Na bijna drie dagen in de lucht stortte Andrées ballon neer op het ijs.

Catastrofale ballonvaart naar de Noordpool

In 1897 stijgen drie Zweden op in een luchtballon om als eersten naar de Noordpool te vliegen. Het plan blijkt hopeloos naïef, en de ballon verongelukt boven de IJszee. De passagiers moeten vechten voor hun leven op het drijfijs.

24 februari 2017 door Erik Bork

Ballonpiloot en expeditieleider Salomon August Andrée haalt zijn armen van de gondel en kijkt gespannen naar de drie mannen die elk met een bijl klaarstaan om op zijn bevel de touwen door te kappen.

 De afgelopen uren heeft een koude wind de gammele hangar doen schudden en de stormlijnen laten fluiten, terwijl de grote ballon binnenin heen en weer zwaaide – alsof hij niet kon wachten om te vertrekken.

Het is 11 juli 1897. De bergen en fjorden op het kleine eiland Danskøya bij Spitsbergen zijn met ijs en sneeuw bedekt wanneer de Zweedse ingenieur Andrée staat te wachten tot hij kan vertrekken. 

Met zijn twee reisgenoten Nils Strindberg en Knut Frænkel zal hij vanaf deze plek opstijgen om over de bevroren IJszee naar de Noordpool te vliegen. 

Daar willen de drie mannen vanuit de ballon een boei naar beneden gooien als bewijs dat zij drieën als eerste mensen op de Noordpool zijn geweest.

Dan zal de ballon zijn weg vervolgen om ten slotte na 3700 kilometer vliegen en een kleine week in de lucht veilig aan de Russische of Amerikaanse kant van de Beringstraat te landen.

In 1897 staat de ballonvaart nog in de kinderschoenen, en de gevaarlijke reis krijgt wereldwijd aandacht in de pers.

In zijn thuisland Zweden is Andrée al uitgeroepen tot nationale held en hopen velen dat de ambitieuze expeditie hun land wereldwijd op de kaart zal zetten op het gebied van poolonderzoek. 

Het project wordt onder meer gefinancierd door de beroemde wetenschapper Alfred Nobel en de Zweedse koning Oscar II.

Andrée zelf heeft alle vertrouwen in zijn onderneming. In de afgelopen jaren heeft hij diverse testvluchten gemaakt, en hoewel hij een aantal keren is neergestort, meent hij het ballonvaren nu onder de knie te hebben.

Andrée beweert zelfs dat hij een stuursysteem heeft uitgevonden dat met behulp van sleeplijnen en een zeil een zwevende ballon tot 30 graden van koers kan doen veranderen. 

Als de wind min of meer goed staat, zou de tocht dwars over de Noordpool volgens hem weinig problemen moeten opleveren.

Stuurlijnen vallen in zee

‘Eén, twee, drie! Kap de touwen door!’ roept Andrée. De drie medewerkers laten tegelijk hun bijlen vallen en de ballon is vrij. 

De mannen in de gondel voelen een hevige ruk als de ballon boven de hangar uitstijgt en meteen wordt gegrepen door de hevige wind.

‘Lang leve Zweden!’ roept Andrée terwijl hijzelf, Nils Strindberg en Knut Frænkel steeds hoger stijgen.

Verschillende toeschouwers zien dat de 24-jarige Strindberg een traantje wegpinkt. Hij staat bekend als een gevoelige jongen met belangstelling voor filosofie en fotografie en is uitgekozen om deze historische expeditie vast te leggen met zijn camera.

Tegenover hem staat de 27-jarige Knut Frænkel, die wat praktischer in het leven staat. Hij is een uitgesproken buitenmens en avonturier en heeft onder meer aan het Zweedse spoornet gewerkt. 

Wat de beide mannen gemeen hebben, is een grenzeloos vertrouwen in hun expeditieleider Andrée, een charismatische, gepassioneerde man met grote dromen. Hij is geïnspireerd door de romans van sciencefiction-schrijver Jules Verne en wil ondanks zijn ingenieursopleiding de realiteit nog weleens uit het oog verliezen.

Wat dat betekent, merken de drie expeditieleden al een paar tellen na de start. Weliswaar zweeft de gondel volgens planning naar de zee, maar de lange stuurlijnen die Andrée zo mooi had uitgedacht, zijn te zwaar.

De ballon begint te draaien en helt gevaarlijk over. Als gevolg daarvan wordt hij omlaag getrokken naar het water.

