Weerwolf, vampier of slager van Hannover, Fritz Haarmann had veel bijnamen.

© Ullstein Bild

Hij beet zijn slachtoffers dood en verkocht het vlees: Vampier van Hannover

In de jaren 1920 verdwijnt in Duitsland de ene na de andere jonge man, en worden in de rivier de Leine schedels gevonden. Er gebeurt veel narigheid in dit interbellum, maar de gruwelen die in een zolderkamertje in Hannover plaatsvinden, tarten ieders verbeelding.

9 november 2017 door Jannik Petersen

De 17-jarige Adolf Hannappel wacht op de trein. Hij is ziek en hongerig en zit te bibberen in de koude wachtruimte van het station van Hannover. 

Hoewel hij de novembernacht doorbrengt op een bankje in de wachtruimte, is hij vrolijk. Het geluk lacht hem sinds kort weer toe. 

Het is 1923, de werkloosheid in Duitsland is immens, het geld is door inflatie niks meer waard en veel mensen gaan met een lege maag naar bed – maar de jonge Adolf heeft toch een leerplaats gevonden. 

Morgen gaat hij per trein naar zijn nieuwe baas. Eindelijk zal hij weer regelmatig te eten hebben en in een zacht bed slapen.

Achter in de wachtruimte zitten twee mannen, die Adolf al enige tijd hebben opgenomen. Nu slenteren ze naar de jongen toe en beginnen een praatje. 

De ene is een knappe jongeman van begin 20 met de naam Hans Grans. De ander is de keurige, weldoorvoede veertiger Friedrich ‘Fritz’ Haarmann. Het klikt goed tussen de drie, en kort daarna verlaat het gezelschap het station.

Dat is de laatste keer dat de jongeman levend gezien wordt. Adolf Hannappel is een man tegen het lijf gelopen die Duitsland zal leren kennen als een seriemoordenaar met een wel erg lugubere werkwijze.

De eerste keer dat het publiek van hem hoort, is als er in 1924 aan de oever van de rivier de Leine in Hannover menselijke botten aanspoelen. 

Krantenkoppen wakkeren het gerucht van een weerwolf of vampier aan, waardoor de mensen ’s avonds de straat niet meer op durven. 

Al snel blijkt dat de 500 botten die de politie uit de rivier vist, slechts een fractie zijn van wat er nog komen gaat: monsterlijkheden die hun weerga niet kennen.

Wil je een abonnement op Historia?

Hier vind je de beste aanbiedingen.

In Hannover is het een wetteloze bende

Na de Eerste Wereldoorlog is het ooit zo trotse Hannover in het slop geraakt. 

Een schamele twaalf politieagenten moeten de misdaad bestrijden in een stad met 400.000 inwoners, 4000 prostituees en ruim 300 schandknapen. Het zijn gouden tijden voor criminelen.

Op het oog is de ietwat mollige Fritz Haarmann een betrouwbaar heerschap. Hij heeft een vaste baan – heel wat in deze tijd – en eet er drie keer per dag goed van. 

Maar schijn bedriegt. Al jaren verdient Haarmann de kost als kleine crimineel. Hij steelt onder meer beddengoed van droogrekken en verkoopt het op de markt.

Ook heeft Haarmann een geraffineerde oplichterstruc in huis. Uit de de overlijdensadvertenties in de krant pikt hij een rouwende weduwe uit en neemt contact met haar op. 

Hij doet zich voor als een ambtenaar van het ministerie van Volksgezondheid die het huis van de overledene moet desinfecteren. 

Daartoe heeft hij een desinfecteerset op kofferformaat gekocht. De ontsmettingsmiddelen zijn zo agressief dat de weduwe haar huis wel even uit moet terwijl Haarmann ‘werkt’. 

Als hij weer vertrekt, heeft hij zijn koffer volgepropt met zo veel spullen als hij maar te pakken kon krijgen. En tegen de tijd dat ze het ontdekt heeft is hij onvindbaar in de chaos van de grote stad.

Een derde belangrijke inkomstenbron van Haarmann is de verkoop van kleding. Aan buren, vrienden en gasten biedt hij steeds een aantal kledingstukken ter verkoop aan. 

