Tijdens een veldslag in 1632 werd de Zweedse koning Gustaaf Adolf omsingeld door troepen van de vijand en gedood.

© Interfoto

Na de Reformatie: Heilige oorlog teisterde Europa

Door religieuze tegenstellingen stond Europa begin 17e eeuw op scherp. In 1618 barstte de bom. De Dertigjarige Oorlog tussen de Europese grootmachten liep uit op een uitputtingsslag, waarbij moordpartijen op burgers en massale verwoestingen aan de orde van de dag waren.

28 maart 2017

Op 23 mei 1618 bestormde een woeste menigte van protestanten de burcht op de heuvel Hradcany in Praag. 

Ze baanden zich een weg door de uitbundig versierde zalen, tot ze bij het vertrek kwamen waar twee katholieke bestuurders zich bevonden. 

De uitzinnige mensenmassa wierp de mannen – samen met de raadssecretaris – zonder pardon het raam uit. Ze stortten 20 meter naar beneden, de drooggelegde slotgracht in.

Gelukkig voor het katholieke driemanschap dempte een hoge mesthoop onder het raam hun val. De mannen hielden er alleen wat schrammen en een deuk in hun waardigheid aan over.

Dat dit voorval met een sisser afliep, was tamelijk uniek. Maar de botsing tussen katholieken en protestanten in Praag was wel de druppel die de emmer deed overlopen. 

30 jaar lang zou Europa in vuur en vlam staan. Historici noemen deze periode wel de generale repetitie voor de bloedige 20e-eeuwse oorlogen.

De Praagse protestanten waren zo boos omdat koning Ferdinand II van Bohemen (in het huidige Tsjechië) – de gedoodverfde opvolger van de keizer van het Heilige Roomse Rijk – hun de rechten die ze negen jaar eerder hadden gekregen, weer had afgenomen.

In 1609 had keizer Rudolf II de protestanten godsdienstvrijheid gegeven, maar zijn opvolger, de zwaar katholieke Ferdinand II, wilde ze uit de regering zetten en het katholicisme aan de burgers van Bohemen opleggen.

De protestanten beseften maar al te goed dat de reformatie nog in een precair stadium verkeerde, en waren bang dat Ferdinand eenvoudig hun terreinwinst teniet zou kunnen doen. 

Daarom namen ze geen halve maatregelen: ze gooiden de katholieke stadhouders uit het raam en zetten hun eigen koning, de protestant Frederik V, op de troon.

Terwijl de opstand zich verspreidde naar naburige gebieden, stuurden de Bohemers een leger naar Wenen om de keizer zelf af te zetten.

Maar al even buiten Praag stuitten de protestanten op een grote strijdmacht, de Katholieke Liga. 

Aan het hoofd van dit leger, dat door een aantal Duitse vorsten op de been was gebracht, stond de katholieke graaf Johan ’t Serclaes van Tilly uit Wallonië, die vanwege zijn strijdlust en onwankelbare geloof als de Geharnaste Monnik bekendstond. 

Spaanse koning wordt keizer

De Katholieke Liga en ’t Serclaes was het echter niet alleen om de godsdienst te doen. Ook politieke ambities waren een belangrijke drijfveer om de rebellen te lijf te gaan.

Terwijl Europa religieus verdeeld raakte, kwamen sterke staatsmachten op die zich in politiek opzicht los wilden maken van de paus.

De machtigste hiervan was Spanje, een katholieke staat die in de 16e eeuw was uitgegroeid tot een wereldmacht dankzij de opbrengsten van zijn goud-mijnen in Zuid- en Midden-Amerika.

Spanje beleefde zijn hoogtepunt toen zijn regent Karel V tot keizer van het Heilige Roomse Rijk werd uitgeroepen en een groot deel van Europa regeerde.

Toen Karel zijn rijk in 1556 opdeelde in een Spaans en een Rooms-Duits deel onder Ferdinand I, bleef er een nauwe band tussen de twee rijken bestaan.

Een protestantse koning in Praag en boze opstandelingen op weg naar Wenen vormden een bedreiging voor de Spaanse positie, en de Spanjaarden zetten alles op alles om een grootmacht te blijven.

Het Boheemse leger bij Praag was kansloos tegenover de goed getrainde soldaten van de liga. Na luttele uren lagen er 4000 dode protestanten op het slagveld, terwijl er maar 700 katholieken omkwamen.

