty Images

Vliegtuigen gaan alle kanten op

De Lady Annabelle met bommenrichter Krogman aan boord kwam in Tokio aan toen de stad al grotendeels in brand stond. 


Krogman had orders om zijn bommen te laten vallen op een gebied in de buurt van de vlammenzee dat nog gespaard was gebleven. Geconcentreerd staarde hij in zijn vizier. Niemand zei iets terwijl Krogman richtte.

‘Bombs away,’ zei Krogman ten slotte. Het toestel schoot omhoog toen de bommenluiken opengingen en de vele tonnen zware lading eruitviel.


Achter hem keek de doodsbange schutter Dodd of alle bommen weg waren, zodat de Lady Annabelle terug kon keren.

De missie van andere B-29’s verliep lang niet zo soepel. Doordat de vuurstorm een gigantische opwaartse kracht veroorzaakte, schoten toestellen soms in één klap wel 1,5 kilometer omhoog.

Eén B-29 vloog nadat de bommen waren afgeworpen ineens op z’n kop, en een snelle ingreep van de piloot voorkwam dat de hele bemanning het leven liet. 

In totaal 14 bommenwerpers gingen er verloren tijdens de drie uur durende missie – veel minder dan de luchtmacht had gevreesd. Andere bereikten door technische mankementen hun doel niet. Maar de 279 die Tokio haalden, wierpen samen 8519 cluster- bommen met 1665 ton napalm af.

De verwoesting was onvoorstelbaar. 41 km² van Tokio werd in de as gelegd. 261.000 gebouwen brandden af, en 1,15 miljoen Japanners werden dakloos. Het officiële sterftecijfer was 79.466, maar dat waren alleen geïdentificeerde lichamen. Vermoedelijk vielen er zeker 100.000 doden. 


De geur van verbrand vlees drong zelfs door tot in de B-29’s.

De reddingswerker Shigenori Kubota ging om 3.50 uur de straat op. Hij zag onbeschrijflijke taferelen terwijl hij door de rokende puinhopen liep. 

Bij een brug vond hij een ‘bos van lijken’ die zo verkoold waren dat ze bij de minste aanraking verpulverden. In de rivier onder de brug wachtte hem een nog veel macaberder aanblik.

‘De hele waterspiegel was zwart, zo ver het oog reikte. Zwart van verbrande lichamen, hout en wie weet wat nog meer,’ schreef Kubota later. De lichamen waren naakt. De kleding was verbrand, en ze zagen er allemaal hetzelfde uit. Het verschil tussen mannen, vrouwen en zelfs kinderen was niet te zien.


De jonge Kazuyo Funato overleefde de nacht door met haar kleine zusje in een greppel te kruipen.

Zodra het licht begon te worden, strompelden de twee terug naar de plek waar hun huis had gestaan. Het was er doodstil.

De flessen in de apotheek van haar vader waren gesmolten. Voor het huis, dat nog overeind stond, lag het lichaam van een man in de watertank. Hij was levend gekookt.

Kazuyo vond een van haar broers, verblind door de rook, maar met tranen van vreugde op zijn wangen omdat zijn zusjes nog leefden. Later arriveerden ook de vader en een andere oudere broer van Kazuyo.

‘Het waren net spoken. Ze zeiden niets,’ schreef Kazuyo. Haar moeder was er ook, gewikkeld in een deken. Haar haar was weggeschroeid, en de baby was weg.


Op haar rug, waar het jongetje had gezeten, zag Kazuyo duidelijke brandplekken. Wat er was gebeurd heeft haar moeder nooit verteld.

De keizer was ogenschijnlijk onberoerd door de verwoestingen in Tokio. Pas toen er twee atoombommen waren gevallen, staakte hij de uitzichtloze strijd.

© Getty Images

Keizer blijft doorvechten

Keizer Hirohito nam zes dagen later persoonlijk de schade in ogenschouw. 


Hij droeg een generaalsuniform en rijlaarzen, en toonde geen emotie. Toen was de spontane evacuatie van Tokio al gaande. 

Meer dan een miljoen mensen verlieten de hoofdstad met hun schaarse bezittingen om aan verdere Amerikaanse bombardementen te ontkomen.

Het zou nog lang duren voordat de keizer en de fanatieke generaals die het leger aanstuurden, de bevolking verder leed bespaarden. 


‘100 miljoen mensen zullen trots sterven,’ kraaide de Japanse propaganda, terwijl het in het voorjaar en de zomer van 1945 napalm bleef regenen op de Japanse steden.

Pas toen er begin augustus atoombommen op Hiroshima en Nagasaki waren gevallen, raakte Hirohito ervan doordrongen dat hij zijn generaals, die tot de laatste man wilden doorvechten, moest trotseren. 


Overal in Japan barstte de zwaar op de proef gestelde bevolking in tranen uit toen de stem van de keizer voor het eerst op de radio te horen was.

‘Als we de oorlog nu voortzetten, zal dat niet alleen leiden tot de instorting en vernietiging van de Japanse natie, maar tot het einde van de menselijke beschaving als geheel,’ zei Hirohito in archaïsch Japans dat weinigen begrepen. 


Diezelfde dag nog pleegde de fanatieke minister van oorlog, Korechika Anami, seppuku – rituele zelfmoord.

Curtis LeMay en de andere generaals van het Amerikaanse leger konden eindelijk opgelucht ademhalen: hun nietsontziende bombardementen hadden het gewenste effect gehad. De grote invasie van Japan was niet meer nodig.

‘Als we de oorlog hadden verloren, zouden we allemaal aangeklaagd zijn wegens oorlogsmisdaden,’ zou generaal-

majoor Curtis LeMay volgens een van zijn stafofficieren hebben gezegd.

Bekijk ook ...