De meeste verbrande heksen hadden onder marteling bekend.

© Tim Chew, MHB

Europese ‘heksen’ werden vervolgd en gemarteld

Ze deden het met de duivel, smeerden zich in met het vet van gekookte baby’s en lieten zwarte magie los op onschuldigen. Eeuwenlang was hekserij de ergste misdaad die een vrouw kon begaan, en was ze eenmaal aangeklaagd, dan wachtte haar vrijwel zeker de brandstapel.

21 december 2017 door Natasja Broström & Andreas Abildgaard

Voor de laatste keer kijkt de beul naar de vrouw die hij aan een paal geketend heeft. 

Dan houdt hij zijn fakkel bij het aanmaakhout dat onder haar blote voeten ligt. 

Al snel gilt de veroordeelde het uit van de pijn.

Een dikke, zwarte rook daalt neer over het plein voor de rechtbank van de Duitse stad Fulda op deze najaarsdag in 1603. 

De toeschouwers deinzen terug vanwege de hitte terwijl de rook en de stank van verschroeid vlees zich verspreiden. Dan sterft het gegil weg. De hoogzwangere Merga Bien is uit haar lijden verlost.

Op het plein glimlacht Balthasar von Dernbach tevreden. De abt van Fulda is net begonnen aan zijn levens-werk: zo veel heksen verbranden als hij maar kan. 

Dat Merga zwanger was en dus niet mocht worden terechtgesteld, deert hem niet. Volgens de aanklacht was het kind verwekt door de duivel zelf.

De onfortuinlijke Merga Bien is pas de eerste. Tot zijn dood drie jaar later zal Balthasar von Dernbach ruim 250 mensen martelen en ombrengen. 

Ze bekennen zuigelingen opgegeten en vee vergiftigd te hebben, en te hebben deelgenomen aan nachtelijke, goddeloze feesten – de heksensabbat – waar ze het achterwerk van de duivel hebben gekust.

De heksenvuren branden niet alleen in Fulda. 

Van Hongarije tot Schotland worden de brandstapels aangestoken en weergalmt het gekrijs van de slachtoffers. 

In de 17e eeuw breekt er opnieuw een heksenhysterie uit – en er is maar één manier om van een heks af te komen.

Veel vermeende heksen werden aan hun handen vastgebonden en met een wipgalg opgehesen, waardoor de schouders uit de kom raakten.

© Nicolay Bessonov

Kruidenvrouwtjes worden heksen

Het idee van heksen en toverij is veel ouder dan het christendom en is terug te voeren tot oeroud bijgeloof. 

In vroege culturen probeerden ‘magiërs’ mensen bij te staan met toverkunst en kennis van geboorten of geneeskrachtige kruiden, maar aan het begin van de middeleeuwen werden deze kruidenvrouwtjes ervan verdacht hun magische krachten voor kwade doelen aan te wenden.

Tot ver in de middeleeuwen hield de kerk zich verre van dit bijgeloof. Dat blijkt onder meer uit de wetsteksten van het 12e-eeuwse Canon episcopi. 

Er wordt beschreven hoe de kerk dient om te gaan met kwesties rond erfenissen, huwelijken en ontrouw, maar er zijn geen richtlijnen voor hekserij. 

Volgens de kerkgeleerden was dat namelijk pure verbeelding van simpele zielen, zo stond er te lezen in de wetten.

Tot aan de 13e eeuw nam de kerk verhalen over hekserij die her en der de ronde deden dan ook niet serieus – al roept de Bijbel op om heksen te doden. 

‘De toveres zult gij niet laten leven,’ gebiedt Exodus 22. Van goede christenen werd verwacht dat ze geruchten over magische krachten afdeden als onzin-praatjes. 

Sommige vorsten veroordeelden zelfs het lynchen van heksen, onder wie de Hongaarse koning Koloman (1095-1116), die stelde dat ‘heksen niet bestaan’. Zo eenvoudig was het.

Maar het bijgeloof was hardnekkig. Zo dachten boeren dat heksen hagelbuien veroorzaakten die de oogst verwoestten. 

In de steden liepen alchemisten, die op zoek waren naar een manier om lood in goud om te zetten, het risico op een aanklacht wegens een pact met de duivel. 

Het verdachtst waren natuurgenezers die als vroedvrouw werkten en ziekten genazen met kruiden. Met hulp van de duivel brouwden ze dodelijke elixers.