In de straten van Praag brak paniek uit toen overlevenden vertelden van de protestantse nederlaag. Frederik vluchtte hals over kop met zijn hofhouding, en de katholieken trokken de stad binnen.

Alle grond van de opstandelingen werd in beslag genomen, waardoor volgens historici 60 procent van de Boheemse grond van eigenaar wisselde. 300.000 protestanten sloegen op de vlucht uit vrees voor een bloedbad.

Protestanten braken in 1618 in de koninklijke burcht van Praag in. Ze gooiden twee katholieke bestuurders uit het raam, de aanleiding tot 30 jaar bloedige oorlog in Europa.

© Bridgeman

Spanje zet de aanval in

De gebeurtenissen in Bohemen vielen samen met het eind van het Twaalfjarig Bestand in de Tachtigjarige Oorlog tussen Spanje en de Nederlanden.

Spanje voelde zich gesterkt door de zege in Praag, en er gingen stemmen op om de strijd tegen de Nederlanden te hervatten.

Het duurde niet lang of de Spaanse kanonnen gaven de weerspannige protestanten er weer van langs.

Ook in Duitsland braken gevechten uit toen de verdreven opstandelingen uit Bohemen de handschoen opnamen tegen de katholieken.

Ze wisten de steun te verwerven van protestantse vorsten, en al snel breidde de strijd zich naar heel Duitsland uit.

In heel Europa spraken protestantse machthebbers er schande van dat de katholieken hun geloofsgenoten op de korrel namen, maar doorgaans bleef het bij woorden.

Engeland, het machtigste protestantse rijk, had net een kostbare oorlog tegen Spanje achter de rug en wilde niet nogmaals betrokken raken bij een strijd op het continent.

Dit gold ook voor Zweden, dat over een behoorlijke legermacht beschikte, maar het land had zijn handen vol aan de strijd in Polen.

Daar vocht Zweden om de heerschappij over de Oostzee, die voor de handel erg belangrijk was.

Christiaan IV, koning van de dubbelmonarchie Denemarken-Noorwegen, zag door dit machtsvacuüm zijn kans schoon en betrad het strijdtoneel.

Hij voelde zich door de gevechten in het zuiden bedreigd, en wilde bovendien naam maken als de voorvechter van het protestantse geloof. 

Denen delven het onderspit

In juni 1625 trok Christiaan aan het hoofd van zijn troepen Duitsland binnen, en betrok stellingen langs de rivier de Wezer, tegenover de troepen van ’t Serclaes. Maar voordat de partijen het gevecht aangingen, keerden de kansen.

Keizer Ferdinand van het Heilige Roomse Rijk, die het vechten tot dan toe aan Spanje en de Duitse katholieken had overgelaten, was zijn bondgenoten beu. Ze waren in zijn ogen inhalig en balsturig geworden.

Dit verwijt betrof vooral de Beierse keurvorst en hertog Maximiliaan, die garen had gesponnen bij de strijd van zijn troepen tegen de protestantse rebellen uit Bohemen.

Zo had hij een groot deel van Oostenrijk gekregen als onderpand voor de schuld die Ferdinand aan hem had.

Bovendien probeerde hij een wit voetje te halen bij de paus door hem zijn bibliotheek te schenken.

Maximiliaan moest maar eens een toontje lager zingen, vond de keizer, die daarom meteen toehapte toen de vorst Albrecht von Wallenstein hem een leger van 24.000 man aanbood.

Hierdoor stond Christiaan IV ineens tegenover twee enorme legers, geleid door twee van de beste generaals aller tijden: ’t Serclaes en Wallenstein.

Na slechts enkele maanden maakte ’t Serclaes bij Hannover gehakt van de troepen van Christiaan IV.

De Denen maakten rechtsomkeert, en werden op de hielen gezeten door Wallenstein, die Jutland plunderde. De aartsvijand van Denemarken, Zweden, kon nu toeslaan. 

Zweden wil grootmacht worden

In de Zweedse kerken waarschuwden de dominees voor de katholieken. Ze dreigden met hel en verdoemenis als Zweden overspoeld zou worden door de katholieke horden uit het zuiden.

Het land moest dit zien te voorkomen door een leger naar Europa te sturen.

Koning Gustaaf II Adolf was wat realistischer toen hij in 1629 opmerkte dat ‘alle oorlogen die in Europa woeden met elkaar verweven zijn en nu tot één grote oorlog zijn uitgegroeid’.