Het gaat nooit om dameskleding maar altijd om heren- of jongenskleding. Een mooi pak, een warme winterjas of een stevige broek voor een betaalbaar bedrag, daar zeggen weinig mensen nee tegen nu de crisis Duitsland in zijn greep heeft. 

En slechts een enkeling vraagt waar Haarmann de kleren vandaan heeft.

Het zolderkamertje waar Haarmann jongens wurgde en verminkte.

© Bundesarchiv

De zogenaamde politieagent

Slechts één persoon weet hoe Fritz Haarmann echt in elkaar zit: Hans Grans, die samen met Haarmann de jonge Adolf Hannappel aanspreekt op het station van Hannover. 

Grans is een goed uitziende man van begin twintig, en sinds hij in 1919 van huis wegliep, zijn hij en de veel oudere man die hem onderhoudt onafscheidelijk.

De twee hebben elkaar ontmoet in de krochten van Hannover, de rosse buurt, waar Grans zoals zo veel andere jongemannen zijn lichaam verkoopt om te overleven. 

Haarmann voelt zich tot de knappe Grans aangetrokken en koestert liefdevolle en zorgzame gevoelens voor hem; ergens in de afgestompte ziel van de moordenaar zit nog een greintje menselijkheid.

Alleen Hans Grans weet dat de kleding die Haarmann verkoopt afkomstig is van jongemannen die in diens bed aan hun einde zijn gekomen. 

Binnen 16 maanden, van februari 1923 tot juni 1924, worden ten minste 24 jongens tussen de 10 en 20 jaar op de zolderkamer van het appartement aan de Rote Reihe 2 vermoord.

Haarmann hanteert elke keer ongeveer dezelfde werkwijze. Hij doet zich voor als rechercheur van politie en maakt daarbij gebruik van valse identiteitspapieren. 

Hij staat weliswaar op de loonlijst van de politie van Hannover, maar dan als informant: voor geld verlinkt hij criminelen.

Voor Haarmann is het echter vooral van belang dat het spoorwegpersoneel hem als politieagent ziet. Daardoor kunnen Grans en hij de wachtruimte op het station van Hannover op elk moment van de dag en nacht binnenlopen.

De twee gaan altijd helemaal achter in de wachtruimte zitten, op zoek naar een tienerjongen die alleen reist. 

Is het slachtoffer eenmaal uitgekozen, dan knoopt de charmante Grans vaak als eerste een gesprek aan. 

Vervolgens komt Haarmann op de twee af en vraagt of ze zich kunnen legitimeren, waarop hij zichzelf bekendmaakt als politieagent en zijn papieren laat zien. 

Het gesprek verandert al snel van een verhoor in een gezellig praatje, en doorgaans kost het niet veel moeite om de jongen mee te lokken – het vooruitzicht van een maaltijd en een zacht matras is te uitnodigend. 

Sommige jongens zijn werkloos, en de aardige ‘rechercheur Haarmann’ heeft wel een baan voor hen. Meestal gaan het slachtoffer, Grans en Haarmann in de stad eten en drinken op kosten van de laatste. 

Dan neemt Grans afscheid en vertrekken Haarmann en de jongen naar het zolderappartement aan de Rote Reihe 2.

Moordenaar bijt strottenhoofd door

Eenmaal thuis verleidt Haarmann de jongen. Wat begint met een kus gaat over in strelingen. Maar wanneer de opwinding toeneemt, raakt Haarmann buiten zinnen.

‘Het was nooit mijn bedoeling om de jongens te vermoorden’, verklaarde Haarmann later toen hij verhoord werd.

‘Sommige jongens kwamen telkens terug. Die wilde ik tegen mezelf beschermen. Ik wist: als ik een aanval krijg, gaat het mis. Ik huilde: “Maak me toch niet steeds zo wild.” 

Als ik wild werd, dan beet ik en zoog me vast. Ik beet zo de adamsappel door, terwijl ik ze met mijn handen in bedwang hield en wurgde.’

Als Haarmann in een soort seksuele vervoering raakt, drukt hij de keel van de jongen dicht. Haarmanns voorkeur voor jonge jongens heeft te maken met zijn afkeer van lichaamsbeharing. 

