Liefdevol contact tussen nonnen was niet toegestaan, maar die regel werd wel eens overtreden.

De ondeugende nonnen van de renaissance

Achter de muren van het klooster werd niet alleen maar gezongen en gebeden. Uit pas ontdekte documenten in het archief van het Vaticaan blijkt dat in de renaissance novices door verveling, verbittering en lustgevoelens op het verkeerde pad kwamen.

25 juni 2012 door Morten Rendsmark

Op een morgen in 1583 klopte Eliseo Capis, onderzoeksrechter van de paus, aan de poort van het nonnenklooster San Lorenzo in Bologna. Dat leidde tot nerveus gefluister in de gangen.

Iedereen wist dat Capis een ketterjager van de inquisitie was. Hij had drie man tot de brandstapel veroordeeld en kwam vast niet voor de gezelligheid langs. Het gerucht ging dat de nonnen van San Lorenzo aan hekserij deden, en de vertrouweling van de paus kwam poolshoogte nemen.

Capis nam plaats in het parlatorium – de spreekruimte. De kamer stond via een tralievenster in verbinding met een andere ruimte, waardoor nonnen zonder lichamelijk contact met gasten konden praten. Het werd nu gebruikt voor verhoren. De priorin – de kloosteroverste – was de eerste getuige, en Capis keek haar onderzoekend aan door de tralies.

‘Ik zeg liever niets, want ik weet er te weinig van. Maar ik heb gehoord dat er gebruik is gemaakt van hek­senkunsten om een bratsch­ (een altviool, red.) terug te vinden. Sommigen zeggen dat de novice Angela Tussignana magie gebruikte om uit te vinden wie hem had meegenomen, maar alleen God weet of dat waar is.’

Capis kreeg wel vaker ontwijkende antwoorden en wist dat het lang kon duren. Hij moest 100 nonnen en anderen die iets met het klooster te maken hadden verhoren, en vervolgens verantwoording afleggen aan de bisschop en enkele kardinalen. De regels van de kerk stonden zijn werk alleen maar in de weg. In de richtlijnen stond: ‘Nonnen worden niet gemarteld, maar er mag wel mee gedreigd worden.’

Het verhoorprotocol van Capis bevindt zich nu in het archief van het Vaticaan in Rome. De Amerikaanse historicus Craig A. Monson heeft uit dit archief een aantal tuchtzaken tegen nonnen uit de 16e tot de 18e eeuw onderzocht. De meeste zaken zijn incompleet omdat er veel verloren is gegaan, maar in een enkel geval is het verhaal van begin tot eind bewaard gebleven. De San Lorenzo-zaak is er een van.

De stukken geven een verrassend beeld van het kloosterleven, en laten zien dat dat niet uitsluitend aan de Heer was gewijd, want nonnen – en vooral de jonge novices – waren vaak zeer gefrustreerd over hun afzondering.

Overblijvende dochters werden non

Meisjes van rijke afkomst gingen al jong het klooster in en hadden het zwaar.

De meisjes werden meestal op 15-jarige leeftijd naar het klooster gestuurd en kwamen er nooit meer uit. De overgang naar dit leven was niet makkelijk en daarom stuurden de rijken hun dochters al op 7-jarige leeftijd weg. Zo maakten de meisjes geen kennis met wat de wereld verder te bieden had en wenden ze makkelijker aan het saaie, eenzame leven.

In de 17e eeuw was een op de tien vrouwen in de grote Italiaanse steden non; vooral dochters van welgestelden, want die huwelijkten alleen hun oudste of mooiste dochter uit. De bovenklasse bestond uit adellijke familie­dynastieën die hun familievermogen wilden behouden. Als een rijke jongen trouwde, vroeg zijn familie een enorme bruidsschat waarmee in het levensonderhoud van de bruid kon worden voorzien.

Dat betekende dat het familiefortuin van families met dochters onder druk stond, temeer omdat een dochter uithuwelijken aan een man van een sociaal lagere status uit den boze was. Thuiswonende dochters waren een financiële last, konden in schandalen verwikkeld raken en de familie-eer op het spel zetten. De kloosters waren dan ook de enige respectabele manier om van de ‘overschietende’ dochters af te komen, en kostten ook geen kapitalen.

Vaak woonden er meer generaties vrouwen van dezelfde familie samen in een klooster, waar de novice door haar eigen tantes, oudtantes en zussen werd verwelkomd. De Chigi-familie uit Siena had op een gegeven moment zeven zussen in één klooster. Als nonnen elkaar met ‘zuster’ aanspraken, was dat dus vaak ook letterlijk bedoeld.

