De regenboog Bifröst was cruciaal in de Vikingmythologie. Alleen via deze brug konden mensen en goden elkaars wereld bereiken.

© Per O. Jørgensen/Historie

Vikingen gaven alles voor Walhalla

Alleen de grootste Vikingkrijgers kwamen in het paradijs van de Scandinaviërs, Walhalla, want de weg erheen was vol dood en bloedige rituelen. Maar eenmaal in het huis van Odin was het genieten geblazen. De krijgers mochten elke dag op de vuist, oneindige ladingen vlees naar binnen schrokken en hun dorst lessen met mede, gemolken van een geit.

18 mei 2017 door Troels Ussing & Andreas Abildgaard

Een enorme brul stijgt op naar het hoge plafond van de hal als een van de twee Vikingen onder de balken tegen de vlakte gaat. 

Zijn wankelende tegenstander steekt triomfantelijk zijn bebloede vuisten in de lucht, terwijl het publiek jubelt. 

Er zijn weinig dingen waar de krijgers zo vrolijk van worden als van een gevecht, hier in de woning van de oppergod Odin: Walhalla.

De enorme hal is een krijgersparadijs voor Vikingen die een eervolle strijd zijn aangegaan – geselecteerd door Odin zelf. 

Elke dag kunnen vechtjassen er in deze zaal naar hartenlust op los meppen.

Bij Odin bereiden de krijgers zich elke dag voor op Ragnarok: de ondergang van de wereld. ’s Morgens pakken ze hun helm, maliënkolder en wapens. 

De hele dag strijden de mannen in oorlogstenue op de vlakte buiten Walhalla. Valt een krijger dood neer tijdens de strijd, dan brengen de Walkuren – de vrouwelijke krijgers van Odin – hem weer bij.

Bij zonsondergang keren de uitgeputte Vikingen terug naar Walhalla, waar ze zich te buiten mogen gaan aan vlees en mede van twee magische dieren: het zwijn Sæhrímnir en de geit Heidrún.

Het festijn gaat tot in de late uurtjes door. Dronken krijgers schreeuwen en zingen tot ze hees zijn of doen een bordspel aan lange tafels in een van de 540 zalen van Walhalla. 

Tegen de ochtend zijn de meeste Vikingen zo zat en vol dat ze aan tafel in elkaar zakken. Maar zodra de haan kraait, staan ze als één man op en zijn ze weer klaar voor een nieuwe dag met strijd en feest.

Zo stelde de bevolking in de Vikingtijd zich het paradijs voor. De Scandinaviërs hadden een godenwereld verzonnen die bij hun krijgerscultuur paste. 

Het geloof was namelijk een bont samenraapsel van Germaanse goden, Griekse mythologie en de christelijke dag des oordeels. 

Het machtige Walhalla, waar Odin met zijn krijgers woonde, stond daarin centraal. Voor de Vikingen was dit paradijs net zo echt als de wereld waarin ze leefden.

Geloof is een mengelmoes

Wat de noorderlingen precies geloofden, weet geen deskundige met zekerheid. 

Alle verhalen over hun goden en mythen zijn pas 200-300 jaar na het eind van de Vikingtijd opgetekend. Door christelijke schrijvers bovendien, die zich moesten verlaten op de plaatselijke mondelinge overleveringen.

Veel van wat bekend is, komt daardoor van mensen die zelf niet meer in de noordelijke goden geloofden. 

De verhalen die zij kenden, waren overleveringen – van generatie op generatie doorverteld bij het vuur op koude winteravonden. Waarschijnlijk zijn de verhalen door de eeuwen dus erg veranderd. 

De noordse goden die we nu kennen, kunnen dan ook afwijken van de goden die de Vikingen aanbaden.

Wanneer het geloof ontstond is niet zeker. Sommige onderzoekers stellen dat de noordse goden teruggaan tot het jaar 100. 

Ze baseren zich op bronnen uit Midden- en West-Europa, waaruit blijkt dat goden zoals de Scandinavische daar in deze periode werden aangehangen.

Volgens hen begon het geloof als een mengelmoes van de Indische en Syrische verering van natuurverschijnselen, de mythen van Germaanse buurstammen en nog veel meer.

