Godsdienstijver en eerzucht waren voor de leiders motieven om op kruistocht te gaan.

© Thinkstock

De eerste kruistocht: Christenen misdroegen zich met goed geweten

De kruistocht was een orgie van geweld. De ‘heilige’ strijders plunderden steden en gingen zich te buiten aan verkrachting, moord en zelfs kannibalisme.

27 december 2015 door Else Christensen

De geweldsorgie begint

Alles was in diepe rust in het kruisvaarderskamp toen Stefan van Blois zijn vrouw een brief schreef. Een paar dagen eerder – op 1 juli 1097 – was dat wel anders.


Toen werd een deel van het kruisleger door een grote Seltsjoekse legermacht bij Dorylaeum in het noordwesten van Ana­tolië overvallen. Woest brullend, wat de Europeanen in de oren klonk als kreten van de duivel, viel de ene na de andere rij ruiters aan.

Akelig snel en precies schoten ze grote hoeveelheden pijlen op hen af. Toch wisten de Seltsjoeken stand te houden, totdat een deel van het kruisleger dat tot de achterhoede had behoord, te hulp schoot.

Met de lans in de aanslag reden toe­gesnelde troepen op de Seltsjoeken in en verjoegen hen. Plots voelde de Heilige Stad – het doel – aangenaam dichtbij.
‘Ik zeg je, mijn lief,’ schreef graaf Stefan geroerd aan zijn vrouw Adela, ‘over vijf weken zijn we in Jeruzalem.’

De keizer vreest de kruisvaarders

Stefan van Blois vergiste zich danig. Twee jaar honger en dood scheidden hem nog van de Heilige Stad. De kruistocht had al vele mensenlevens gekost.

De 4000 graven bij Dorylaeum die het kruisvaardersleger achterliet, waren maar een klein deel van de offers die het had gebracht sinds het Europa had verlaten, na de pauselijke noodkreet om hulp voor de christenen in Constantinopel en Jeruzalem tegen het moslimgeweld.

In aantallen waar zelfs de paus van opkeek, hadden vrijwilligers zich aangemeld. Ook de keizer van Constantinopel was verrast toen een leger Europese vorsten, edelen en boeren vanaf november 1096 de hoofdstad overspoelde. Op 100.000 man had hij niet gerekend.

Wat moest hij met deze horden krijgers aan? Hij kreeg de legerleiders zover hem trouw te zweren en te beloven dat al het land dat ze veroverden, aan hem zou toevallen. Daarna zette hij hen, ruim bevoorraad, per schip over naar Anatolië en beloofde hulptroepen na te zenden.

Al gauw bevonden de kruisvaarders zich in een vreemd land, vol krijgers te paard die buitengewoon behendig bleken met pijl en boog.

Maar ook de moslims waren onaangenaam verrast door de komst van wat een van de verkenners van krijgsheer Kilij Arslan omschreef als een voddenleger met op hun kledij genaaide kruisen.

Een Arabische kroniekschrijver noteerde over deze horde heidenen die het land binnenviel: ‘De kruisvaarders hakten het Seltsjoekleger in de pan. Ze moordden, plunderden en verkochten de vele gevangenen als slaaf.’

En Dorylaeum was slechts een voorproefje van het bloedbad dat zou volgen.

Keizer Alexios van Constantinopel stond argwanend tegenover het grote kruisleger. De vier leiders moesten hem trouw zweren.

© Polfoto/ Rue des archives

500 man verhongeren

Voor Stefan van Blois en zijn collega’s zou de overwinningsroes na Dorylaeum algauw wijken voor de harde realiteit.

‘We werden geplaagd door honger en dorst, we vonden niets eetbaars op wat doornige planten na, die we plukten en fijnwreven’, bericht een kruisridder in de kroniek Gesta Francorum.

Tijdens de één maand durende tocht over de hooglanden van Anatolië stierven zo’n 500 man van de dorst en de honger, vertelt bijna-tijdgenoot Albert van Aken.

Ook de dieren legden door de ontberingen het loodje. In september 1097, toen het kruisleger in het zuiden weer de kust bereikte, was er bijna geen lastdier en strijdros meer in leven, en die waren eigenlijk onmisbaar.

In de nazomer van 1097 leek het ergste leed echter geleden, en Jeruzalem lonkte op slechts één maand gaans. Alleen Antiochië lag nog in de weg.

Maar alleen al de naam van deze stad bezorgde elke legerleider koude rillingen: Antiochië, gesticht in de tijd van Alexander de Grote, was nooit gewapenderhand ingenomen.