Overal in Italië werden dochters het klooster in gestuurd om het familie­fortuin te redden. In Milaan trouwde slechts een op de vier vrouwen, de rest ging als non door het leven.

De kloosters namen ook meisjes uit de lagere sociale klassen op. Zij kookten, wasten, maakten schoon of werkten als dienstmeisje voor de nonnen uit de bovenklasse. Deze besteedden hun tijd aan muziek, zang en handenarbeid. In sommige kloosters werden zijderupsen gekweekt voor de vervaardiging van de hoogste kwaliteit zijde, andere beschikten over grote tuinen waar de nonnen kruiden, fruit of bloemen kweekten.

Voor de meisjes uit de bovenklasse, die gewend waren aan een sociaal leven vol cultuur, was het een eenzaam bestaan.

Volgens de regels van het klooster mochten ze alleen bezoek ontvangen in het parlatorium, waar de familie hen opzocht, en alleen het klooster verlaten in het geval van een oorlog, brand of epidemie of als ze naar een ander klooster werden overgeplaatst. In het laatste geval moest een familielid hen daarbij begeleiden en de reis moest zo snel mogelijk worden volbracht.

Terwijl de novices en nonnen achter de muren wegkwijnden, bloeide de wereld daarbuiten op. Italië maakte net als de rest van Europa een enorme economische groei door, waarbij kunst en cultuur een hoge vlucht nemen. Het theater, de opera en de schilderkunst bloeiden, en het volk ging zich te buiten aan allerlei vormen van vermaak, zoals straattheater, carnaval en maskerades.

De katholieke kerk maakte zich zorgen over het losbandige gedrag en vreesde dat de feesten de toorn van God zouden opwekken. Zo verbood een paus de carnavalviering na een reeks aardbevingen die hij op het conto schreef van de onzedelijke optochten.

Naakte nonnen

Mannen van de kerk probeerden opstandige nonnen in het klooster met duiveluitbanning in het gareel te krijgen.

Toen inquisiteur Capis Angela Tussignana in het San Lorenzo-klooster in Bologna verhoorde, was ze gespannen. Onder druk van de afgezant van de paus bekende ze dat ze hekserij had gebruikt.
‘Met een mes tekende ik een cirkel op de vloer waar ik met kracht in stak. Daarbij zei ik een rijmpje op waarin diabolus en andere Latijnse woorden voorkwamen, de rest herinner ik me niet.’

De cirkel was een oude manier om de duivel op te roepen. Angela had ermee willen uitvinden wie de altviool had gestolen en zo haar tante te hulp willen schieten. Het was haar muziek­instrument dat was verdwenen.

De andere nonnen klapten tegenover Capis uit de school: Angela leek vaak bezeten te zijn, ze zou met vleermuizen praten en had een keer haar novicekleed op de grond gegooid en erop gestampt. Eén non nam het voor haar op. Ze deed niet aan hekserij of duiveluitdrijving, maar was boos en ongelukkig omdat ze opgesloten zat in het klooster.

Niet alleen Angela had er moeite mee om op het rechte pad te blijven. Capis ontdekte dat er nog meer nonnen hekserij hadden bedreven, bijvoorbeeld door het volgende ritueel uit te voeren: een non stond naakt in haar cel met een brandende kaars op de vloer. Ze moest haar schaduw op de muur groeten en de duivel om hulp vragen. Ze hoopte dat haar schaduw een verbintenis aanging met de kwade machten, die zich alleen aan een naakte vrouw lieten zien.

Dit ritueel bestond al langer onder prostituees. Angela had het cirkelritueel afgekeken van een kennis voordat ze novice werd, terwijl een andere non waarschijnlijk het schaduwritueel kende uit de onderklasse van Bologna.

De cirkel en de schaduw waren de twee ergste misdrijven die Capis in het klooster blootlegde, maar er vonden ook onschuldiger vormen van hekserij plaats. Veel jonge nonnen droegen geluksamuletten en gebruikten spreuken om mannen te betoveren.

Tot Capis’ grote verbazing beeldden veel vrouwen zich in dat ze betrokken waren bij ‘parlatoriumromances’, en dat de bezoekers stapel­verliefd op hen waren. Het was blijkbaar belangrijk voor hen om zich begeerd te voelen, maar in zijn ogen was hun gedrag beklagenswaardig en ondermijnend voor het moreel. De ideale non was een vrome vrouw die alleen taalde naar Gods liefde.