Zo kwam het idee van de schildmaagd – een vrouwelijke krijger die zij aan zij met mannen streed – van de Germanen. Waarschijnlijk zijn daar Odins Walkuren uit ontstaan. 

Pas na de 8e eeuw kwamen er echter inscripties op runenstenen die erop duiden dat de goden daar aanbeden werden.

Ahmed ibn Fadlan, expert in islamitisch recht, zag en beschreef rond 920 de begrafenis van een Vikingvorst.

© Arkiv

Dodenrijken voor gevallen Vikingen

In de Vikingtijd werden de elementen gecombineerd tot wat nu het Asengeloof heet – de Asen waren medegoden van Odin. 

Volgens dit geloof waren er in het heelal negen rijken, en naar twee ervan gingen de zielen van dode Vikingen.

In het eerste rijk, Hel, kwam iedereen die een natuurlijke dood was gestorven. Hel begon als rustplaats voor de zielen, maar door de tijd heen veranderde dat.

In een document uit de 13e eeuw heeft Hel ongeveer dezelfde functie als de christelijke hel. Het zou een donkere, nare plek zijn, waar je niet wilde eindigen. 

Hel was echter niet alleen op het christendom geënt, maar had ook duidelijk parallellen met de Griekse mythen. Hierin bewaakt de hond Cerberus het dodenrijk. 

Bij de Vikingen vind je die hond ook, maar dan als Garmr, die luid jankte als er een ziel in Hel aankwam.

Als een krijger daarentegen sneuvelde in het gevecht, ging hij linea recta naar Odin in het machtige Walhalla – ‘hal van de verslagenen’ – in Asgaard. 

Walhalla komt voor het eerst voor in de IJslandse gedichten van de 9e eeuw, al zijn er ook onderzoekers die beweren dat de hal teruggaat tot rond het jaar 500.

Eén tak van onderzoek houdt het erop dat Walhalla geïnspireerd is door oude Indo-Europese ideeën over een hemels dodenrijk. 

Andere onderzoekers denken dat het uit het christelijke hemelrijk is ontstaan nadat de Vikingen met het christendom in contact kwamen. Men is het er echter over eens dat Walhalla de Vikingversie van het paradijs was.

Walhalla is hemel van de krijgers

Natuurlijk onderscheidde Walhalla als Vikingparadijs zich van de christelijke variant. In plaats van een vredig leven wachtte de vechtlustige Scandinaviërs een regelrecht oorlogsparadijs met de hele dag door gevechten.

Na strijd leveren waren eetfestijnen de grote hobby van de Vikingen, en in het hiernamaals was het uiteraard elke dag raak met vlees en mede in overvloed.

Het vlees kwam van Sæhrímnir, een everzwijn dat elke dag geslacht werd door de kok Andhrímnir en gegeten door Odins uitverkorenen. 

Hoeveel voedsel de hongerige, moegestreden krijgers ook wilden hebben, er was altijd meer. En de dag daarna sjokte Sæhrímnir weer vrolijk knorrend rond voor de poorten.

Ook aan mede ontbrak het nooit, want op het dak van Walhalla leefde de geit Heidrún. 

Ze at bladeren van de hoge boom Læradr, en uit haar uiers liep een constante stroom mede in een gigantisch vat, dat nooit leeg raakte.

Het was geen toeval dat het feestmaal werd geleverd door een varken en een geit. Allebei de diersoorten werden veel gehouden in de Vikingtijd, dus het is niet zo gek dat de krijgers in Walhalla van deze dieren aten en dronken.

Het Vikingparadijs week dus nogal af van de vredige, christelijke oase. Maar op één punt kan het geloof in Odin en de Asen rechtstreeks zijn geïnspireerd door het christendom. 

De twee religies lijken namelijk sterk op elkaar in hun ideeën over de dag des oordeels.

In beide geloofsrichtingen gebeuren er op de dag des oordeels natuurrampen, die ertoe leiden dat de wereld ten onder zal gaan en opnieuw ontstaat – wat de Vikingen Ragnarok noemen.