Gaandeweg veranderde de houding van de kerk over het bijgeloof. Binnen een paar eeuwen sloeg de onverschilligheid om in blinde paniek.

Ketters steken brandstapels aan

In 1215 riep paus Innocentius III (1198-1216) het Vierde Lateraans Concilie bijeen, een kerkelijke top over de urgentste kwestie van die tijd: de ketterij die overal om zich heen greep. 

Boven aan de lijst stonden de Franse katharen, aan wie wij ons woord ‘ketter’ danken. 

De angst voor de katharen was zo groot dat er een ingrijpend besluit werd genomen: een-ieder die beticht werd van ketterij, moest voortaan zijn onschuld aantonen, anders wachtte de brandstapel.

Deze beslissing kreeg verstrekkende gevolgen – niet alleen voor de katharen, maar voor alle vrouwen en mannen die de volgende eeuwen werden beschuldigd van toverij of volgens de kerk een pact met de duivel hadden gesloten. 

Voor de kerk stond dit gelijk aan ketterij, en daar stond de doodstraf op.

Om verdachten op te sporen riep paus Gregorius IX (1227-1241) in 1231 een korps van ketterjagers in het leven: de inquisitie. 

Deze speurneuzen kregen de vrije hand om ketters aan te houden en te verbranden.

Al snel kwamen ook vermeende heksen, tovenaars en duivelsaanbidders in het vizier.

In Duitsland zag inquisiteur Koenraad van Marburg overal spoken. Vrouwen en mannen, boeren en edelen – niemand kon zich veilig wanen als Koenraad in de buurt was. 

De inquisiteur ging zo grondig te werk dat de aartsbisschop van Mainz na twee jaar een smeekbede aan de paus stuurde om het volk bij te staan: 

‘Valse bekentenissen worden geloofd, maar rechtvaardige processen zijn er niet.’

De paus bleef echter vierkant achter zijn inquisiteur staan, en Koenraad bracht in Mainz, Keulen en Trier duizenden mensen op de brandstapel.

Pas toen de inquisiteur Hendrik van Sayn, een graaf uit het Rijnland, ervan beschuldigde aan ‘satanische orgiën’ deel te nemen, was de maat vol. 

Een groep ridders wachtte Koenraad en zijn gevolg op een landweggetje op en bracht hen allemaal om het leven. 

De daders werden nooit opgespoord en de ketterjacht in westelijk Duitsland luwde.

Weduwe doet het met een demon

Al deden de inquisiteurs nog zo hun best, er kwam geen einde aan de ketterij. 

In 1324 deed de Ierse bisschop Ledrede een schokkende ontdekking: zijn parochie zag zwart van de ‘ketterse toveressen’, zoals de geestelijke zelf schreef in het verslag van de rechtszaak.

Na zweepslagen te hebben gekregen gaf een dienstmeisje toe dat haar bazin, Alice Kyteler, de leider was van een groep die midden in de nacht levende dieren in stukken sneed en aan een ‘demon uit de onderwereld’ offerde.

De circa 60-jarige Kyteler zou seks hebben gehad met de demon en kon mannen impotent maken met zwarte magie. 

Tijdens een van haar rituelen legde ze het haar van doden in de schedel van een onthoofde rover. 

Tijdens het proces bleek ook dat de heksen elixers brouwden van het lichaamsvet van doden, veelal ongedoopte kinderen.

Alice Kyteler wist naar Engeland te vluchten, maar het dienstmeisje en de rest van de groep kwamen op de brand-stapel wegens ketterij en toverij. 

Het was vermoedelijk de eerste zaak over hekserij waar een verslag van is.

Terwijl de Ierse vrouwen brandden, stelden de priesters het volk gerust: het was allemaal volgens de Bijbel. Gij zult immers de toveres niet laten leven.

Wil je als eerste nieuws uit de geschiedeniswereld horen?

Meld je dan hier aan voor onze nieuwsbrief.

Oude vrijsters koken kinderen

Het Ierse proces leidde tot een golf van heksenvervolgingen. 

De ketterjagers hadden hun handen vol in Oostenrijk, Italië en Duitsland, en in Frankrijk waren er processen in grote steden: Avignon (1335), Toulouse (1353) en Parijs (1390).

De verdachten waren vaak vrouwen van boven de 50. Ze werden gegeseld, wat normaal was voorbehouden aan zware misdadigers, en ze mochten niet slapen tot ze hun zonden opbiechtten. 

