De Slag bij Passendale bestond uit een aantal offensieven die een doorbraak in de patstelling moesten forceren. Telkens bulderden de kanonnen en renden de mannen het niemandsland in – tot alles stilviel in de modder. 

© Imago/All over press

500.000 slachtoffers in de modder

In juli 1917 willen de Britten een einde maken aan de Eerste Wereldoorlog. Veldmaarschalk Douglas Haig belooft dat hij de Duitsers op de vlucht kan jagen, maar de Slag om Passendale loopt uit op een bloedbad van ongekende proporties. Een hele generatie jonge mannen sneuvelt omdat een Britse veldmaarschalk niet op wil geven.

14 juli 2017 door Esben Mønster-Kjær

Veldmaarschalk Douglas Haig gebaart weids met zijn armen terwijl hij over zijn grote plan vertelt. Dan buigt de 55-jarige officier zich over de landkaart op tafel en wijst aan hoe de Britse legers de Duitsers aan het Westfront zullen terugdringen.

Plotseling schiet Haigs linkerhand naar voren: de doorbraak! De overwinnaars nemen de laatste loopgraaflinies van de vijand in, en nu begint de stormloop door het open Vlaamse terrein. Hij veegt met zijn hand tot aan de rand van de kaart. 

Nog vóór kerst 1917 zal Duitsland om een wapenstilstand smeken en is de Eerste Wereldoorlog voorbij, zo belooft de Britse veldmaarschalk.

Met zijn optimisme steekt hij alle leden van de oorlogscommissie van de regering aan, die bijeen is in Londen om het plan aan te horen. Het is juni en het is drukkend warm in de stad. Maar één man deelt het enthousiasme niet: premier David Lloyd George.

‘Het kan Haig niet schelen hoeveel mannen hij verliest. Hij vergooit het leven van deze jongens. Ik wil een er paar voor de toekomst behouden,’ schrijft hij in een brief aan zijn vrouw.

De regeringsleider stelt de veldheer kritische vragen, en een week lang zoekt Lloyd George naar een alternatief voor het offensief in België. Maar dat is er niet. Als Haig niet mag aanvallen, zal de patstelling het hele jaar duren en is de overwinning nog mijlenver weg.

De minister-president stemt dan ook schoorvoetend in, maar waarschuwt wel dat Groot-Brittannië door zijn troepen heen aan het raken is. 

Nog een bloedbad is niet aanvaardbaar, en Lloyd George zal de situatie aan de frontlinie op de voet volgen. Als de doorbraak op zich laat wachten, zal hij Haig terugfluiten.

Het leven van honderdduizenden jonge mannen hangt af van de daadkracht van de Britse politieke leider. Alleen Lloyd George kan hen bevrijden van de hel die wacht bij Passendale. 

Duitsers zitten erdoorheen

De Schot Douglas Haig was al sinds het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 aan het Westfront. Hij leidde de grootste troepenmacht die de Engelsen ooit op de been hadden gebracht – en was de architect van de bloedigste blunder in de Britse geschiedenis. 

Op 1 juli 1916 liet hij zijn troepen de Duitse loopgraven aan de Somme bestormen. Voordat de avond viel, waren 20.000 Britten neergemaaid. 37.000 man raakten gewond. 

De volgende ochtend werden de overlevenden weer het slagveld op gestuurd, en zo ging het maandenlang door. Haig wilde de vijand uitputten.

Eerder had de veldmaarschalk namelijk ondervonden dat de Duitsers zijn eenheid zo murw gebeukt hadden dat de troepen op het punt stonden te bezwijken. 

De vijand had die kans echter niet gegrepen, en Haig had lering getrokken uit die slag: hij zou nooit aarzelen om zelf de vijand de genadestoot toe te brengen.

In 1917 had de veldmaarschalk het fiasco van de Somme allang achter zich gelaten en was hij ervan overtuigd dat zijn leger een doorbraak kon forceren bij het Vlaamse Passendale. 

Deze keer had hij veel zwaar geschut waarmee hij de Duitse stellingen kon wegvagen voor de infanterie het niemandsland overstak.

Bovendien was het met het moreel van de vijand slecht gesteld. Uit onderschepte brieven bleek dat veel Duitse soldaten oorlogsmoe waren. Ze hadden aan alles gebrek: van voedsel tot tabak en munitie. Volgens Haig konden ze de druk van een groot offensief niet weerstaan.

Ruim 8 miljoen paarden en muildieren kwamen om tijdens de oorlog. Ze vervoerden geschut en voorraden naar het front. 