Odin bepaalt het lot van de doden

Of een Viking rijk of arm was, Walhalla was dus de plek waar hij zijn dagen hoopte te eindigen. Want hier kreeg hij de mogelijkheid om te vechten tijdens Ragnarok. 

Maar Odin moest beslissen of een krijger dat waard was.

Als leider van de Asen en doodsgod van de Vikingen was Odin ook heerser van Walhalla. Hij stamde van de oude Germaanse god Wodan af, die voorkomt in meer Noord-Europese religies.

De Vikingen waren er zeker van dat de eenogige, grijsbebaarde oppergod zich altijd schuilhield op het slagveld. Hier bepaalde hij wie er moest winnen – en wie er moest sterven.

‘Odin bezit jullie allemaal,’ riepen de Vikingen dan ook over het strijdtoneel, voordat ze hun bijl door de lucht gooiden en hun zwaard in de ingewanden van de vijand boorden.

De uitkomst van de slag had Odin al bepaald voordat er een druppel bloed op het gras viel. 

Voor een krijger was het dan ook niet het belangrijkste om te zegevieren of te overleven, maar dapperheid te betonen als hij oog in oog stond met de dood. Want een eervol einde op het slagveld was een ticket naar Walhalla.

Daarom maakten de door testosteron bevangen Vikingen zich ernstig zorgen als ze op leeftijd waren maar nog niet waren gesneuveld. 

Als je je laatste adem uitblies in een oud, slap lichaam, kon je Odins Walhalla op je buik schrijven.

Walhalla was een paradijs. Klik op de illustratie om te zien hoe de gevallen Vikingen in de watten werden gelegd.

Rituelen variëren per streek

Eervol sterven in de strijd was echter niet genoeg. De Scandinaviërs geloofden vast dat ze na de dood naar het dodenrijk gingen, en dan moest je iets te eten en te drinken bij je hebben. 

Daarom stopten de Vikingen de graven er vol mee, zodat de dode onderweg niets tekortkwam. Rijke doden kregen ook een paard mee in het graf voor in het hiernamaals.

Grafvondsten in Scandinavië en door Vikingen veroverde gebieden getuigen echter van variërende begrafenisrituelen – het graf van een berooide boer bevatte ten hoogste zijn lievelingsmes en wat voedsel, terwijl een welgestelde Viking met veel aanzien een grootse begrafenis met verschillende wapens en andere benodigdheden te beurt viel.

Armelui droomden van een schip als laatste rustplaats, de deftigste begrafenis, maar de zware levensomstandigheden maakten het de samenleving onmogelijk een kostbaar schip te offeren telkens als er een ziel verloren ging. 

Grafvondsten duiden erop dat de Vikingen daarom stenen in een bootvorm legden, zodat de dode symbolisch in een schip werd weggezonden.

Voor rijkelui kon het allemaal niet op. De meest spectaculaire ceremonieën eindigden er vaak mee dat het schip met de dode aan boord de zee op of de fjord in geduwd werd, terwijl de vlammen het langzaamaan verteerden.

Kort daarop zonk de boot met voedsel, sieraden, wapens, schalen, munten en al. Andere keren werd het schip op het land verbrand met de steven naar het water toe gekeerd.

Het scheepsgraf met lijkverbranding was lang niet de enige manier waarop Vikingen afscheid van de doden namen. 

Er waren ‘gewone’ teraardebestellingen van vrouwen met sieraden en mannen met wapens. Hoofdmannen werden in sommige streken ook verbrand begraven in een houten kamer. 

Daarvoor maakten de Vikingen een hoop aarde met een holte erin, die ze verstevigden met op maat gemaakte planken. In die ruimte werd het stoffelijk overschot gelegd, met bezittingen van de dode. Hoe machtiger de dode, des te groter werd het graf.

Een begrafenis was een prestigieuze aangelegenheid voor de familie van de overledene. Wie geld had, liet meestal enorme grafheuvels voor familieleden aanleggen. 

Waarschijnlijk groeven slaven bergen aarde op in de omgeving, om ze op de begraafplaats te storten. Daarna werden de heuvels vaak versierd met grote opstellingen van stenen.

Als een bijzonder machtige man was overleden, kon hij in de dood gezelschap krijgen van een slaaf. 