Maar wat ook meespeelt, is dat de adamsappel van jongens nog niet zo hard is. Het zachte strottenhoofd is voor Fritz Haarmann een stuk gemakkelijker door te bijten en in te drukken.

Als Haarmann bevredigd is, moet hij zich van het lijk ontdoen en alle bewijzen wegwerken voordat de buren merken wat er aan de hand is en misschien de politie bellen. 

Nu breekt er een fase aan waar de seriemoordenaar Haarmann weinig plezier aan beleeft.

‘Ik stortte in zodra ik het lijk zag. Eerst ging ik een kop zwarte koffie zetten. De dode legde ik op de grond, en ik bedekte zijn gezicht met een lap stof. Dan keek hij me niet meer zo aan’, vertelde Haarmann later.

‘Ik gruwde altijd van het werk dat mij nu wachtte. Toch was mijn hartstocht telkens weer sterker dan mijn afschuw van het in stukken snijden van het lijk.’

Haarmann verwijdert eerst de ingewanden en gooit die in een emmer. Dan scheidt hij de benen van de romp en snijdt het vlees van de botten. 

De ingewanden spoelt Haarmann door het gemeenschappelijke toilet van het huis. Net als de meeste andere appartementen heeft zijn eenkamerwoning geen wc. 

Sommige buren verbazen zich over zijn veelvuldige toiletbezoek en herinneren zich naderhand dat hij soms wel vier keer per uur met zijn po naar de tuin liep. 

Dat hij een po meeneemt naar het toilet, is niet zo vreemd. Dat doen ze zelf ook. Omdat veel appartementen één toilet delen, staat er vaak een rij. 

Dan doen de bewoners hun behoefte binnen in een po en spoelen ze de inhoud weg zodra het pleehuisje vrij is. 

Mensenvlees wordt op de markt verkocht

Het vlees snijdt Haarmann in stukjes of vermaalt hij tot gehakt. Dat verkoopt hij vervolgens, om van de opbrengst bijvoorbeeld zijn huisbaas en de wasvrouw te betalen, of vrienden en bekenden die nog geld van hem krijgen. 

Aan zijn klanten vertelt Haarmann dat het vlees afkomstig is van een vriend van hem, die slager is in een buitenwijk van Hannover. Hij verkoopt het voor een spotprijs, het is twee keer zo goedkoop als paardenvlees.

Weer thuis stroopt Haarmann het haar en de huid van de schedel en gooit de laatste in de rivier de Leine, die vlak langs zijn huis loopt. De botten gaan dezelfde weg.

Een lijk in stukken snijden in een klein appartement en alle sporen wissen is geen sinecure. Zeker niet als je zoals Haarmann bepaald geen kluizenaar bent. 

Grans woont bij hem in, als hij tenminste niet in de gevangenis zit voor een of ander vergrijp, en twee vriendinnen van Grans, de prostituees Runde Elli en Lange Dörchen, zijn vaak op bezoek. Dörchen verdient een centje bij door bij Haarmann schoon te maken. 

Op een ochtend, nadat de vier de avond ervoor met een Berlijnse pianist op stap zijn geweest, komt ze op een ongelegen moment.

‘Die knappe, donkerblonde jongen ligt halfnaakt op bed. Krijtwit. Ik schrik me wezenloos, loop ernaartoe en vraag: Wat is er met hem?’, zal Dörchen later aan de politie van Hannover vertellen.

De jongen heeft gewoon slaap nodig, was Haarmanns verklaring. Hij vroeg Dörchen om ’s middags terug te komen, maar toen ze later op de dag weer bij hem aan de deur klopte, liet hij haar toch niet binnen.

‘Nu heb ik het druk, kom vanavond maar rond zeven uur’, riep hij haar door de gesloten deur toe.

‘Als ik ’s avonds terugkom, staan alle ramen wagenwijd open. Hij heeft de kamer al geboend en geschrobd en staat daar met zijn mouwen opgestroopt. Hij is heel onrustig, zweet flink en vraagt mij: “Dörchen, vind je dat het hier stinkt?” 