In haar ruim 1300-jarige bestaan was de stad alleen door list veroverd. Met een rivier in het westen en een gebergte in het oosten was de stad onmogelijk te omsingelen.

‘De stad is zo goed door muren beschermd dat zij wapens noch mensen hoeft te vrezen, zelfs niet als de gehele mensheid haar zou belegeren’, schreef een van de priesters van de kruistocht.

Het beleg begon op 20 oktober 1097 en duurde acht maanden. Die winter veranderden stortregens de ommelanden in een modderpoel, waardoor ze ‘het urinoir’ genoemd werden.

‘We doorstaan zo veel ontberingen en rampspoed, het is niet bij te houden. De kou is niet te harden, en er zijn vreselijke overstromingen door de regen’, schreef Stefan van Blois aan zijn Adela.


Die winter stierven velen van honger en uitputting, en al bracht het voorjaar zacht weer en een bevoorradingsschip uit Europa, de val van Antiochië was net zo ver weg als op de dag dat ze aankwamen.

Toen was Stefan van Blois het zat. Hij verliet zijn troepen, voer naar Constantinopel en daarvandaan naar huis.

Stefan was lang niet de enige – vele anderen lieten het hongerende kruis­leger, dat sinds het vertrek uit Europa nu al gehalveerd was, in de steek.

Zwarthandelaar velt Antiochië

Achter de stadsmuren liep Jaghi-Sian, de regent van de stad, zijn gewone ronde. Zelfverzekerd glimlachend begroette hij zijn troepen, schouwde de graanvoor­raden en inspecteerde de verdediging.

Maar achter die ogenschijnlijke rust gingen twijfels schuil of de stad wel stand kon houden. De belegering stelde de zenuwen van de inwoners danig op de proef, en de voorraden raakten op.

Maar er was een lichtpuntje. Toen het kruisleger in aantocht was, had hij zijn jongste zoon naar Bagdad gestuurd om hulp. De daar gelegerde machtige krijgsheer Kerbogha van Mosoel had die toegezegd.

Dag en nacht speurden de wachten naar de bekende stofwolk die aangaf dat er een groot leger naderde.

Laat in de middag van 2 juni 1098 konden de inwoners van de stad opgelucht ademhalen. Niet vanwege een stofwolk, maar de wachten hadden ander groot nieuws te melden: de kruisvaarders braken op om te vertrekken.

Ze hadden vast gehoord dat het leger van Kerbogha eraan kwam en namen nu de benen. Die avond konden de Antiochiërs eindelijk rustig gaan slapen.

Dachten ze. Maar rond vier uur in de ochtend klonk het doffe geluid van een touw dat over de stenen schraapte, waarna gedempte stemmen en wapengerinkel waren te horen. In een toren boven een van de zes stadspoorten bood wachter Firoez de kruisvaarders de helpende hand.

Firoez was een van Jaghi-Sians getrouwen geweest tot hij betrapt werd op zwarte handel in de zo schaarse levens­middelen. Jaghi-Sian had hem een hoge boete opgelegd, en dit was voor Firoez zijn kans op wraak.

Hoe de belegeraars met hem in contact waren gekomen, weet niemand, maar hulpvaardig trok hij de ene na de andere kruisvaarder over de muur.

De zogenaamde aftocht bleek een krijgslist. De mannen – zo’n 60 – die Firoez hielp, vormden de voorhoede. De rest was vlakbij, klaar om naar binnen te stormen door de poort die de voorhoede van binnenuit had geopend. Onder het roepen van ‘God wil het! God wil het!’ vielen de kruisvaarders de stad binnen.

Na acht maanden wachten leefden ze zich uit in een roes van moordlust. In de vroege ochtend weergalmden er angstkreten door de straten. De heilige strijders moordden, plunderden en verkrachtten erop los.

‘Zij ontzagen geen moslim, kinderen, ouderen, vrouwen en mannen. De grond was bezaaid met lijken, zelfs christenen, Grieken en Syriërs’, aldus Albert van Aken.

Tienduizenden stierven bij de val van Antiochië en het daaropvolgende bloedbad, onder wie regent Jaghi-Sian.

‘Het was bijna niet om uit te houden van de stank. Er waren zoveel doden dat je over de lijken moest lopen om de nauwe steegjes door te komen’, schreef Albert van Aken.