© Imago/All over press

Granaatregen duurt twee weken

De artillerie zou de doorslag geven bij de aanstaande veldslag. In het achterland stelden de Britten 3000 kanonnen op. De troepen werden aangevoerd door Hubert Gough, een strijdlustige generaal.

Het offensief begon op 16 juli 1917 met een enorm gebulder. Gedurende 15 dagen bestookte het geschut de Duitse loopgraven met 4,3 miljoen granaten. Duizenden soldaten werden opgeblazen of levend begraven in hun schuilplaats.

Door de trillingen stortte op 26 juli de kerktoren van Passendale, niet ver achter de Duitse frontlinie, in. De naam van het slaperige West-Vlaamse dorpje zou voortaan onlosmakelijk verbonden zijn met een van de ergste bloedbaden van de Eerste Wereldoorlog.

In de nacht van 30 op 31 juli was het griezelig stil aan het front. Maar een Franse officier die bij de staf van Gough hoorde wist dat er tussen hem en de Duitse linies 100.000 man opeengepakt in de loopgraven stonden. 

Ze wachtten op het fluitsignaal dat de bestorming zou inluiden en moesten het dan op een rennen zetten door het niemandsland. Eindelijk bulderden de kanonnen.

‘Toen het spervuur begon, was het zo hevig dat we elkaar geschokt aankeken. Ik geloofde mijn ogen niet toen de voorkant van onze loopgraaf in beweging leek te komen. Het was een leger van angstige ratten op de vlucht,’ schreef de Franse officier later. 

Betonnen bunkers kosten tijd

Om 3.50 uur, toen de eerste zonnestralen boven de horizon verschenen, bliezen de officieren op hun schelle fluitjes. In één ogenblik werd het lege landschap door een krioelende massa overspoeld, terwijl het bombardement intensiveerde.

Lichte kanonnen legden een tapijt van granaten om met de hevige explosies de prikkeldraadversperringen uit de weg te ruimen en de Duitsers te dwingen in hun bunkers te blijven. 

De dodelijke barrière schoof met 25 meter per minuut op en de Britse troepen bleven er vlak achter. Ondertussen bestookte het zware geschut het Duitse achterland om de vijandelijke artillerie het zwijgen op te leggen en te voorkomen dat er versterkingen aangevoerd werden.

De eerste uren verliep de aanval volgens plan, ook op de centrale delen van het front, waar Gough het zwaartepunt van het offensief had gesitueerd. 

18 divisies passeerden de twee voorste Duitse loopgraaflinies zonder al te zware verliezen. De Britse kanonnen leken hun werk te hebben gedaan.

‘Na nog geen half uur kwamen Duitse gevangenen bij bosjes op ons af,’ schreef een Britse luitenant.

Tussen de tweede en derde Duitse linie stuitten de Britten echter op betonnen bunkers, die de granaatregen hadden doorstaan. En in elke bunker zaten twee tot vier machinegeweerschutters, die vrij baan hadden in het vlakke Vlaamse land.

De verliezen stapelden zich snel op terwijl de Britten de stellingen zo dicht probeerden te naderen dat ze met handgranaten uitgeschakeld konden worden. Ze bleven het spervuur volgen dat zich een weg door het terrein baande.

De volgende fase van de aanval werd nog erger, want de vijand bleek op de hoogte te zijn geweest en had een warm onthaal voorbereid voor de Britten.

Defensie-expert versterkt het front

Doordat de Britten in de weken vóór het offensief het geschut rond Passendale hadden versterkt, wisten de Duitsers dat er een aanval ophanden was.

Daarom hadden ze kolonel Fritz von Loßberg naar het Vlaamse front gehaald, een expert op het gebied van defensieve oorlogvoering. Von Loßberg moest een ondoordringbare frontlinie opbouwen en ging meteen aan de slag.

Hij verdubbelde het aantal loopgraaflinies aan het front van drie naar zes, waarmee de verdediging 10 in plaats van 5 kilometer diep was. 

Daarnaast liet hij de kanonnen naar gecamoufleerde stellingen achter een talud brengen, waar ze moeilijk te zien en nog moeilijker te raken waren voor het Britse geschut. 

Veel Duitse kanonnen waren daarom nog intact toen de Britse aanval begon. Als laatste hield Von Loßberg achter het front een grote troepenreserve paraat om in de tegenaanval te kunnen gaan.

Bij Passendale gebruikten de Duitsers het reukloze mosterdgas, dat blaren geeft en de luchtwegen blokkeert. 

© Aamy/Imageselect & Getty Images

Het Duitse tegenoffensief begint

Dit alles stond de Britten te wachten toen ze op 31 juli door de voorste Duitse verdediging waren gebroken.