Op het bed zie ik de kleren liggen van die Berlijnse jongen, en ik slaak een kreet en roep uit: “Wat is er met hem gebeurd?”’

De jongeman was doorgereisd naar Hamburg, was het antwoord. Hij wilde graag een nieuwe outfit voor de reis, en de twee hadden een ruilhandeltje gedaan – ook al had Haarmann er geld op toe moeten leggen, zo zei hij.

‘Toen kwamen de heer Grans en Elli. [...] Haarmann lachte ons uit en Grans kalmeerde ons’, aldus Dörchen.

‘Twee dagen later maakten Elli en ik de kamer van Haarmann schoon. [...] We maakten van de gelegenheid gebruik om in alle laden te snuffelen. In de tafellade lagen het sigarenpijpje en de beurs van de Berlijnse jongen. We maakten ook het luik onder de trap open. Daar vonden we een bebloed schort en een enorme schaal met stukken vlees. Twee van die stukken – allebei vol haren – hebben we verstopt. Hier zijn ze.’

De rechercheur luistert ongelovig naar het verhaal en gaat dan met de twee vrouwen en de stukken vlees naar de forensisch arts. 

Maar die weigert het vlees onder zijn microscoop te leggen en zegt grijnzend: ‘Zelfs een blinde kan nog zien dat dit varkensspek is.’

Toch besluit rechercheur Müller een huiszoeking te laten doen bij Haarmann. Er wordt echter niets verdachts aangetroffen in het appartement, alle sporen van de pianist uit Berlijn zijn inmiddels uitgewist. 

Ditmaal weet Haarmann de dans te ontspringen.  

Duits liedje

Wacht, wacht nu nog een tijdje

dan komt Haarmann ook voor jou

en met zijn kleine bijltje

maakt hij snel gehakt van jou

van je ogen maakt hij zult

van je billen maakt hij spek

van je darmen maakt hij worst

en de rest die gooit hij weg

Moordenaar helpt de politie

Opmerkelijk genoeg wordt Haarmann nauwelijks geconfronteerd met onverwachte bezoekers als zijn huis vol ligt met lichaamsdelen en bewijsmateriaal, zoals bebloede kleren of waardevolle voorwerpen van slachtoffers. 

Hij weet de lijken snel weg te werken en van het bewijs­materiaal af te komen door het royaal uit te delen of op de markt te verkopen. 

Zijn huisbazen, het echtpaar Engels, verblijdt hij vaak met een cadeautje of ze kopen kleding van hem voor een prikkie.

Maar dat hij zo lang ongestoord zijn gang kan gaan komt ook door zijn goede contacten met de politie van Hannover. Haarmann helpt de politie criminele bendes op te rollen. 

Via zijn connecties met de onderwereld komt hij gemakkelijk aan informatie over grote diefstallen, die de politie maar wat graag snel wil ophelderen. 

Hij benadert de dieven en nodigt ze uit in zijn appartement onder het voorwendsel dat hij de gestolen goederen wil afnemen tegen een goede prijs. 

Ondertussen tipt hij de politie wanneer de dieven met hun buit bij hem zullen aankloppen. Als de bende nog maar nauwelijks over de drempel is, stormt de politie binnen om iedereen te arresteren. 

Ook Haarmann wordt meegenomen naar het bureau, zodat hij niet de verdenking op zich laadt dat hij een verrader is, maar via een achteruitgang staat hij al snel weer op straat.

Haarmann staat daardoor met alle rechercheurs van Hannover op goede voet, en wordt waarschijnlijk meer dan eens getipt dat een buurman of kennis hem ergens van verdenkt en dat hij een huiszoeking kan verwachten.

Door zijn goede verstandhouding met de politie weet Haarmann bovendien dat deze niet zomaar een huiszoeking mag doen op grond van verdachtmakingen van de eerste de beste buurman. 

Als de politie op een nacht op zijn deur bonst, doet hij dan ook niet open maar roept dat huiszoeking volgens paragraaf 106 tussen 22.00 en 06.00 uur alleen is toegestaan met een huiszoekingsbevel.

