Vrijen voor het vaderland

Importbruid. Is dit fenomeen ontstaan omdat bepaalde minderbedeelde mannen er soms bekaaid vanaf komen? Of geldt ook hier: wat van ver komt is lekker? Het is een gespreksonderwerp dat vaak gepaard gaat met gegniffel. Maar wist je dat de exportbruid al veel langer bestaat?

1 september 2017 door Marleen Stavenuiter | Het Scheepvaartmuseum Amsterdam

De specerijeilanden de Molukken en Banda in het oosten van het huidige Indonesië waren in de Gouden Eeuw de voornaamste reden om te gaan reizen. Op kruidnagel, nootmuskaat en peper werd in Nederland veel winst gemaakt en het was voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie dan ook logisch om zich te vestigen bij de bron. 

De focus kwam te liggen op de Banda-eilanden, temeer omdat de Portugezen zich daar niet hadden gevestigd. Jan Pieterszoon Coen werd benoemd tot gouverneur-generaal en De Heren XVII, de hooggeplaatste bewindhebbers van de VOC, hadden een duidelijke opdracht voor hem. Ze hadden Coen te verstaan gegeven een constante geldstroom te genereren naar de Republiek vanuit Indië door handel in specerijen te ontwikkelen en te stimuleren. 

Coen heerste, als hoogste man in Oost-Indië, met harde hand. In Het grote VOC boek (Wbooks 2017) zijn brieven te lezen van Coen aan de Heren XVII, waarin hij rapporteert over de goede resultaten die hij boekte. Coen zorgde ervoor dat de 600 gulden die hij per maand van de VOC kreeg gerechtvaardigd waren en de opdrachtgever tevreden was. 

Jan Pieterszoon Coen was de hoogste man in Indië.

Heiligt het doel de middelen?

Met een vertraging van enkele maanden kwamen per post de resultaten, en de verhalen, aan in Amsterdam. Over de harde feiten was men tevreden. Inderdaad: het geld stroomde binnen. 

Maar er ontstond discussie over de manier waarop geregeerd werd op Banda. Was het barbaarse gedrag van Coen aldaar regelrecht wanbeleid? Coen had een eigenzinnige, utilistische werkwijze. Dit betekende in de praktijk dat de morele waarde van een handeling werd bepaald door de bijdrage aan het grotere goed. Niets of niemand werd gespaard. De lokale bevolking ging gebukt onder zijn nietsontziende vastberadenheid en velen van hen vonden onder zijn bewind de dood. 

Op zoek naar vrouwen

Na jaren van oorlog waren er van de inheemse bevolking weinig mensen over. Coen bouwde Hollandse nederzettingen, steden en plantages en een klein deel van de bevolking ‘mocht’ blijven, om vervolgens als slaaf het zware werk te doen. 

Toch miste Coen nog iets. Hij stuurde de Heren XVII wederom een brief, waarin hij uitlegde vrouwen nodig te hebben: ‘Wie en weet niet, dat het menschelijck geslacht sonder vrouwen niet bestaen can?’ Coen moet hebben gedacht dat als de belangrijkste steden in Indië overwegend blank waren, de loyaliteit aan de Nederlandse overheersers groter zou worden. Dat zou minder goed werken met gemengde rassen. Inladen dus, die Hollandse vrouwen. 

De zaken gingen goed onder Jan Pieterszoon Coen. Veel koopvaardijschepen en galjoenen voeren heen en weer tussen Indië en de Nederlanden.

Een onderdeks kippenhok

De ongehuwde vrouwen gingen naar zee. Een vreemde gewaarwording in een tijd waarin vrouwen op VOC-schepen streng verboden waren. De dames waren jong, de meerderheid was rond de 20 jaar oud. 

Waarom kiest een jonge vrouw ervoor de halve wereld over te zeilen om daarna als bruid op bestelling te moeten trouwen met een lokale VOC-gezant? De reden was simpel: geld. De vrouwen kregen een gratis overtocht, kleding en een bruidsschat. De enige verplichting was trouwen. 

Coen was echter niet tevreden met de exportbruiden. Hij verzocht Amsterdam om ‘geen lichte vrouwen uyt het vaderlant’ te sturen. Coen schaamde zich voor zijn vrouwelijke landgenoten. De lichte vrouwen gedroegen zich in hun nieuwe land onbeheerst en waren een schande voor de natie. 

Jonge Nederlandse vrouwen werden naar Indië verscheept om daar te trouwen.

Deugdzame huwelijkspartners

Niet alleen de morele kwaliteit van de vrouwen was slecht, hun gezondheid liet ook te wensen over. Dat had niet alleen te maken met de erbarmelijke omstandigheden op de VOC-schepen waarmee de vrouwen vervoerd werden. 

Pieter Both, de voorganger van Coen die zich in zijn tijd ook bezighield met het ‘vrouwenvraagstuk’, had al eens bij de VOC geplaagd ‘dat sij meest bedorven sijn voor ’t vertreck van ’t vaederlandt’. Hoe kon je een gedegen natie stichten aan de andere kant van de wereld met ongezonde, onzedelijke en klagende vrouwen? 

Hoezeer Coen ook zijn wensenlijstje probeerde te dicteren, de vrouwen konden hem niet bekoren. Zo moesten Coen en consorten als laatste noodgreep uitwijken naar lokale vrouwen. Coen wilde de slavinnen opvoeden tot deugdzame huwelijkspartners voor de Nederlandse mannen. Dat ook dit met dwang gepaard ging, paste precies in zijn werkwijze. Een florerend Nederlands-Indië was het enige wat voor hem telde. Alles voor zijn vaderland!


Bron: Het grote VOC boek. Uitgeverij Wbooks Zwolle, 2017. 

Bekijk ook ...