Nonnen staken hun klooster aan

In de Zuid-Italiaanse stad Reggio gingen de nonnen veel verder dan alleen fantaseren over geheime romances.

Hun klooster brandde volledig af, en de aartsbisschop verdacht de nonnen ervan de brand te hebben aangestoken. In mei 1673 schreef hij geschokt aan het Vaticaan: ‘Er is nog nooit een misdrijf van dit kaliber gepleegd.’

De nonnen waren bijtijds gevlucht, en tijdens de verhoren kwam het hoge woord eruit: de onderpriorin Giovanna Monsolino en haar zus Anna waren de brandstichters. Ze waren het klooster­leven beu en hadden een plan in stemming gebracht om brand te stichten. De meerderheid schaarde zich achter hen. De priorin was oud en was haar nonnen niet meer de baas. De samenzweerders legden takken op zolder, smeerden de balken in met olie en reuzel en staken het klooster in brand.

De adellijke families in de stad stopten de zaak in de doofpot en betaalden voor de wederopbouw van het gebouw, en na drie jaar in een ander klooster keerden de zusters Monsolino en de rest terug naar Reggio.

Ook de hekserij in het San Lorenzo-klooster liep met een sisser af. De rebelse Angela werd weliswaar verbannen, maar omdat ze nog een novice was en geen bindende nonnengelofte had afgelegd, was dat geen schandaal. Het is niet bekend hoe het haar is vergaan. Uit de papieren bleek ook niet wie de viool had ontvreemd.

Opstandige non kon worden gedegradeerd tot novice

Het wereldse leven buiten de muren kon een grote verleiding betekenen voor de nonnen.

In de 15e en 16e eeuw waren lijfstraffen bij nonnen verboden en werden de straffen humaner. Afhankelijk van het vergrijp werden de nonnen en novices hun privileges ontnomen, kregen ze
huisarrest of – nog erger – werden ze verstoten.

Straffen in het klooster

  • Ontzeggen van toegang tot parlatorium.
  • Ontnemen van stemrecht bij verkiezing van nieuwe priorin en abdis.
  • Geen deelname aan het koor.
  • Inleveren van de sluier die de non kreeg bij haar nonnengelofte.
  • Degradatie van non tot novice, waardoor de non opnieuw een novicekleed aan moest en met de novices moest eten.
  • Wegsturen van novices die nog geen gelofte hadden afgelegd.
  • Overplaatsing naar een ander klooster.
  • Huisarrest in cel.
  • Excommunicatie (verbanning uit de christelijke gemeenschap).

Non sliep met novice

Rebelse nonnen staken het klooster in brand, vluchtten weg, deden aan hekserij of sliepen met elkaar.

Lesbische relaties zijn niet beschreven, maar nonnen bleken vaak meer voor elkaar te voelen dan was toegestaan.

Nonnen mochten volgens de regels van het klooster niet met elkaar slapen. Elkaars hand vasthouden was zelfs verboden. Een middeleeuwse regel luidde: ‘Het is verboden andermans hand liefdevol vast te houden, of men nu staat, loopt of zit. Zij die dat doet, dient te worden gestraft met 12 stokslagen.’

De kerk wist dat kloosters een broeinest waren van lesbische relaties, maar daar rustte een taboe op.

Homoseksualiteit wordt slechts een paar keer genoemd in Vaticaanse tuchtzaken.

In een zaak waarbij een non en een novice uit het klooster waren gevlucht, bleek dat ze altijd bij elkaar sliepen, en een meisje dat in de buurt woonde vertelde dat ‘zuster Aurelia er hand in hand vandoor ging met Balcona’.

De portier van het klooster zei: ‘Ik hoorde van anderen dat Aurelia zo verliefd was op de novice dat ze christelijke gehoorzaamheid en gedrag naast zich neerlegde.’

Uit de documenten blijkt niet of het om een seksuele relatie ging, maar de bisschop en de kardinalen twijfelden niet aan de aard van de beschuldiging.

In andere zaken wordt net zo omzichtig ingegaan op vergelijkbare aantijgingen.

De regels stonden slechts één non toe per cel, maar in kloosters met plaatsgebrek werd daar vaak de hand mee gelicht. Tijdens een inspectie van een nonnenklooster rond 1590 kregen diverse nonnen een waarschuwing, en een streng bevel om bed noch cel met iemand te delen.

Bekijk ook ...