134.000 Chinezen werkten in de Eerste Wereldoorlog aan het Westfront.

© Australian War Memorial

WOI: Chinezen werden uitgebuit aan het front

In 1915 sturen Groot-Brittannië en Frankrijk alle mannen naar het front, waardoor er een groot tekort aan fabrieksarbeiders en boeren ontstaat. Goedkope werkkrachten uit China moeten verlichting brengen. Vol goede moed komen 134.000 jonge Chinezen naar Europa – maar daar staat ze een ware nachtmerrie te wachten.

17 maart 2017 door Bjørn Bojesen

De Chinese arbeider Cong Shugui steekt zijn schop in de ingestorte wand van de loopgraaf. Hongerig en uitgeput ploetert hij voort in de Vlaamse modder bij Passendale –

duizenden kilometers van huis. We schrijven 1917, en het gebied rond Passendale en Ieper is een van de bloedigste slagvelden van Europa.

Dag in, dag uit, week in, week uit proberen de Franse en Duitse troepen een beetje terreinwinst te boeken. Als de gevechten weer even luwen, ligt het slagveld bezaaid met dode soldaten.

Cong Shugui en de andere 14 Chinezen in zijn ploeg graven door, terwijl ze zenuwachtig om zich heen kijken.

Niemand weet wanneer de volgende Duitse aanval komt. Hoewel in zijn contract staat dat hij ver van het front ingezet zal worden, durft hij de bevelen van de Britse officier die naast de loopgraaf staat te roepen niet in de wind te slaan.

Af en toe zet Cong zijn doorweekte pet af en werpt hij een blik op de grijze lucht. Een paar dagen eerder verschenen de ijzeren vogels van de Duitse keizer Wilhelm aan de hemel. 

De boerenknechten uit de provincie Shandong hadden nog nooit een vliegtuig gezien en renden hun schuilplaats uit om te kijken wat het was. 

Drie Chinezen werden door Duitse bommen gedood. Hun eerste ontmoeting met een vliegtuig was meteen de laatste.

Cong, die al vaker gewonden uit de vuurlinie had gesleept, hielp mee met het graven van een graf voor zijn gesneuvelde landgenoten – met dezelfde spade die hij nu keer op keer in de wand van de modderige loopgraaf steekt. 

China ziet kansen in de oorlog

Cong was een van de 134.000 Chinezen die tijdens de Eerste Wereldoorlog achter het Westfront tewerkgesteld waren.

Het Duitse leger probeerde terrein te veroveren in Frankrijk, maar de Fransen en Britten gaven geen duimbreed toe.

De strijdende partijen groeven zich in, en rond de loopgraven werden ontelbaar veel jonge mannen neergemaaid zonder dat het front noemenswaardig opschoof. 

Alleen al tijdens de Slag aan de Somme in 1916 sneuvelden er zo’n 420.000 Britse soldaten, en in datzelfde jaar kwamen er bij Verdun 340.000 Fransen om. Elke man die een wapen kon vasthouden werd naar het front gestuurd.

Daardoor ontstond er een groot tekort aan arbeidskrachten aan het thuisfront, waar de productie van wapens en voedsel in gevaar kwam. 

Hoewel vrouwen veelal de plaats van de mannen innamen aan de lopende band, waren er mannen nodig voor het zwaardere werk.

Deze situatie kwam als geroepen voor Liang Shiyi, adviseur van de Chinese president. China had juist een overschot aan werkkrachten, en Liang wilde maar wat graag de reputatie van zijn land in het Westen een beetje opvijzelen.

Na de Bokseropstand had China een schuld van 333 miljoen Amerikaanse dollar aan de Europese landen, die de belangrijkste Chinese handelszones bestuurden als ‘protectoraten’. 

Liang was ervan overtuigd dat Duitsland de oorlog zou verliezen en dat China de Duitse bezittingen terug zou krijgen als de Chinezen de geallieerden hielpen.

In juni 1915 ging het noodlijdende Frankrijk akkoord met het aanbod, en de Britten, die bang waren dat de Chinezen het te hoog in de bol zouden krijgen, gingen op 28 juli 1916 overstag.

Chinezen maakten de gloednieuwe tanks in 1918 klaar voor gebruik.