Deze vrouwen bekenden na verloop van tijd dat ze hun buren hadden vervloekt en tijdens nachtelijke seances baby’s hadden gegeten, naakt hadden gedanst en de duivel hadden aangeroepen.

De kerk was geschokt door de vele bekentenissen. Duivelskunsten tierden blijkbaar welig, ook onder schijnbaar vrome christenen.

In 1398 bepaalde de theologische faculteit van de universiteit van Parijs dat hekserij gelijkstond aan ketterij en keihard bestreden diende te worden.

In heel Europa werd over de zaken gepraat, waardoor de angst voor heksen sterk toenam. 

In deze tijd ontstond het klassieke beeld van een heks als oudere vrouw die kinderen eet en van gedaante kan veranderen. 

In 1405 schreef de Duitse theoloog Nikolaus von Jauer: ‘Demonen kunnen de gedaante van een oude vrouw aannemen en roven ’s nachts kinderen, die ze boven een vuur roosteren.’

Uitspraken als deze gooiden nog eens olie op het vuur. In de Zwitserse steden Bazel en Bern en in Freiburg in Zuid-Duitsland heerste een langdurige droogte. 

De verschijning van een komeet werd als een slecht voorteken geduid, waarna tien jaar van heksenhysterie volgden, van 1395 tot 1405.

In de 15e eeuw ging de heksenjacht door, en volgens de inquisiteur Heinrich Kramer uit Keulen kon er nog wel een tandje bij. 

In 1485 maakte hij zich zo boos over de slappe rechters dat hij zelf een kruistocht tegen heksen begon.  

Het prototype van een heks – een oude, gerimpelde vrouw – ontstond in de late middeleeuwen. 

© Walt Disney Enterprises & Imageselect

Zo herken je een heks

Zes heksentekens

  • Gerimpeld als een appel: Een heks is doorgaans oud en heeft rimpels en een kromme rug.

  • Bebaard als een man: Heksen hebben dikke wenkbrauwen en een behaarde bovenlip en kin.

  • Schots en scheef gebit: De tanden staan scheef en eentje steekt er uit.

  • Slechte ogen: Heksen hebben witte, blinde ogen of een boos, scheel oog.

  • Een lelijke stem: Een heks heeft een lage, hese stem of juist een schel piepstemmetje.

  • Een duivels hulpje: Een hond of een kat helpt de heks met haar zwarte magie. 

Heksen zijn losbandig

Kramer had een nederlaag geleden in een rechtszaak in Innsbruck tegen de koopmansvrouw Helena Scheuberin en 13 andere vrouwen die beticht werden van hekserij. 

De rechter wilde weten waarom Kramer maar bleef hengelen naar details als de maagdelijkheid en het seksuele verleden van de verdachten.

Kramers verdediging luidde: ‘Het is een wetmatigheid dat heksen van jongs af aan slaaf van hun vleselijke lusten zijn.’

De rechter maakte korte metten met de aanklacht. Vervolgens schreef Kramer een vlammend betoog.

‘Hekserij wordt veroorzaakt door vleselijke begeerte, waarnaar vrouwen smachten. Ze hebben een losse tong en het intellect van een klein kind,’ fulmineerde hij.

Twee jaar later publiceerde Kramer Malleus maleficarum, De heksenhamer. 

Het was een handleiding voor heksen-jagers, die beschreef hoe toveressen te herkennen waren, bijvoorbeeld aan hun zedeloosheid en scherpe tong.

Europa telt 26 miljoen heksen

De heksenvervolging nam weer een vlucht, onder andere in Zwitserland, Frankrijk en Duitsland, en vooral op het platteland en in onrustige gebieden. 

De provincie Béarn was het middelpunt van een twist tussen Spanje en Frankrijk.

Als de inwoners zich onveilig voelden, kon één slechte oogst voldoende zijn om een heksenwaan te ontketenen. Heksen kregen de schuld van overstromingen of juist van lange tijden van droogte.

De vrees voor duivelskunsten ging zo ver dat zelfs de kerkscheuring die na de reformatie van Maarten Luther in 1517 ontstond er geen einde aan maakte. 

In de landen die met de katholieke kerk braken was geen inquisitie meer, maar het geloof dat er overal kwaadaardige heksen rondliepen, bleef bestaan.

In Engeland nam het parlement in 1563 een wet aan tegen ‘bezweringen, betoveringen en hekserij’, waarin bepaald werd: 

‘Wie het kwaad of boze geesten oproept of toverkunst bedrijft met behulp van formules, amuletten of andersoortige magie, zal een pijnlijke dood sterven gelijk een misdadiger.’