‘Kom om 06.00 uur maar terug’, roept Haarmann, en hij gebruikt de resterende uren om de sporen van zijn laatste slachtoffers te verwijderen. 

Als de politie in de vroege ochtend weer voor de deur staat, vindt ze niets.

Veel buren, vrienden en kennissen zijn bovendien op de hoogte van Haarmanns voorliefde voor mannen. 

Als de deur op slot is, het sleutelgat is dichtgestopt en de ramen zijn afgedekt, gaan ze er van uit dat Haarmann mannenbezoek heeft. 

En hoewel homoseksualiteit verboden is, bemoeien de meesten zich er liever niet mee. Ook de politie weet van Haarmanns geaardheid. 

Hij is meer dan eens op heterdaad betrapt met zijn broek op zijn enkels, en heeft in de gevangenis gezeten voor homoseksuele handelingen. 

De politie denkt dat zijn seksuele voorkeur, zwarte handel en kruimeldiefstal de enige zonden van Haarmann zijn, en ze raakt liever geen belangrijke informant kwijt door hem vast te zetten voor zulke onbenulligheden. Van moord en verminking wordt hij niet verdacht.

Kinderen vinden schedels in de rivier

De ene na de andere moord blijft onopgehelderd, en Haarmann krijgt het gevoel dat niemand hem iets kan maken. 

Zijn dubbelleven legt hem geen windeieren, en hij viert dat met Hans Grans, op wie hij stapeldol is.

De twee gaan vaak uit eten op rekening van Haarmann. Daarna gaan ze naar zijn appartement en vrijen de hele nacht. 

Grans is wel zo verstandig om tijdens de daad Haarmanns polsen stevig vast te houden, zodat die zich in zijn opwinding niet op Grans’ keel en adamsappel kan storten.

Maar het geluk kan niet eeuwig duren. Op 17 mei 1924 doen kinderen bij het zwemmen en spelen in de rivier de Leine nabij Haarmanns woning een lugubere ontdekking. 

Ze stuiten op een schedel in het lage water van de rivier, en al snel gonst het in Hannover van de geruchten over occulte activiteiten in het oude stadsdeel. 

Er zou een bloeddorstige weerwolf of vampier aan het werk zijn. Als er drie dagen later nog een schedel wordt gevonden, en op 13 juni nog eens twee, zwellen de geruchten verder aan. 

De forensisch arts constateert dat het gaat om schedels van jonge mannen, en daarom richt de politie zich in het onderzoek op het homoseksuele milieu van Hannover. 

Familieleden van vermiste personen worden opgeroepen zich te melden om het onderzoek naar de herkomst van de schedels verder te helpen. 

Het is monnikenwerk. Alleen al in 1923 zijn er ruim 600 mensen verdwenen. 

Sommigen vluchtten vanwege schulden, anderen glipten de grens over of werden het slachtoffer van een misdrijf. Het is een harde tijd waarin de Duitse maatschappij op instorten staat.

Bloedsporen in het bed

Nu kan de politie er niet meer onderuit: ze moet achter haar waardevolste informant aan. 

Haarmann is homoseksueel, heeft een lang strafblad en werd al in 1918 tot twee keer toe verdacht van betrokkenheid bij de verdwijning van twee tieners. 

Twee agenten gaan hem schaduwen in de hoop hem op heterdaad te kunnen betrappen. Omdat de verdachte alle agenten in Hannover kent, worden er twee rechercheurs uit Berlijn ingeschakeld.

Binnen een paar dagen wordt Haarmann plotseling gearresteerd. Hij wordt niet betrapt bij een nieuwe moordpoging, maar gearresteerd op het politiebureau, waar Haarmann zelf een tienerjongen wil aangeven omdat deze reist met valse papieren. 

De jongen beweert echter dat hij diverse nachten met Haarmann heeft doorgebracht, waarbij deze hem dwong tot ‘onnatuurlijke ontucht’ en hem ten slotte bedreigde met een mes. 

Omdat de dienstdoende agent op het politiebureau weet dat Haarmann al in de gaten wordt gehouden, komt hij onmiddellijk in actie en houdt hij Haarmann aan.