© Imperial War Museum

Geld lokt Chinezen naar Europa

Gedurende de oorlog kwamen 134.000 Chinezen naar Frankrijk en België. Van hen werkten er 40.000 voor de Fransen en 94.000 stonden er onder Brits bevel.

De arbeiders kwamen uit de landbouw-gebieden in Noord-China – 60 procent uit de provincie Shandong aan de oostkust. Ze waren 20 tot 40 jaar, konden niet lezen en schrijven en hadden geen geld voor een radio, waardoor ze niets wisten van de gruwelen in Europa. 

Ze moesten hun gezin onderhouden, en de Fransen en de Britten boden een salaris van één frank per dag – omgerekend zo’n 2,70 euro nu. Studenten kregen het vijfvoudige als ze als tolk of administratief medewerker aan de slag gingen.

Omdat China neutraal was, maakten de Duitsers zich kwaad over de vele rekruteringsbureaus die in het hele land opdoken. 

In een poging de neutraliteit te waarborgen zette de Chinese regering een reeks ‘particuliere bedrijven’ op die hielpen bij het aanwerven van arbeiders – en Duitse agenten probeerden vergeefs de belangstellenden weg te jagen.

De Fransen beloofden de Chinezen namelijk vrije zondagen en minimaal 100 gram ongekookte rijst per dag voor de duur van vijf jaar. Daarna konden ze er zelfs voor kiezen om te blijven.

Het contract dat de Britten aanboden zweeg over zondagen, maar stelde de Chinezen vrij van werk tijdens Chinees nieuwjaar en andere feestdagen. 

Chinezen raken hun naam kwijt

Hoewel de Europese landen bezwoeren dat de Chinezen mijlenver van het front zouden blijven, werden de mannen al op het rekruteringsbureau aan een ijzeren discipline onderworpen. 

Ze moesten zich uitkleden, werden bespoten met een ontsmettingsmiddel en gecontroleerd op geslachtsziekten, malaria en tbc.

30 tot 60 procent van de gegadigden werd afgewezen. De gelukkigen die door mochten naar de volgende selectieronde, moesten afscheid nemen van hun traditionele vlecht en kregen een aluminium polsband met vijf cijfers.

Het nummer op de polsband was voortaan de officiële identiteit van de Chinese werknemers. 

Het was streng verboden om de band af te doen voordat hun contract verlopen was. Wanneer de Europese opzichters polsbandnummers afriepen in plaats van namen, voelden de Chinezen zich net misdadigers.

Vervolgens werden de arbeiders ingedeeld bij de Franse koloniale troepen – de Troupes Coloniales – of het Britse Chinese Labour Corps (CLC).

De arbeiders sjouwden vaak met zwaar materieel. Hier stapelen ze vliegtuigbommen op in Frankrijk, 1917.

© Bridgeman

Duitse torpedo wijzigt koers

Op 24 augustus 1916 kwam het eerste schip met arbeiders aan in Marseille na een maandenlange reis om India en door het Suezkanaal. 

Vele Chinezen reisden via deze weg, maar op 17 februari 1917 torpedeerde een Duitse onderzeeër het stoomschip Athos bij Malta. 543 Chinese en 211 overige passagiers kwamen om.

Na dit voorval gingen de Britten hun Chinese werknemers vervoeren via de Stille Oceaan, Canada en de Atlantische Oceaan. Niet veel eerder was het eerste Britse schip vertrokken uit China onder begeleiding van vuurwerk.

De Chinezen werden ondergebracht in bewaakte barakken op gepaste afstand van dorpen. In april 1917 werden de eerste gastarbeiders in Britse dienst verwelkomd in het hoofdkwartier van het CLC in Noy­elles-sur-Mer in Picardië. 

Hier stond het grootste Chinese ziekenhuis buiten China, met 1500 bedden en artsen die Chinees spraken.

De arbeiders werkten in ploegen van zo’n 15 man, die onder leiding stonden van een Chinese ganger. Deze opzichter verdiende anderhalf keer zo veel als de gewone arbeiders en zag erop toe dat het werk volgens plan verliep. Vaak hield ook een Europese officier toezicht.

Vanwege een gebrek aan tolken waren er vaak misverstanden tussen Chinezen en hun opdrachtgevers. 

Zo smeet een groep fabrieksarbeiders hun gereedschap boos op de grond nadat een Amerikaanse officier hen had willen aanmoedigen met de woorden ‘Let’s go!’ In het Mandarijn betekent gou hond, en de Chinezen dachten dat de man hen uitschold.