Toen de wet op de hekserij in werking was getreden, werden Engelse heksen niet meer verbrand, maar opgehangen, net als gewone criminelen.

Heksenvervolgers hadden genoeg te doen. De Franse koning Karel IX was onthutst toen een heks in 1571 verklapte dat er 300.000 collega’s in het land waren.

De Franse heksenjager Henry Boguet beweerde dat er in heel Europa 1,8 miljoen heksen zaten. Ze waren ‘overal, als wormen in een tuin’.

In 1569 publiceerde de Frankfurtse uitgever Sigmund Feyerabend het werk Theatrum diabolorum, dat alle snode plannen van de duivel opsomde. 

Volgens Feyerabend telde Europa 26 miljoen heksen. Dat getal had hij uit zijn duim gezogen, maar het joeg de mensen de stuipen op het lijf. 

In 1580 brak de ergste heksenhysterie tot dan toe uit. 

In het westen van Duitsland kwamen duizenden mensen op de brandstapel.

Volksgericht hangt heksen op

Met name in het gebied ten zuiden van Keulen was het bar en boos. Een van de dorpen daar werd vrijwel uitgemoord. 

Uit 37 huishoudens werden 32 vrouwen en 15 mannen verbrand, terwijl er acht mensen wisten te ontkomen. Hele gemeenschappen werden weggevaagd vanwege een gebrek aan vrouwen.

‘Met deze snelheid zijn er weldra geen vrouwen meer in de stad,’ klaagde het bestuur van Rottenburg in 1585 nadat er 20 vrouwen op de brandstapel waren gegaan wegens hekserij.

De mensen bleven overal heksen zien. Als de overheid te traag was, namen de burgers het recht in eigen hand. 

Zo hing een menigte in de Noord-Franse streek Champagne 50 vermeende heksen op voordat de aartsbisschop van Reims het volk tot bedaren wist te brengen.

De vrees werd gevoed door pamfletten met tekeningen van heksen die hagelbuien veroorzaakten en koeien dood neer lieten vallen.

Tijdens een groot proces in 1590 en 1591 in Schotland werden 300 mensen aangeklaagd. 

En de Franse jurist en heksenjager Nicholas Rémy kende ‘900 ernstige aanklachten’ tegen heksen, die allemaal ‘puur feitelijk’ waren, en geen ‘ingebeelde droom’.

Naar eigen zeggen liet de gevreesde heksenjager tot zijn pensioen in 1592 ruim 800 vrouwen verbranden.

Zo’n hoog aantal was niet ongewoon: ‘Een rechter moet alle middelen inzetten die hij kan bedenken om de waarheid af te dwingen,’ schreef de Franse jurist Jean Bodin, een tijdgenoot van Rémy.

Een van deze middelen waren duimschroeven, die om de vingers van een verdachte werden geklemd en net zo lang aangedraaid tot het bot brak. 

Ook waren er houten laarzen met spijkers aan de binnenkant, en in de wipgalg werd de vermeende heks vastgebonden en via een touw aan de polsen opgehesen, zodat de schouders uit de kom schoten. 

Nadat hun botten waren gebroken, bekenden de meeste verdachten alles. 

Om de rechters te ontlasten gingen veel aangeklaagden zelfs rechtstreeks naar de martelkamer voor een snelle bekentenis.

Weduwen en oude vrijsters werden regelmatig verdacht van hekserij.

© Imageselect

Oma wordt verdacht van moord

Al die marteling – of het dreigen ermee – maakte de tongen los, en de rechtbankverslagen puilden uit van de bekentenissen. 

Zo ook in Denemarken, waar in 1612 12 vrouwen verbrand werden wegens hekserij, en in Zweden, waar talloze vrouwen bekenden ‘over berg en dal’ naar een heksensabbat gevlogen te zijn.

In het Baskenland pakte de Spaanse inquisitie in diezelfde tijd zo’n 7000 vermeende heksen op.

Er kwamen er een paar honderd op de brandstapel nadat ze hadden bekend de duivel te hebben aanbeden. 

Op een gegeven moment werd het inquisiteur Alonso de Salazar Frías te gortig: ‘Wie zou de beweringen kunnen aanvaarden dat een persoon met 300 mijl per uur door de lucht kan vliegen en dat een vrouw door een gaatje kan kruipen waar nog geen vlieg doorheen past?’