De koning verwees hiermee naar het feit dat de keizer troepen naar Polen gestuurd had, waarmee Zweden in oorlog was.

Gustaaf Adolf besloot zijn troepen in arren moede maar uit Polen terug te trekken en ze naar Duitsland te sturen. Maar gedreven als hij was – hij had in zijn 20 jaar op de Zweedse troon het bestuur en het leger van het land hervormd – ging de koning niet bij de pakken neerzitten.

Toen het geoefende Zweedse leger in september 1631 bij Leipzig de katholieken versloeg en optrok naar de stadspoorten van München, durfde de koning van Zweden groot te denken.

Zijn dromen gingen verder dan alleen het verdedigen van het protestantisme. Eerst wilde hij uitsluitend de Duitse havensteden aan de Oostzeekust in handen krijgen, maar nu eiste hij de hele kust van de Oostzee op voor Zweden.

Volgens sommige historici wilde hij zelfs een verbond van protestantse staten in Duitsland vormen met hemzelf aan het hoofd, waarmee Zweden een grootmacht op het continent zou zijn.

Maar de droom van de koning zou niet uitkomen. Op de vroege ochtend van 6 november 1632 leverde zijn leger een veldslag tegen de keizerlijke troepen bij Lützen. De ochtendnevel lag nog over het landschap toen Gustaaf II Adolf

plotseling uit het zicht verdween. Hij was verdwaald in de mist en de dichte kruitdampen en had zijn soldaten uit het oog verloren. Soldaten van de tegenpartij brachten hem om. 

Gustaaf II Adolf betrok Zweden bij de Dertigjarige Oorlog, wat tot een bloeitijd voor het land leidde. 

© Getty Images

Zweedse leger is verdeeld

De dood van de koning was een ramp voor de politiek en het moreel, maar het militaire succes ging nog even door.

De Zweden wonnen de slag bij Lützen – 20 kilometer ten westen van Leipzig – en het Zweedse leger, nu onder leiding van rijkskanselier Axel Oxenstierna, was met zo’n 100.000 man ijzersterk.

Axel Oxenstierna genoot echter niet hetzelfde aanzien bij de soldaten als de koning. Hij was terughoudend – toen de koning nog leefde was hij altijd de voorzichtige van het stel.

Oxenstierna had zelf gezegd dat zijn koelheid het vuur van de energieke koning nog enigszins in bedwang hield.

Dit gebrek aan daadkracht leidde ertoe dat generaals het bevel overnamen over de individuele legers, waardoor er geen centrale leiding meer was.

Dit kwam de Zweden algauw duur te staan. In 1634 moesten ze zich na een nederlaag in Beieren terugtrekken. Een jaar eerder beschikte Zweden nog over zes slagvaardige legers, maar nu was

er nog maar eentje over, en een voor een lieten de Duitse bondgenoten de Zweden in de steek. Een van de eersten was het protestantse Saksen, dat in 1635 vrede sloot met de keizer omdat het bang was de oorlog te verliezen.

Oxenstierna was ten einde raad en wilde het bijltje erbij neergooien: ‘Alleen om ons gezicht te redden hebben we hier bloed vergoten, en we kunnen daar niet veel dankbaarheid voor verwachten,’ verzuchtte hij. Hij had blijkbaar niet zo helder voor ogen waar zijn land eigenlijk voor vocht.

De Duitse burgerbevolking proefde de wrange vruchten van de Zweedse crisis. Onder Gustaaf Adolf waren de Zweedse soldaten stevig in toom gehouden.

Maar Oxenstierna gaf in februari 1636 zijn troepen het bevel om te plunderen en te vernielen. Hij wilde verhinderen dat Saksen – zijn vroegere bondgenoot – nu tégen de Zweden zou gaan vechten, en een voorbeeld stellen om te voorkomen dat de andere geallieerden zich aan de kant van de tegenpartij schaarden.

De soldaten beroofden de toch al berooide bevolking en legden boerderijen en velden in de as. Uiteindelijk gingen ze zo tekeer dat de Zweedse opperbevelhebber van het gebied zich genoodzaakt zag om in te grijpen.

‘Over de ellende in deze gebieden kunnen we berichten dat dorpjes en stadjes verlaten zijn, en dat de steden grotendeels in puin liggen.