Antiochië lag zeer strategisch, dus het kruisleger moest de stad eerst veroveren, wilde het Jeruzalem kunnen bereiken.

© Polfoto/ Rue des archives

Wanhoop brengt christenen zege

Eindelijk konden de kruisvaarders de inname van Antiochië vieren. Bloedrode vlaggen wapperden aan de torens, en de ridders dankten God. Maar de vreugde duurde kort. Al snel stonden Kerbogha’s troepen voor de stadsmuren.

Nu waren de kruisvaarders ineens de belegerden, en daar waren ze niet op voorbereid. Voedsel was er nauwelijks nog, en desertie was aan de orde van de dag. ‘Koordhangers’ werden diegenen minachtend genoemd, die er via een touw over de muur vandoor gingen.


Het kruisleger bestond nog maar uit 30.000 man. En hulp van de keizer van Constantinopel konden ze op hun buik schrijven. Op zijn terugreis naar Europa had Stefan van Blois de keizer ingelicht over de problemen die het leger ondervond, maar Alexios peinsde er niet over om de kruisridders te ontzetten. Ze moesten het zelf maar opknappen.

Op 28 juni, bij het krieken van de dag, droegen de kruisvaarders een mis op. De voedselschaarste was zo nijpend dat hun niets anders restte dan zich op Kerbogha’s machtige leger te storten en te pogen zich erdoorheen te vechten.

Met het hoofd omlaag bereidden zij zich voor op de dood. Aangemoedigd door priesters die op de stadsmuren stonden, marcheerden de krijgers in gelid op.

Het kruisleger was inmiddels uitgedund tot 20.000 man. Vele ridders vochten te voet omdat er maar 200 paarden beschikbaar waren.

Toen de poorten openzwaaiden en zij voor Kerbogha’s leger stonden, ervoeren veel kruisvaarders hulp van boven. In hun verzwakte toestand dachten ze in het wit geklede ridders boven de zinderende vlakte te zien.

Met hun laatste krachten en onder aanroeping van God vielen de kruisvaarders aan. Overrompeld door de kracht die er school in de uitgemergelde mannen, deinsde Kerbogha’s leger terug en sloeg op de vlucht.

‘Gods rechterhand streed aan onze zijde. Onze heer Jezus Christus voerde heel Antiochië terug in de schoot van Rome’, schreven de aanvoerders van de kruistocht aan paus Urbanus II.

 

Kruisvaarders eten mensenvlees

Pas half november ging de kruistocht verder. Op weg naar Jeruzalem voerde Raymond van Toulouse, die zich als leider opgeworpen had, het leger naar de stad Maarrat al-Noeman. In die vruchtbare streek hoopte hij zich een stuk land toe te kunnen eigenen.

Maar met de naderende winter zaten de kruisvaarders weer met het bekende probleem: honger. Toen ze bij de stad aankwamen, waren ze zo uitgehongerd dat ze ‘als vee over de velden scharrelden op zoek naar korreltjes tarwe, gerst, bonen of ander eetbaars’, vertelde kruisridder Raymond van Aguilers.


Na een kort beleg viel de stad, waarna de gruwelijkste episode van de kruistocht aanbrak. Bohemund van Tarente gelastte de leiders van de stad direct om zich te verzamelen in het paleis en hun gezin mee te nemen. Gehoorzaamden ze, dan zou hij hun leven sparen.

Een valse belofte. Zodra de aristocraten binnen waren, ontdeed hij hen van hun goud, zilver en andere kostbaarheden. Een aantal liet hij ombrengen en de rest werd naar Antiochië afgevoerd om als slaven verkocht te worden.

Het gewone krijgsvolk van de kruistocht had zijn eigen, minder verfijnde, maar net zo afschuwwekkende methodes om de bevolking uit te wringen. Alle inwoners werden beroofd, en als ze niets hadden werden ze mishandeld tot de dood erop volgde.

De meeste burgers – volgens historici 10.000 tot 20.000 – werden vermoord. Hun lijken werden gedumpt in de moerassen buiten Maarrat al-Noeman.

De plundering was in enkele dagen gepiept, maar algauw vlogen de aanvoerders Raymond en Bohemund elkaar in de haren over wie er aanspraak op de stad kon maken. De veldtocht viel stil.

En de honger sloeg weer toe. In januari 1099 waren velen zo radeloos dat ze volgens Raymond van Aguilers ‘de lijken van de moslims opensneden omdat die goudstukken zouden hebben ingeslikt om ze te verbergen’. Sommige christenen vervielen zelfs tot kannibalisme.