Dit gebruik kennen we onder andere dankzij een Arabische diplomaat, die rond 920 de begrafenis van een Viking bijwoonde.

Vrouw doet de ronde voor haar dood

Ahmed ibn Fadlan was door de kalief van Bagdad uitgezonden naar de rivier de Wolga, waar een groep Vikingen hun hoofdman zou begraven.

Fadlan was hevig gefascineerd door het hele begrafenisproces, vooral toen hij vernam dat een slaaf de hoofdman naar het dodenrijk zou vergezellen.

‘Wie wil er samen met hem sterven?’ vroeg een familielid van de dode aan een schare slaven die de hoofdman hadden gediend. ‘Ik,’ sprak een slavin uit eigen beweging, waarna twee andere slaven de taak kregen haar voor te bereiden op de brandstapel.

De slaven wasten de voeten van de vrouw en brachten haar kroezen bier om in de stemming te komen. Fadlan merkte op dat de slavin, die doordrongen was van haar aanstaande dood, ‘zong met een blijdschap die een zegening leek aan te kondigen’.

Het geluksgevoel was mogelijk al wat weggeëbd toen de slavin in haar laatste dagen op aarde de zware tocht van tent naar tent in het kamp moest maken, waar de mannen haar opwachtten.

‘Zeg tegen je heer: “Dit heb ik alleen uit liefde voor jou gedaan,”’ zei elke man ritueel tegen haar, voordat hij haar de kleren van het lijf rukte en haar nam.

Deze seksuele daad diende ertoe om het zaad, en daarmee het leven, aan de overleden hoofdman door te geven

Omdat veel Vikingen op zee stierven, ontstond de voorstelling van een alternatief dodenrijk onder water. De godin van de zee, Rán – getrouwd met de zeegod Ægir – ving de verdronken Vikingen in haar net en leidde ze naar haar rijk op de bodem van de zee.

© Elisabeth Alba

Mensenoffers zijn gift aan goden

Ook wat offers betreft liepen de rituelen en gebruiken van de Vikingen uiteen. Het offeren van mensen zoals Fadlan zag, was lang geen gewoonte. 

Meestal waren dieren zoals paarden, koeien en varkens de klos, of de Vikingen legden sieraden, schalen en bekers in het graf.

Er zijn echter meer vondsten gedaan waarbij een of meer slaven meegegeven werden bij wijze van kostbare grafgift. Opgravingen duiden er zelfs op dat er

Vikingen waren die slaven onthoofdden of ze met geboeide handen en voeten het graf in stuurden.

Schriftelijke bronnen vermelden dat Odin, de god van de dood, mensenoffers eiste. Daarom is het waarschijnlijk dat de kostbare offers ingegeven werden door de gedachte aan Walhalla. 

Die morbide offers waren niet nodig als Vikingen aan een ziekte of door ouderdom stierven, want dan maakten ze sowieso geen schijn van kans om door Walkuren naar Walhalla te worden gebracht.

In Fadlans verhaal uit Rusland lijkt het erop dat de dode naar Odins Walhalla zou gaan, want de slavin werd ritueel – en heel krijgszuchtig – herhaaldelijk met een dolk gestoken.

Volgens de Arabier tilden mannen de slavin over ‘iets dat ze als een drempel hadden neergelegd’, en toen ze erover uitkeek, riep ze uit: 

‘Kijk! Ik zie mijn heer zitten in het paradijs, het paradijs is mooi en groen, en bij hem zijn

mannen en kinderen.’ Volgens historici wijzen deze rituelen erop dat de dode naar het beloofde Walhalla afreisde.

Een veel gebruikelijker begrafenis- en brandstapelritueel van de Vikingen was het drinken van mede.

Fadlan vertelt dat wel een derde van het vermogen van een overledene in mede ging zitten, want het drankgelag na een begrafenis was een hoogtepunt voor de Vikingen. 

Niet alleen omdat ze zich dan konden bezatten, maar ook omdat het drinken van mede direct verband zou houden met de goden en het dodenrijk. 

Daarmee was het een rituele drinkpartij, die de dode de juiste kant op stuurde.