Aan wal kijken de bijeengekomen arbeiders en journalisten verschrikt toe als de gondel het water raakt en de drie mannen aan boord wanhopig ballast overboord gooien om de ballon weer in de lucht te krijgen. 

Terwijl ze daarmee bezig zijn, wikkelen de stuurlijnen zich los uit hun hengsels en vallen in zee. Zonder de lijnen en de extra ballast begint de ballon pijlsnel te stijgen, tot hij een hoogte van circa 700 meter bereikt en nog slechts als een stipje boven de fjord te zien is.

De lange sleeplijnen die de luchtballon bestuurbaar moesten maken, vielen meteen na vertrek in zee.

Ballon vliegt de verkeerde kant op

De ooggetuigen zijn het erover eens dat Andrée een noodlanding moet maken op een van de eilandjes in de buurt. Zonder stuurlijnen is het geavanceerde luchtvaartuig niet meer dan een gewone ballon die lukraak over de IJszee zweeft.

Maar dat gebeurt niet. De bemanning van een Noors marineschip vangt als laatste een glimp op van de ballon als die even later aan de horizon verdwijnt.

Aan boord van de luchtballon zit de stemming er echter goed in.

‘De reis verloopt tot nu toe goed. Heerlijk weer. Sfeer is uitstekend,’ luidt het korte bericht dat een paar uur na het vertrek vanaf Danskøya in een boei in zee wordt geworpen.

Uit de dagboeken van de mannen blijkt dat ze de resten van de stuurlijnen aan elkaar binden tot één sleeplijn van zo’n 100 meter. Daarna drinken ze een biertje en proberen wat te slapen.

Kort na middernacht neemt de wind af en glijdt de luchtballon in de schaduw van een enorme wolkenformatie. 

De bemanning bevindt zich in een waas van mist en schemer. De temperatuur daalt gestaag, net als de ballon, die blijft zakken tot de sleeplijn het ijzige water raakt. 

Andrée, Strindberg en Frænkel moeten 25 kilo ballast overboord gooien om de ballon in de lucht te houden. 

En alsof de problemen nog niet groot genoeg zijn, begint het gevaarte opeens langzaam naar het westen te zweven – de verkeerde kant op.

’s Ochtends is de mist grotendeels opgetrokken. De mannen houden de moed erin en zetten koffie met een speciaal apparaat. 

Het ding wordt eerst gevuld met water en koffie en dan door twee luikjes 8 meter neergelaten. Met een vernuftig mechanisme wordt de spiritusvlam aangestoken op veilige afstand van de waterstofballon. 

Als de koffie klaar is, doven ze de vlam weer met een pufje uit een rubberen slang.

Terwijl ze de koffie opdrinken, zien de mannen in het water onder hen steeds meer ijsschotsen verschijnen, die langzaam aaneengroeien tot pakijs.

Om 14.00 uur heeft de mist zo veel water op de ballon en de lijnen gevormd, dat het vaartuig een ton extra meesjouwt.

De ballon blijft nog met moeite zweven, en een uur later botst de gondel twee keer met circa 10 km/h tegen het ijs.

‘Werp ballast af,’ roept Andrée, en de mannen gooien 25 kilo zand en een klein anker overboord.

Niet veel later kappen ze nog een lijn door met 50 kilo ballast. De hoogte is nu zo’n 50 meter, maar wisselt sterk.

Al om 17.00 uur gooien ze ook de grote boei die de verovering van de Noordpool had moeten markeren, uit de gondel. Vanaf nu gaat het er alleen nog om de ballon in de lucht te houden, hoewel schipper Andrée nog altijd hoopt op een mirakel.

‘Het is zo wonderlijk om hier over de IJszee te zweven. We zijn de eersten die hier met een ballon varen. Hoe snel zal er een tweede volgen?

Zullen mensen ons voor gek verklaren of zullen ze ons voorbeeld volgen?’ vraagt Andrée zich in zijn dagboek af in de paar uur pauze tussen de botsingen met het ijs.

Expeditie strandt op het ijs

Het antwoord krijgt hij de volgende dag, als de gondel zo over het ijs stuitert dat Strindberg zeeziek wordt. Zakken zand, proviand en uitrusting worden overboord gegooid, maar het mag niet baten. 

Door de zwakke wind en de hoge luchtvochtigheid komt de ballon niet meer omhoog. Na 65 uur en 33 minuten moet de expeditie een noodlanding op de IJszee maken – 480 kilometer van Dansk-øya en nog zo’n 600 kilometer van de Noordpool. De expeditie is mislukt.