De bezwaren die Frías uitte tegen beweringen dat heksen konden vliegen en als rook door kleine gaatjes konden, droegen bij aan het einde van de heksenjacht in het noorden van Spanje.

Maar elders stak de hysterie juist de kop op, zoals in de jaren 1620 in het Steintal in de Elzas.

Daar werd Catharina Ringelspach, een weduwe, verdacht van kindermoord en hekserij. 

Op een avond had ze haar kleinzoon soep gegeven, die hij volgens het verslag ‘zonder moeite of misselijkheid’ naar binnen werkte.

Later die avond klaagde de jongen over steken in zijn zij, maar ze bracht hem naar bed. ’s Ochtends was hij dood.

Toen artsen het lichaam onderzochten, stelden ze een gebroken nek vast. 

Onder de armen had de jongen onverklaarbare rode en blauwe plekken en op zijn rug zat een wond zo groot als een munt. De rechter wist wel hoe het zat: Catharina Ringelspach had hem vermoord.

Als de weduwe beweerde onschuldig te zijn, zou de rechter ‘met marteling de waarheid uit haar halen’.

Na een tijdje in de wipgalg gaf ze toe de duivel te hebben aangeroepen en haar kleinzoon te hebben vergiftigd.

Het verslag vermeldt het vonnis niet, maar historici twijfelen er niet aan dat Catharina Ringelspach een pijnlijke dood stierf op de brandstapel.

Brandstapels vreten hout

De heksenwaan leek niet te stoppen. Alleen al in het westen van Duitsland werden begin 17e eeuw meer dan 1500 mensen verbrand, en in Würzburg in het midden van het land was het niet veel beter. 

Daar kwamen 1200 vrouwen en mannen op de brandstapel. Toen kardinaal Francesco Albizzi in 1636 van Rome naar Keulen reisde, zag hij hoe erg het was: 

‘Een vreselijk gezicht. Buiten de muren van dorpen en steden stonden er talloze palen waaraan onfortuinlijke vrouwen waren vastgebonden om door de vlammen verteerd te worden,’ stond er in de beschrijving van de geestelijke.

De hetze was zo hevig dat er een onverwacht probleem ontstond: een gebrek aan hout. Hele regio’s werden ontbost om aan hout voor de heksenbrandstapels te komen. 

In 1627 weigerden twee dorpen in de buurt van Keulen nog hout te leveren omdat de inwoners anders ’s winters in de kou zouden zitten. 

De oplossing bestond uit ‘brandhutten’, waarin meerdere heksen werden opgesloten voordat ze werden aangestoken.

In 1645 sloeg de heksenkoorts over naar Engeland. De edelman Matthew Hopkins uit Essex verdacht een groep vrouwen ervan in de buurt van zijn huis bijeen te komen om duivelse rituelen te verrichten. 

Hopkins liet hen veroordelen wegens hekserij en ging zichzelf daarna Witchfinder General noemen.

De edelman kamde heel Essex uit op heksen, en naar eigen zeggen werd de zelfbenoemde heksenjager overladen met smeekbedes om hulp van dorpen die last hadden van heksen. 

100 mannen en vrouwen lieten het leven.

Heksenjacht stopt na kritiek

Niet iedereen was te spreken over het werk van Hopkins: ‘Elke oude vrouw met een rimpelig gezicht en dikke wenkbrauwen is niet alleen verdacht, ze wordt bestempeld tot heks,’ merkte predikant John Gaule sceptisch op.

Er was steeds meer kritiek te horen op de zwakke bewijzen en de ‘afschuwelijke marteling’ zoals de Duitse theologie-professor Friedrich Spee het noemde.

In 1705 schreef de jurist Christian Thomasius uit Halle dat marteling moest worden afgeschaft. De praktijk was niet in de geest van de Heilige Schrift.

Uiteindelijk verdween marteling als onderdeel van de rechtspraak – al vanaf 1709 in Schotland en als laatste in 1788 in Frankrijk. 

Zonder de mogelijkheid om bekentenissen af te dwingen, daalde het aantal zaken tegen heksen gestaag.

De laatste officiële heksenverbranding van Europa vond in 1782 in Zwitserland plaats. 

Toen stond de teller op 50.000 verbrande vrouwen en mannen. 

Lees ook

Brian P. Levack: The Witch-Hunt in Early Modern Europe, Routledge, 2015. Robert Thurston: The Witch Hunts, Routledge, 2006.

Bekijk ook ...