Agenten brengen meteen een bezoekje aan Haarmanns appartement. Ze treffen verschillende bloedsporen aan in het bed en op messen, en vinden kleren die duidelijk toebehoren aan meerdere mannen met een verschillende lichaamsbouw. 

Ook staat er een gehaktmolen in het huis. Uit onderzoek blijkt dat de bloedvlekken van alle vier de bloedgroepen zijn en dat dus minimaal vier slachtoffers het leven hebben gelaten in het zolderkamertje.

Rechercheur Lange verhoort Haarmann, maar die houdt bij hoog en bij laag vol dat hij niemand vermoord heeft in zijn appartement. 

Hij enige wat hij toegeeft, is dat hij met meerdere mannen seks heeft gehad.

De media waren net als de bevolking geschokt én geboeid, en Haarmann liet zich graag fotograferen.

© Corbis/Polfoto

Bioscoopfilm moet voor getuigen zorgen

Lange is er echter van overtuigd dat Haarmann in verband moet worden gebracht met de schedels in de Leine. 

Om de slachtoffers te kunnen identificeren laat hij een film maken die in de bioscopen van Hannover wordt vertoond, met politiefoto’s van Haarmann – met en zonder hoed. 

Mensen die kleding van hem hebben gekocht, wordt verzocht deze in te leveren bij de politie. Zo hoopt de politie de voormalige eigenaars te kunnen opsporen. 

Er wordt op grote schaal aan de oproep gehoor gegeven. In een grote barak, waar anders 300 daklozen zijn gehuisvest, liggen nu honderden jassen, truien en broeken.

De rechercheur zet alles op alles om Haarmann onder druk te zetten. Hij voert alle verhoren ’s nachts, als Haarmann moe is, en geeft zijn verdachte een laxeermiddel om hem te verzwakken. 

Hij hangt de vier schedels op in Haarmanns cel, plakt rood papier voor de oogholtes en zet er een kaarsje in. 

Dan zegt hij tegen Haarmann dat de ziel van de doden hem niet met rust zal laten zolang hij niet bekent. 

De methoden zijn op het randje van wat wettelijk is toegestaan – marteling is volgens de Duitse wet verboden – maar de rechercheur is wanhopig. 

Al het bewijs dat in de richting van Fritz Haarmann wijst, is indirect. Getuigen of harde bewijzen ontbreken. 

De arrestant moet worden gedwongen tot een bekentenis, want anders kan de strengste straf die Duitsland op dat moment kent, onthoofding, niet worden opgelegd.

De verhoren gaan maar door. Na negen afmattende dagen komt eindelijk de doorbraak. Op het politiebureau meldt zich een vrouw die haar 18-jarige zoon Robert Witzel nogmaals als vermist wil opgeven. 

Ze meldde zijn verdwijning al eerder in april, maar na het mediacircus rond Haarmann heeft haar andere zoon verteld dat hij en zijn broer de man kenden uit het lokale nachtleven. 

Mevrouw Witzel vreest dat haar Robert ook een van de slachtoffers van Haarmann is. 

Terwijl ze zit te wachten, loopt Haarmanns huisbazin, mevrouw Engels, met haar stiefzoon binnen. Ze komen kleding afgeven die ze van hun huurder kochten. 

Mevrouw Witzel springt verbijsterd op en loopt op de stiefzoon af, die het mooiste pak van haar lieve zoon draagt. Mevrouw Engels geeft toe dat ze het van Haarmann heeft gekocht, en Roberts moeder barst in tranen uit.

Rond middernacht confronteert een opgetogen rechercheur Lange de uitgeputte, moedeloze Haarmann met de onweerlegbare feiten – en dan breekt de seriemoordenaar en geeft hij eindelijk alles toe. 

22 dijbeenderen op de bodem van de rivier

Lange kan zich nog heel goed herinneren hoe Haarmann zijn hand en die van commissaris Rätz vastpakte en zachtjes vroeg: ‘Als ik beken, mag ik dan eindelijk slapen zonder die schedels in mijn cel?’

‘We gaven hem ons woord dat we de schedels zouden weghalen en lieten hem toen vertellen’, weet Lange nog.