Exotische Chinezen gaan op de foto 

‘De oorlog in Europa gaat ons, het volk van China, niet aan. Wij Chinezen zijn neutraal en zijn naar Europa gekomen om voor brood op de plank te zorgen. 

De naam van een rechtvaardig heerser wordt 10.000 generaties lang herinnerd, dus waarom uw troepen niet gestopt?’ schreef de arbeider Yuan Chun in het laatste oorlogsjaar aan de Duitse keizer. Wilhelm stuurde nooit een antwoord.

Yuan en zijn landgenoten waren er al snel achtergekomen dat het dagelijks leven als arbeider in Europa zwaarder was dan verwacht. 

Vergeleken met de plaatselijke bevolking kregen ze een hongerloontje, ze hadden vaak te weinig te eten en vooral de Britten hielden hen strikt gescheiden van de Fransen.

De Fransen waren wat soepeler. Soms mochten Chinezen na het werk naar de kroeg of het bordeel. 

Ook de geschoolde arbeiders in Britse dienst hadden het iets makkelijker. Zo schreef de tolk Chow Chen-fu in een brief aan een vriend in Shanghai: ‘Ongeveer drie keer per week mag ik boodschappen doen in een dorp hier niet ver vandaan.’

Aan werk was er echter nooit gebrek. De Chinezen werden met zaag en bijl de bossen in gestuurd om bomen om te hakken die de loopgraven versterkten.

Andere Chinezen werkten in de havens van Frankrijk, waar ze de vele schepen losten die voorraden aanvoerden. 

De kisten met wapens en metalen onderdelen waren loodzwaar.

Groepjes arbeiders werden naar dunbevolkte streken ver weg van het front gestuurd om in de brandende zon of de stromende regen gaten in het wegdek vol met aarde te scheppen of vernielde spoorrails te repareren.

De Chinezen stonden onder toezicht van gewapende soldaten, die onnodige pauzes niet toestonden. 

Alleen als rijke Franse reizigers op de foto wilden met de Chinese arbeiders – die ze zo leuk en exotisch vonden – mochten ze het werk eventjes neerleggen.

Een groot deel van de gelukszoekers had in China een kleine boerderij gehad, waar het werk werd bepaald door de seizoenen. 

Ze waren er dan ook niet aan gewend om met anderen samen te werken of om onder tijdsdruk te staan. Dat zorgde voor problemen in de fabrieken. 

De Europese opzichters vonden de Chinezen maar lui. Uiteindelijk kregen de gastarbeiders het gewenste werktempo wel te pakken.    

Arbeiders belanden aan het front

Op 14 augustus 1917 verklaarde China de oorlog aan Duitsland, vooral vanwege het tot zinken brengen van het schip Athos. Daarna waren de Europeanen ineens vergeten dat in de contracten van de Chinezen uitdrukkelijk stond dat ze niet naar het front zouden gaan.

Veel geschoolde contractarbeiders zaten vanaf het begin al met hun neus boven op de gruwelen van het slagveld: ze repareerden kapotgeschoten tanks en legden havens aan voor oorlogsschepen en landingsbanen voor vliegtuigen.

De loopgraven waren een nachtmerrie – voor de soldaten en voor degenen die het 40.000 kilometer lange netwerk moesten onderhouden. Als een arbeider nergens anders voor deugde, kon hij altijd aan de loopgraven werken.

Hier speelden de Chinese ploegen een belangrijke rol. Er was geen scholing nodig om een schop ter hand te nemen en die in de modderige grond te steken – alleen brute spierkracht en het vermogen om te vergeten dat de volgende aanval elk moment kon losbarsten.

Na een schotenwisseling werden de Chinezen het slagveld op gestuurd om op te ruimen. Ze moesten lichamen, paardenkadavers en onontplofte munitie verwijderen. 

Dat was een gevaarlijke klus, en veel Chinezen kwamen om door ontploffingen of vijandelijk vuur.

De overlevenden liepen een trauma op omdat ze verminkte lijken moesten begraven. Het druiste veelal in tegen hun religieuze overtuiging: volgens de Chinese traditie bracht het ongeluk om lichamen aan te raken als ze niet volgens een zorgvuldig ritueel werden begraven. 