De Scandinaviërs dachten namelijk dat het eerste wat de dode in Walhalla zou ontmoeten, een hoorn met de goddelijke drank was, die de gevallen krijger in het leven in Walhalla inwijdde.

Afscheid eindigt in vlammenzee

Aan de Wolga in de jaren 920 hield de moslim Ahmed ibn Fadlan zich vast verre van de mede, maar de diplomaat was wel aanwezig bij het dramatische afscheid van de alom gerespecteerde hoofdman, dat bijna ging beginnen en dat hem hevig zou aangrijpen.

De Arabier ging naar de rivieroever, waar een schip aan wal lag. Op het dek stond een bank waar de dode hoofdman op lag. 

Naast hem zetten de Vikingen de slavin neer, die ze van tevoren hadden gewurgd en doodgestoken.

De menigte week wat achteruit, en een naaste verwant van de dode ging voor de hele bende Vikingen staan – en voor Fadlan en zijn tolk.

‘De verwant nam een stuk hout en stak het aan. Toen liep hij achteruit met zijn rug naar het schip en zijn gezicht naar het volk, terwijl hij het stuk hout in de ene hand hield en zijn andere hand op zijn rug liet rusten – en hij was naakt!’ schreef een verwonderde Fadlan.

Met een rustige beweging stak het familielid een stapel stammen en takken aan die onder het schip was aangebracht. 

Daarna deed elke Viking hetzelfde met zijn eigen brandende stuk hout, maar met de kleren aan. Vervolgens namen ze allemaal weer hun positie in een eindje van het vaartuig vandaan, om te zien hoe de vlammen langzaam aan het hout van het schip begonnen te likken.

‘Jullie Arabieren zijn dom,’ klonk het ineens van een Viking naast Fadlan.

‘Waarom?’ vroeg de moslim enigszins verbaasd via zijn tolk.

‘Ja, jullie gooien degene die jullie het meest liefhebben en hoogachten in de grond, waar ongedierte en wormen hem opvreten. 

Wij daarentegen verbranden hem in een mum van tijd, zodat hij meteen naar het paradijs gaat,’ pochte de grote Viking – waarna hij in luid hoongelach uitbarstte.

Het vuur knetterde en er stak een stevige wind op, waardoor het schip al snel opging in een feloranje vlammenzee. 

Metershoge vuurtongen en rookwolken schoten naar de hemel, terwijl de levenloze lichamen op het dek hevig brandden. 

Nog geen uur later waren het schip, het hout, de slavin en de hoofdman vergaan tot as. Die laatste had volgens het Vikinggeloof het ondermaanse verruild voor Walhalla.

Bij Ragnarok trekken de goden ten strijde tegen de reuzen samen met de krijgers van Walhalla.

© Tom Thiel/Amon Amarth

Ragnarok is eind en begin

De Vikinghoofdman zou bij aankomst in Odins zaal plaatsnemen tussen de krijgers die daar op de dag des oordeels wachtten: Ragnarok.

De reuzen zouden dan uit het gloeiend hete Muspelheim – ‘vlamland’ – komen en zich opstellen voor de regenboogbrug Bifröst. 

Bij het zien daarvan laat Heimdal – de wacht van de goden – zijn machtige hoorn schallen om goden en krijgers op te roepen voor de strijd. 

Onder leiding van Surt met zijn vlammende zwaard steken de reuzen Bifröst over, die echter onder het leger bezwijkt.

Dan begint de strijd – de zon wordt verduisterd, de wereld overstroomt en de sterren doven. Odin wordt opgeslokt door de wolf Fenrir, en Thor doodt de Midgaardslang met zijn hamer. 

Maar na negen stappen bezwijkt deze dondergod zelf aan zijn verwondingen. De strijd is ten einde als de reus Surt zijn brandende zwaard naar de aarde gooit en de wereld in vuur en vlam zet.

Ten slotte dooft het vuur en trekt het water zich terug. Slechts twee mensen hebben het overleefd: 

Líf en Lífthrasir. Deze vrouw en man moeten nu de aarde bevolken. Uit het dodenrijk Hel komen Odins zoons om hun vaders lege plek in de zalen van Walhalla in te nemen.

Bekijk ook ...