Ze waren achter op het schema van Gough geraakt, en op sommige plaatsen was het spervuur 800 meter verderop. 

Het bombardement nam bovendien af in kracht, want vanwege het ambitieuze plan van Gough kwamen de troepen buiten bereik van het lichte geschut. Nu was meer dan de helft van de totale hoeveelheid artillerie nutteloos.

Intussen waren de Britse eenheden na een opmars van 3 kilometer door hevig verzet verspreid geraakt. Een sergeant vocht zich met een handvol mannen een heuvel op toen andere soldaten plotseling de tegenovergestelde kant op renden.

‘Terug, en graaf je in!’ riepen ze. ‘De Duitsers zijn ons aan het omsingelen!’

De reserves van Von Loßberg waren aan de tegenaanval begonnen.

‘De Fritzen kwamen als een zwerm bijen over de heuvelrug,’ zei de Britse sergeant na de veldslag.

‘Toen ze dichterbij kwamen, openden we het vuur. Intussen was ons geschut opgehouden met schieten, en ik merkte dat de moed ons in de schoenen zonk,’ vertelde de sergeant.

Het Duitse geschut vuurde wel volop en bestookte de Britse eenheden met een regen van granaten. De sergeant kreeg al snel door dat al zijn mannen dood waren of gevlucht, en in zijn eentje kon hij de positie niet behouden.

Dergelijke taferelen speelden zich af langs het hele centrale gedeelte van het front. Britse troepen werden massaal verdreven van het terrein dat ze met zo veel moeite hadden veroverd. 

Toen de gevechten bij zonsondergang luwden, had het leger van Gough 27.000 man verloren. Desondanks riep hij zichzelf in zijn verslag tot overwinnaar uit, want de Duitsers hadden even zware verliezen geleden en de Britten waren toch 3 kilometer opgeschoten.

Loopgraven lopen onder

Terwijl de Britse eenheden hun wonden likten, maakten Gough en zijn staf plannen voor de volgende mokerslag. De nieuwe aanval verliep vrijwel net als de eerste, en er werd niets gedaan om te voorkomen dat de fouten die op 31 juli gemaakt waren, herhaald werden.

Van het weer trokken de Britse bevelhebbers zich evenmin iets aan. Augustus was zeer regenachtig – de eerste drie dagen viel er 40 millimeter – en dat legde de problemen bloot van het terrein dat Haig als slagveld had aangewezen. 

Vlaanderen wordt doorkruist door talloze kanalen en sloten die in vredestijd met dijken worden begrensd, zodat de boeren het regenwater kunnen afvoeren.

Maar door de oorlog was alles met de grond gelijkgemaakt en liep het water niet meer weg. Doordat het evenmin in de kleigrond wegzakte, veranderde het slagveld in één grote modderpoel.

Daarnaast konden Britse vliegtuigen vanwege de regen het front niet vanuit de lucht in de gaten houden en de Duitse artilleriestellingen aanwijzen. 

Daarom vuurden de Britten in het wilde weg of aan de hand van oude luchtfoto’s die de nieuwe posities van het Duitse geschut achter de voorste linies niet weergaven.

Veldmaarschalk Haig noch generaal Gough overwoog echter op enig moment de aanval af te blazen om een nieuwe slachtpartij te voorkomen. 

Soldaten zijn kanonnenvoer

De regen had plaatsgemaakt voor losse buien toen de troepen van Gough op 16 augustus opnieuw een bestorming in gang zetten. 

De Fransen in het noorden hadden zich een realistisch doel gesteld op 2 à 3 kilometer van het front en bereikten dat al snel dankzij een grotere concentratie van geschut, maar de Britten moesten wel 6 kilometer oprukken.

Met negen van Goughs divisies in het zuiden liep het slecht af. Terwijl ze door ondergelopen granaatkraters ploeterden werden ze bestookt door de Duitsers. 

Na de veldslag bleek dat 80 procent van de gewonden van één Britse divisie geraakt was door Duitse kanonnen die vóór de aanval uitgeschakeld hadden moeten worden. En aan hun leed kwam geen einde in de veldhospitalen, die binnen het bereik van de Duitsers lagen.

‘Ik sloot mijn ogen. Ik zag niets, maar mijn oren kon ik niet sluiten,’ schreef een officier die plat op zijn buik was gaan liggen. ‘Ik hoorde alles. Het gekerm van de gewonden overal om me heen, de oorverdovende ontploffingen, de stukken metaal die zich in de grond boorden,’ aldus de officier.

De voorste aanvalsgolf stuitte weer op betonnen bunkers, die dood en verderf zaaiden. Een Ierse divisie werd al na een paar honderd meter weggevaagd. De aanval kwam volledig tot stilstand. 