Eerst bekent Haarmann vier moorden. Dan voegt hij de moord op Friedel Rothe in 1918 toe en een zesde en zevende moord – die laatste maar zes weken voor de politie hem arresteerde. 

De lijst slachtoffers groeit. Sommige werden gemist, andere niet – de familie dacht dat ze gewoon waren vertrokken. 

Maar Haarmann kan of wil niet zeggen hoeveel mensen hij in totaal heeft vermoord.

‘Misschien waren het er 30, misschien 40. Ik weet het niet’, zegt Haarmann, die ook niet in staat is het uiterlijk van de mannen te beschrijven. Als Lange hem vertelt over nog een verdwenen jongen die door getuigen in zijn gezelschap is gezien, zegt de massamoordenaar toonloos: ‘Zet hem ook maar op de lijst.’

Haarman doet wel uitgebreid uit de doeken hoe hij de jongens vermoord en in stukken gesneden heeft en hun schedels en botten in de rivier gooide. 

Bij een grondig onderzoek in de Leine treft de politie 285 grote mensenbotten aan, waarvan 22 rechterdijbeenderen. Alle botten zijn van jonge mannen in de leeftijd van 10 tot 22 jaar.

In juli wordt Hans Grans opgepakt. In zijn kledingkast vindt de politie de gloednieuwe rijbroek van de 17-jarige Adolf Hannappel, waarna Grans wordt aangeklaagd voor aanzetten tot en medeplichtigheid aan moord.

Haarmann toont geen spoor van berouw en wordt na gesprekken met de forensisch psychiater Ernst Schultze toerekeningsvatbaar verklaard. 

Om die ‘schandknapen’ treurt hij niet, vertelt hij Schultze. En hij wil in geen geval krankzinnig worden verklaard. In zijn jeugd heeft Haarmann namelijk ruim acht maanden doorgebracht in wat toen een gekkenhuis werd genoemd. 

Dat was zo’n traumatische ervaring, dat zijn grootste angst tijdens de rechtszaak is dat hij voor zijn daden wordt veroordeeld tot levenslang in een gesloten inrichting. 

Tijdens de verhoren zegt hij meermalen tegen de politie: ‘Onthoofd me, maar stop me nooit meer in het gekkenhuis.’

De zaak komt in december 1924 voor de rechter en is in de Weimarrepubliek het gesprek van de dag. 

Het publiek neemt toneelkijkers mee om het monster te kunnen bestuderen, en kranten brengen een speciale editie uit. Seks, dood en perversiteit, het publiek smult ervan.

Na 10 dagen wordt Haarmann veroordeeld voor 24 van de 27 moorden waarvoor de politie bewijzen overlegt. 

In zijn vertwijfeling over het feit dat zijn grote liefde Hans Grans schaamteloos het vege lijf probeert te redden door alle schuld op hem af te schuiven, barst Haarmann uit: 

‘Grans dreef de jongens niet alleen in mijn armen. Grans geilde me niet alleen op en leerde de jongens hoe ze mij wild konden maken. Grans buitte mijn razernij niet alleen uit maar bewerkte mij dagenlang om iemand te vermoorden wiens broek hij graag wilde. Grans moordde zelf!’

Grans krijgt de doodstraf voor aanzetten tot moord, en op 19 december 1924 wordt ook Haarmann ter dood veroordeeld. Hij wordt op 15 april 1925 onthoofd.

Haarmanns laatste wens is dat de woorden ‘Hier rust de seriemoordenaar Haarmann’ op zijn grafsteen komen te staan. Ook vraagt hij om een laatste nacht met Grans. 

De verzoeken worden niet ingewilligd. Na de executie wordt Haarmanns hoofd bewaard, zodat de structuur van zijn hersenen kan worden onderzocht. Het hoofd bevindt zich nu op de universiteit van Göttingen.

Lees ook

 Christine Pozsár/Michael Farin: Die Haarmann-protokolle, Belleville Verlag, 2009. Theodor Lessing: Haarmann – Die Geschichte eines Werwolfs, Deutscher Taschenbuch Verlag, 1995.

Luister naar het Haarmann-lied: Warte, warte nur ein Weilchen (Wacht nu nog een tijdje).

Bekijk ook ...