De soldaten willen geld en voedsel, maar dat is er niet meer. Al het ijzer, lood, tin en glas wordt geroofd,’ schreef het Duitse weekblad Ordinari-Wochenzeitung in 1636 over de omstandigheden in de gebieden waar de Zweden hadden huisgehouden.

Hier en daar waren de burgers zo uitgehongerd dat ze zich overgaven aan kannibalisme, schreef de krant: 

‘De mensen lopen rond als levende doden. Zelfs de lijken worden door de massa niet met rust gelaten. En ook wie nog leeft, kan zich niet meer veilig voelen, want de sterksten storten zich op de zwakken om hun honger te stillen en in leven te blijven.’

Oorlog is slopend

Niet alleen de burgerbevolking had het zwaar. Het laatste decennium van de oorlog putten de vele bloedige slagen de legers volkomen uit.

De gevechten, maar ook honger en epidemieën maakten een groot aantal slachtoffers.

In 1640 stonden de Zweden en de katholieken tegenover elkaar aan weerszijden van de rivier de Saale in Thüringen.

Ze staarden elkaar wezenloos aan, lamgeslagen door interne onenigheid, honger en ziekte, waarna beide legers onverrichter zake afdropen.

Toch ging de oorlog onverminderd door, met name doordat Frankrijk de kant van Zweden had gekozen.

Het land was weliswaar katholiek, maar het zag liever niet dat aartsvijand Spanje zijn machtspositie versterkte in Europa, en schaarde zich daarom achter de troepen van Axel Oxenstierna.

Maar de Fransen waren niet op hun achterhoofd gevallen. Ze doorzagen de politieke en militaire ambities van Zweden, en keken liever de kat uit de boom. Telkens wanneer Zweden aan de winnende hand was, trokken ze zich op het beslissende moment terug en lieten ze de Zweden aan hun lot over.

Pas in 1647, toen Frankrijk zijn eigen grenzen bedreigd zag door Beieren, dat een grootmacht was geworden in het zuiden van Duitsland, ging het echt zijn best doen om de Zweden te helpen. En al snel rukten de twee legers samen op door Duitsland en Bohemen. 

De soldaten plunderden in Duitsland, waar de bevolking zo hongerig was das ze tot kannibalisme overging.

© Bridgeman

Zweden neemt Praag in

Op 15 juli 1648 stonden de Zweedse troepen op de plaats waar de Boheemse opstandelingen 28 jaar eerder hun zo pijnlijke nederlaag hadden geleden.

Buiten de katholieke stad hoorden de soldaten de kerkklokken luiden die de monniken opriepen voor de nachtmis.

In het donker slopen de Zweden naar de stadspoort, waar ze zich schuilhielden in de tuinen van de edelen.

De volgende ochtend bestormden zo’n 3000 Zweedse soldaten Praag en namen de Hradcany-burcht in.

De keizerlijke troepen, die vanwege hun zware verliezen nog maar over 10.000 man beschikten, moesten hulpeloos toekijken vanaf de andere oever van de rivier de Moldau.

Op 24 oktober 1648 werd de vrede getekend. Alle betrokken partijen waren zo moegestreden dat zelfs de sterkste staten verwachtten met vrede meer te bereiken dan met oorlog.

Dit gold ook voor Zweden, dat nu meer macht had in het Oostzeegebied en daardoor een prominente rol zou spelen in de vredesonderhandelingen en een toekomst als grootmacht tegemoet ging.

In september 1649 werd het verdrag gevierd met een overdadig banket in het raadhuis van Neurenberg.

Aan rijk versierde tafels met het mooiste zilverwerk zaten diplomaten, edelen en militairen in vol ornaat. De tafelschikking was nog een heel karwei, want de vrede was gesloten op basis van een zeer precair evenwicht tussen de protestanten en de katholieken, en een ongelukkige plaatsing van de gasten aan de tafels mocht de vrede niet in gevaar brengen.

De gastheer, de latere Zweedse koning Karel X Gustaaf, had een oplossing bedacht die misschien niet zo comfortabel was, maar wel erg diplomatiek.

De gastheer zat niet met één eregast aan het hoofd van de tafel, maar twee gasten – een protestant en een katholiek – deelden die eer en zaten aan weerszijden van de koning.

Hiermee was de vrede bezegeld en was er eindelijk een eind gekomen aan ruim 100 jaar godsdienstige twisten in Europa. En Rome was niet langer het middelpunt van het werelddeel. 

Bekijk ook ...