‘In Maarrat stoofden onze troepen heidenen in potten. Kinderen werden aan het spit geroosterd en opgegeten’, vertelde kruisvaarder en kroniekschrijver Radolf van Caen.

De bevolking was verbijsterd over het optreden van de kruisvaarders.
‘Iedereen die de Franken kende, beschouwde hen als dieren: excellent in moed en vechtlust, maar in niets anders, zoals dieren ons in agressie en kracht overtreffen’, schreef een moslim.

Het werd de gewone kruisvaarders allemaal te veel. Met hun laatste krachten begonnen zij de stadsmuren van Maarrat al-Noeman steen voor steen af te breken. Raymond begreep de boodschap: de uitgeputte krijgslieden wilden geen dag langer in Maarrat blijven. Ze wilden naar Jeruzalem.

Na de inname van Jeruzalem berichtten de kruistochtleiders de paus trots dat er moslimbloed door de stad stroomde.

© Bridgeman

Jeruzalem valt

Raymond zag in dat het beter was als hij als geestelijk leider optrad dan als landveroveraar, en beval de kruisvaarders daarom om barrevoets aan te treden.

In een vrome processie begaven de heilige strijders zich op weg naar Jeruzalem.
Aanvankelijk hadden ze niets te vrezen. De mare van hun wandaden in Antiochië en Maarrat was hun vooruitgesneld en had zoveel angst gezaaid bij de bevolking dat die het kruisleger geen strobreed in de weg legde.

Toen ze op 16 mei 1099 Tripoli, aan de kust van Libanon, bereikten, kregen ze zelfs beschermgeld en voedsel van de emir.

Op 7 juni was het dan zo ver. Vanaf een heuvelkam zagen de kruisvaarders de heilige stad met zijn muren, torens en koepels aan hun voeten liggen. Met de kreet ‘Jeruzalem, Jeruzalem!’ wierpen velen zich ter aarde en dankten God in tranen dat ze drie jaar van ont­beringen overleefd hadden.

Na een beleg van een maand zetten de kruisvaarders op 13 juli bij het vallen van de avond de stormtorens tegen de versterkte muren, die met pijlen, gloeiende pek en ‘Grieks vuur’, een kleverig, brandend goedje, werden verdedigd.

Het kruisleger was oppermachtig en algauw golfden de kruisvaarders over de muur, de straten in. Daar roofden ze alles waar ze maar de hand op konden leggen: ‘Goud, muildieren, paarden, en gebouwen vol rijkdommen’, schreef kroniekschrijver Fulcher van Chartres.

Vele burgers vluchtten naar de Tem­pelberg. Doodsbange joden zochten hun toevlucht tot de grote Synagoge aan de Klaagmuur, moslims tot de al-Aqsa-moskee.

Met beide groepen waren de kruisridders gauw klaar: de synagoge werd afgebrand, inclusief mannen, vrouwen en kinderen; en op 16 juli trapten ze de deur van de al-Aqsa-moskee in en doodden ieder die zich er schuilhield.

‘Het bloed der Saracenen stond tot aan de knieën van onze paarden’, schreven de leiders van de kruistocht trots in hun verslag aan de paus. Hoeveel doden er vielen weet niemand met zekerheid, maar sommige historici schatten dat het aantal rond de 60.000 moet liggen.

Voor de moslims was de zege van de kruisvaarders een regelrechte ramp.
‘Mooie jonge meisjes zijn onteerd en moeten nu hun lieve gezichtjes in hun handen verbergen.

Nooit zijn de moslims zo vernederd, nooit tevoren is hun land zo wreed vernield’, klaagde Aboe Sa’ad al-Harawi, een islamitisch rechtsgeleerde, tegen de kalief van Bagdad. Maar voor de kruisvaarders kwam er geen eind aan de euforie.

‘O dag, waarnaar wij zo verlangd hebben! Hoe vurig hebben de kruisvaarders niet gebeden dat deze plaats, die zo lang ontheiligd is geweest door de heidense gebruiken van zijn inwoners, gereinigd zou worden van zijn vuiligheid’, schreef Fulcher van Chartres triomfantelijk na de val van Jeruzalem.

De kruisvaarders hadden gezegevierd, en de meeste ridders konden nu naar huis. Maar de overwinning was een dure. De kruistocht had aan tienduizenden onschuldigen het leven gekost en veel haat gezaaid. In de jaren die volgden zou die alleen maar groeien.

Bekijk ook ...