Na vertrek uit Vancouver mochten de arbeiders niet meer uit het raam kijken.

© Liddle Collection / Leeds University Library

Slechte behandeling leidt tot oproer

‘Wij Chinezen eten geen paardenvlees!’ riep Li Jun op een dag in oktober 1917 tegen de leiding van zijn werkkamp. 

Hij dreigde met een arbeidersopstand als de steen des aanstoots niet onmiddellijk van het menu werd gehaald. In dit geval haalde het bestuur bakzeil, maar soms sloeg de vlam in de pan en brak er een oproer uit onder de werkers.

Van 1916 tot 1918 waren er onder de Chinezen 25 stakingen en opstanden. In januari 1917 bleven er twee Chinezen dood achter op de vloer van een kruit-fabriek in Bassens nadat ze het aan de stok hadden gekregen met een Egyptische arbeider. 

Een paar dagen later kwam er nog een Chinees om het leven en raakten er 60 gewond toen een groep van 500 Chinezen 250 Algerijnse arbeiders aanviel in een fabriek in Bergerac.

In februari 1917 sloegen 100 Chinese spoorwegwerkers aan het staken. Ze weigerden aan het traject tussen Parijs en Orléans te werken als ze geen beter loon kregen. Het leger greep in en al snel waren de Chinezen weer aan het werk zonder een centime opslag.

Conflicten tussen Britten en Chinezen draaiden vaak uit op bloedvergieten. 

Militaire rechtbanken veroordeelden 10 Chinezen ter dood wegens moord.

De Britten keken met arugusogen naar de Franse werkkampen, waar de Chinese arbeiders in hun optiek veel te veel in de watten gelegd werden. Het was tenslotte wel oorlog, en een zachte aanpak was niet goed voor het moreel. 

De Britten zagen meer in de harde lijn, wat ertoe leidde dat Britse soldaten regelmatig protesterende Chinezen doodschoten.

Een van de ergste incidenten vond plaats in september 1917. 

In Étaples deserteerden ruim 1000 Britse troepen, waarna er een staking uitbrak onder de Chinese en Egyptische havenarbeiders in Boulogne. Ze eisten een hoger salaris en een betere verzorging.

Ze trokken door de stad, waar ze eerst een hotel probeerden te plunderen en vervolgens een café en een officiersclub aanvielen. 

Het leger pakte de stakende arbeiders op en dreef ze de stad uit, maar veel Chinezen gaven zich niet zonder slag of stoot gewonnen. 

Al snel lagen de straten vol Chinese lichamen, doorzeefd met Britse machinegeweerkogels.

Het was onvermijdelijk dat Duitse bommenwerpers vroeg of laat slacht-offers zouden maken onder de Chinezen die dicht bij het front werkten. 

Tijdens bombardementen op Duinkerken en Boulogne in september 1917 kwamen 15 Chinese arbeiders om het leven, en op 18 mei 1918 vonden er maar liefst 50 Chinezen de dood na Duitse voltreffers. 

Chinezen verliezen de oorlog

De droom van arme Chinezen om in Europa een klein vermogen te verdienen draaide veelal uit op een nachtmerrie.

Het is niet precies bekend hoeveel arbeiders terugkeerden naar China of in een Europees graf belandden. 

Schattingen lopen uiteen van 2000 tot 20.000 doden. 2000 Chinezen kregen een grafsteen – de rest viel die eer niet te beurt.

Op 11 november 1918 trad keizer Wilhelm II af en was de wereldoorlog voorbij. Frankrijk en Groot-Brittannië hadden het nooit zo lang vol kunnen houden tegen de Duitsers als ze geen hulp hadden gehad van talloze Chinezen die zich voor een schamel loon uit de naad werkten aan en achter het front.

Van enige dankbaarheid was echter geen sprake. De overlevende Chinezen – wier contract voor drie of vijf jaar nog niet was verlopen – moesten mijnen ruimen, prikkeldraad verwijderen en de loopgraven met aarde en zand dichten.

Bovendien verliet de Chinese delegatie de onderhandelingstafel in Versailles woedend toen het duidelijk werd dat Japan de Duitse bezittingen in Shanghai zou annexeren. De Chinese arbeiders hadden de oorlog voor de geallieerden gewonnen, maar hun land verloor.

Bekijk ook ...