‘Nu weet jouw Nils hoe het is om op het poolijs te lopen,’ schrijft Strindberg in een dagboekaantekening aan zijn verloofde, Anna Charlier.

De dagen daarop pakken de mannen proviand over op de meegebrachte sleden en zetten ze de roeiboot in elkaar die Andrée speciaal voor de reis heeft gebouwd. 

Ze beseffen dat de expeditie voorbij is en dat ze zuidelijker moeten zien te komen om hun leven te redden. 

Maar geen van de mannen blijkt aan dit deel van de reis aandacht te hebben besteed. De kleine sleden zijn onpraktisch en niet al te stevig. 

De toplaag van het ijs is zwaar en plakkerig, en in alle richtingen is de expeditie omringd door 20 tot 25 meter hoog kruiend ijs, waar je niet zo makkelijk overheen komt met een slede die is beladen met ruim 200 kilo aan proviand en uitrusting.

Andrée schiet een ijsbeer

Het is een zware tocht. Op de eerste loopdag glijdt Strindbergs slee zijwaarts in een gat, en moet hij tot zijn knieën in het water gaan staan om hem omhoog te trekken en zijn spullen te redden.

Op veel plekken zitten er metersbrede watergeulen tussen het ijs, wat de wandeling er niet makkelijker op maakt. 

Met hun bootshaken proberen Andrée, Strindberg en Frænkel stukken ijs tegen elkaar aan te duwen om een gammele brug van ijsschotsen te maken waar ze hun sleden overheen kunnen trekken.

Soms zijn de geulen al te breed en moeten de mannen hun spullen in het bootje overpakken en daarmee heen en weer varen om alles mee te krijgen.

De nachten zijn draaglijk. De bodem van de tent is bedekt met hetzelfde materiaal als de ballon – zijde en rubber – en de slaapzakken zijn gevoerd met rendierhuid. 

Bovendien hebben de mannen genoeg proviand meegenomen en kunnen ze elke avond een stevige, smakelijke maaltijd nuttigen met onder andere boter, gecondenseerde melk, vleessoep en koffie of limonade.

Al snel kunnen ze hun maaltijden zelfs aanvullen met vlees van ijsberen. Voordat de expeditie bij de ballon was vertrokken, had Andrée de eerste beer al geschoten. 

Het dier was opeens tevoorschijn gekomen toen de schipper ’s middags in zijn eentje op verkenning uitging. 

Gelukkig had Andrée zijn Remington-geweer mee, en hij trof de ijsbeer precies in zijn hals. De drie mannen waren door het dolle heen.

Nils Strindberg haalde zijn camera tevoorschijn, waarna de mannen om beurten poseerden met de beer.

Het vlees smaakt goed, maar is wel zwaar. Op 26 juli – slechts vier dagen na het begin van de ijswandeling – breekt een van de sleden op een berg kruiend ijs. 

De mannen beseffen dat ze te veel gewicht meeslepen en laten een groot deel van het eten achter. Nu is er nog voor 45 dagen proviand over. Dat willen ze aanvullen met de zeehonden en ijsberen die ze onderweg schieten.

IJs drijft de andere kant op

Terwijl de mannen zich moeizaam naar het zuiden bewegen, gaat augustus over in september en staat de winter voor de deur. 

De wind trekt aan en verandert steeds van richting, het begint hevig te sneeuwen en de temperatuur daalt.

Uit alle macht proberen de mannen dichter bij het eiland Nordaustlandet op Spitsbergen te komen, terwijl de riemen van de sleden steeds dieper in hun huid snijden en open wonden veroorzaken. 

Alle drie hebben ze ernstige diarree en buikkramp door de zware inspanning. Ook hun voeten, die vaak nat en koud zijn, zijn er beroerd aan toe.

‘Frænkel had te slechte voeten om de slede te kunnen trekken, en Strindberg en ik moesten om beurten teruglopen om de derde slee op te halen,’ schrijft Andrée in zijn dagboek.

De ergste vijand van de expeditie is echter de beweging van het ijs – een factor waarmee de mannen helemaal geen rekening hadden gehouden toen ze twee maanden eerder opstegen van Spitsbergen. 

Vaak worstelen ze dagen voort over de IJszee, om er vervolgens achter te komen dat ze niet meer dan twee kilometer vooruit zijn gekomen, doordat de ijsmassa waarop ze lopen in de tussentijd in de tegenovergestelde richting is gedreven.

Het ijs drijft zo snel dat de uitgeputte expeditie de hoop verliest dat ze voor de winter Spitsbergen zal bereiken.