Vanwege de gigantische verliezen viel Gough in ongenade bij Haig, die op 25 augustus generaal Herbert Plumer tot bevelhebber bij Passendale benoemde.

De nieuwe leider ging behoedzamer te werk dan zijn voorganger en eiste geen dramatische bestormingen van zijn troepen. Plumer wilde het proberen met meerdere, kleinere acties. De soldaten hoefden de Duitsers nu nog maar 1,5 kilometer per keer terug te drijven.

Deze wijziging van strategie hield in dat de grote doorbraak van de baan was. De Britten zouden niet langs de laatste Duitse loopgraven komen, zoals Haig had beloofd. 

De stormloop richting de Duitse grens moest wachten, want Plumer wilde met zijn kleinschalige aanvallen de Duitsers slechts verzwakken.

Toch was de nieuwe strategie in de ogen van Haig aanvaardbaar. Volgens hem kon Groot-Brittannië het zich beter veroorloven om verliezen te lijden dan de Duitsers, die het tegelijk ook tegen de Fransen én het enorme Russische leger in het oosten moesten opnemen.

Daarom ging de slag ondanks de bezwaren van premier Lloyd George door. En ondanks de herfst, die in oktober inzette en van het Vlaamse land een ondoordringbare modderpoel maakte.

‘Hier zijn geen bomen, geen huizen, geen landschap, geen beschutting en geen zon,’ schreef een Nieuw-Zeelander.

Verdedigingsstellingen moesten nu bovengronds met zandzakken worden aangelegd, want loopgraven veranderden door het binnensijpelende water binnen de kortste keren in sloten.

‘Natte voeten, compleet doorweekt, een ijzige wind, massa’s modder en de hele dag in een granaatkrater die half onder water staat,’ schreef een officier uit Australië laconiek.

Op veel plaatsen werden munitie en voorraden per muildier vervoerd, want de wegen waren door granaten en regen niet meer begaanbaar voor wagens.

Daarnaast bouwde de genie vlonders van planken, die de enige weg vormden tussen de voorste stellingen en de vaste grond in het achterland. Verplaatsingen duurden een eeuwigheid en waren zeer riskant. Talloze soldaten verdronken in de Vlaamse modder.  

De Britten schakelden veel Duitse stellingen uit met handgranaten. 

© Topfoto/Polfoto

Leger stopt het bloedvergieten

Op 6 november veroverden Canadese troepen het dorp Passendale. Het hele najaar hadden de soldaten in de modderhel doorgebracht, en de verliezen waren gigantisch. Haig was er echter nog steeds van overtuigd dat de Duitsers op het punt van opgeven stonden.

De zwaarbeproefde troepen van de veldmaarschalk kregen ook geen hulp van premier Lloyd George, die nochtans had toegezegd onnodig bloedvergieten te willen voorkomen. 

De regeringsleider deed niets – na het lezen van de sombere rapporten stelde hij slechts vergenoegd vast dat hij de hele tijd al had getwijfeld aan de visie van Haig. Hij leek niet te beseffen dat hij bij machte was het bloedbad te stoppen. Het leger greep in. 

In december 1917 ontving de Britse stafchef inlichtingenrapporten waaruit bleek dat er een groot aantal verse Duitse troepen naar Passendale werd gebracht. Ze kwamen van het Oostfront, waar de Russen de strijd hadden gestaakt.

Daarmee waren enorme Duitse eenheden beschikbaar voor het Westfront, wat het offensief van Haig niet langer haalbaar maakte. Nu moesten de Britten het gewonnen terrein verdedigen, en misschien was ook dat al te laat.

Volgens berekeningen had het Britse leger 100.000 man tekort om voldoende slagkracht te hebben om de stellingen te kunnen behouden. Op veel plaatsen waren de troepen een stuk kwetsbaarder dan vóór de Slag om Passendale.

Ramp op het nippertje afgewend

Het ambitieuze offensief van Haig was voorbij. In de lente vielen de Duitsers aan en moesten de Britten vluchten.

Gedurende een paar wanhoopsdagen leek de oorlog verloren, maar het Britse leger wist het front uiteindelijk weer te stabiliseren. Ondanks de weerstand van Lloyd George bleef Haig in functie tot de overwinning in november 1918. Maar Passendale was een smet op zijn blazoen.

Na de oorlog vroegen velen zich af waarom er 275.000 Britten gesneuveld waren op het slechtste slagveld dat een bevelhebber had kunnen uitkiezen. En dat voor de verovering van een onooglijk dorpje in West-Vlaanderen.

Bekijk ook ...