‘Toen we op 12 en 13 september halt moesten houden vanwege een zware noordwestenwind, beseften we dat we ons in het onvermijdelijke moesten schikken: overwinteren op het ijs,’ schrijft Andrée half september.

Zeestroom draait naar het zuiden

Ter voorbereiding op de winter bouwen de mannen een grote iglo op het ijs. De hut moet op een ijsschots van zo’n 1,5 meter dik komen te staan, tegen een uitstekend ijsblok dat een van de vier wanden zal vormen. 

Op een tekening in een van de dagboeken is te zien dat de iglo 3,5 meter breed en bijna 6 meter lang moet worden en bestaat uit drie voorraadkamers, een keuken annex verblijfsruimte en een slaapkamer.

Terwijl de mannen bezig zijn met de iglo, is de zeestroom hun dan eindelijk gunstig gezind en drijven ze naar het zuiden. 

Op 17 september krijgen ze land in zicht: op 10 kilometer afstand zien ze de contouren van Kvitøya, een rotsig eilandje ten noordoosten van Spitsbergen. 

De mannen zijn euforisch, maar komen al snel weer bij zinnen. Het eiland is onbewoonbaar en als ze aan land gaan, is de kleine kans dat het ijs hen gedurende de winter vanzelf naar Spitsbergen brengt sowieso verkeken.

De expeditieleden besluiten op het ijs te blijven. Maar het valt hun niet mee. De drie worden geplaagd door diarree, buikkramp en zweren op hun hele lichaam, en vooral Frænkel zit er helemaal doorheen. 

Het idee dat ze nog acht à negen maanden op het ijs moeten doorbrengen, is ondraaglijk.

Mogelijk kregen de mannen rondwormen door het vlees van ijsberen

Hoe stierven de mannen?

1 Uit dagboeken en foto’s blijkt dat de expeditie ijsberen schoot voor het vlees. Mogelijk stierven de mannen aan de infectieziekte trichinose, die wordt veroorzaakt door rondwormen uit het vlees van roofdieren.

2 De primusbrander bevatte nog petroleum toen hij werd gevonden. Volgens poolonderzoeker Vilhjálmur Stefánsson was de primus mogelijk kapot en zijn de mannen overleden aan koolmonoxidevergiftiging.

3 Etnoloog Rolf Kjellström denkt dat de mannen kunnen zijn bezweken door uitputting en apathie. Ze lieten een deel van hun uitrusting achter bij het water, alsof ze geen puf meer hadden om het omhoog te slepen.

4 In 2010 kwam de Zweedse arts Bea Uusma met een nieuwe theorie. Op basis van onderzoek van de kleding van de mannen concludeerde ze dat in elk geval Nils Strindberg is gedood door een ijsbeer.

Reuzeniglo stort in

Op 1 oktober is de grote iglo na 14 dagen zwoegen zo goed als klaar.

De mannen dopen de hut ‘Thuis’ en kruipen moe maar voldaan naar binnen om uit te rusten. Maar van uitslapen komt het niet. Vroeg in de ochtend

horen ze een enorme knal en zien ze dat er allemaal grote scheuren ontstaan in de 1,5 meter dikke ijsschots waarop de iglo is gebouwd.

Het water gutst de ijshut binnen. Haastig wurmen de mannen zich uit hun slaapzak en springen het ijs op. Vandaar moeten ze lijdzaam toezien hoe de ijsschots versplintert en hun sleden en eten alle kanten op drijven.

Nu hebben de expeditieleden geen keus. In een paar uur verzamelen ze zo veel mogelijk spullen, waarna ze langzaam naar Kvitøya lopen. 

Al hun harde werken aan de iglo was voor niets, en de hoop dat ze in de winter naar het zuiden zullen drijven, is vervlogen.

De stemming zakt tot een dieptepunt. De mannen schrijven nog steeds in hun dagboek, maar de berichten worden onsamenhangender en laten zien dat de drie aan het einde van hun Latijn zijn. Bovendien zijn de laatste bladzijden deels gescheurd of slecht leesbaar.

De laatste aantekening in Andrées dagboek dateert van 5 oktober 1897 en bericht dat de expeditie Kvitøya heeft bereikt. De aantekening vervolgt met een paar halve zinnen.

‘Harde werk van vandaag [...] midden in de nacht en [...] noorderlicht gaf geen [...] warmte. Kooktoestel [...].’

Het versnipperde bericht is het laatste levensteken van Andrées noodlottige ballonexpeditie naar de Noordpool.

Bekijk ook ...