De economie van de Zuidelijke VS is ingestort na de burgeroorlog. Steden liggen in puin, en weinig mensen kunnen het slachtvee dat de staat Texas verhandelt betalen. Maar als het vee niet verkocht wordt, gaat Texas failliet.

Zo werden cowboys de bikkels van de prairie

Met een goede handel in het vooruitzicht drijven cowboys in 1866 miljoenen Texaanse runderen de prairie over naar het dichtstbijzijnde treinstation. De grote steden zitten te springen om vlees, en een nieuw beroep ontstaat.

8 november 2017 door Esben Mønster-Kjær

In de middag van 27 april 1866 begon een legendarisch tijdperk. 20 mannen zaten op de harde, Texaanse bodem om een snelle maaltijd te nuttigen, terwijl ze de aanwijzingen van hun baas aanhoorden. Toen stapten ze op hun paard.

Rondom de ruiters graasden 835 koeien, die nog geen idee hadden van de lange reis die ze wachtte. 

Met de stem en de zweep werden de Texas longhorns in het gelid gedreven, en de eerste van vele dagmarsen begon. De bestemming was Sedalia, Missouri, meer dan 1200 kilometer verderop.

Trailboss George Duffield uit Iowa, die naar Texas was gekomen om vee te halen, wilde de dieren dwars over de prairie drijven, met zijn brede rivieren en vijandige indianenstammen.

En dat alles om een klein gehucht te bereiken dat een station had, en daarmee een verbinding met de rest van de VS.

Als Duffield zijn vee op het station wist te krijgen, kon hij het naar nieuwe graasweiden in Iowa brengen, of naar de slachthuizen van Chicago. 

Duffield kon zo veel geld verdienen dat hij er een reis vol gevaren voor overhad. En hij was bij lange na niet de enige.

Terwijl Duffield zijn kudde langzaam in beweging zette, waren anderen hun koeien bijeen aan het drijven in Texas. Ook zij roken geld. Het tijdperk van de cowboy was aangebroken. 

Wil je een abonnement op Historia?

Hier vind je de beste aanbiedingen.

Burgeroorlog leidt tot veetrek

De grote veetrektochten vanuit Texas vonden slechts 20 jaar lang plaats. In die korte tijd dreven mannen van staal miljoenen runderen over de prairie. 

Het was genoeg om uit te groeien tot een iconisch beeld: niets was Amerikaanser dan een cowboy te paard met lasso.

De aanleiding voor de grote veetrek was de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861 tot 1865, waarin de Zuidelijke VS het zwaar te verduren had gehad. 

In de veeteeltstaat Texas was de verwoesting beperkt gebleven, maar de verbinding met de afzetmarkten was afgesneden. 

Slachtrijpe longhorns konden nergens naartoe, en toen ze na de oorlog wel weer verhandeld konden worden, was het Zuiden zo verarmd dat een koe nog maar 12 dollar opleverde in plaats van 30 dollar vóór de oorlog. Uit wanhoop keken veel veetelers naar het Noorden.

Daar draaide de economie als nooit tevoren. 

De fabrieken produceerden meer dan ooit, uit Europa stroomden de immigranten toe en de burgers hadden meer trek in rundvlees dan in varkenslapjes. De prijs van een stier was dan ook tot 40 dollar opgelopen.

Voordat de Texanen deze winst konden incasseren, moesten ze het vee op de trein zetten, maar de staat had geen spoorverbinding met de rest van de VS. 

De enige mogelijkheid was de koeien naar het spoor te drijven. Lastig, maar te doen, dacht George Duffield toen hij in april 1866 met zijn 835 dieren op weg ging.

Een lasso moest een grote lus hebben om om de hoorns van de longhorn te komen.

© Granger/Polfoto

Een en al rampspoed

Terwijl Duffield over de prairie trok, hield hij een dagboek bij. Fraaie volzinnen staan er niet in, maar het schetst een goed beeld van de ontberingen die hij onderweg doorstond. 

Al snel bleek dat het een zware reis zou worden.

‘Grote leegloop. Was 200 koeien kwijt,’ schreef Duffield op 1 mei. Het weggelopen vee had zich verspreid over een groot gebied, en Duffield moest halt houden terwijl zijn cowboys de koeien probeerden te vangen.

‘Maar 25 stuks gevonden. Het regent al drie dagen. Het zijn moeilijke dagen voor me,’ pende hij terneergeslagen op 2 mei.

‘De hele dag jacht gemaakt op vee,’ schreef Duffield de volgende dag. ‘Harde regen en wind. Allemaal gedoe.’

‘Doorgegaan met zoeken. 40 koeien gevonden. Mooie dag. De zon scheen.’ Op 4 mei zag hij het weer een beetje zitten, maar twee dagen later namen opnieuw 200 koeien de benen.

Als de tocht niet werd onderbroken door weglopend vee, liepen de cowboys wel vertraging op doordat rivieren door de regen buiten hun oevers getreden waren. 

Op 14 mei raakten ze hun kookgerei kwijt bij een oversteek, en twee weken later verdronk een van hen in de Red River. 

Na een maand waren ze nog maar 400 kilometer opgeschoten en hadden ze de grens van Texas en het Indian Territory (nu Oklahoma) bereikt.

De indianen wisten wel raad met al dat vee. Soms stalen ze een dier om het op te eten, soms verjoegen ze er een om vervolgens aan te bieden er tegen een vorstelijke beloning achteraan te gaan.

Toen de krimpende kudde na 750 kilometer de grens met Missouri had bereikt, moest Duffield halt houden. 

Hij schrijft in zijn dagboek niet waarom, maar andere Texaanse cowboys werden in de zomer van 1866 overvallen door jayhawkers – meedogenloze bandieten die voor de Noordelijken geplunderd hadden in de oorlog.

Duffield gaf het idee op om naar het station van Sedalia te gaan, en nam het drastische besluit om verder te trekken naar zijn thuisstaat Iowa, wat de reis met 500 kilometer verlengde. 

Pas in november kwam hij met een paar honderd overlevende dieren aan, en hij verdiende slechts een fractie van de winst die hij een half jaar eerder voor ogen had gehad.

‘Thuisgekomen. Ziek en moe en blij dat ik kan rusten,’ schreef Duffield op 6 november 1866. De hele volgende dag bracht hij futloos door in bed.

Cowboys zoeken andere wegen

Niet veel van de cowboys die in 1866 uit Texas vertrokken met in totaal zo’n 250.000 koeien, slaagden in hun opdracht. 

Sommigen kwamen heelhuids langs de jayhawkers en de boeren die de grens hadden afgesloten om de ‘Texaskoorts’ buiten Missouri te houden. 

Maar de meeste cowboys raakten bijna al hun vee kwijt en kregen maar een schijntje voor de rest.

De hoop op een gouden handel was echter nog niet vervlogen, en in plaats van in Missouri beproefden de Texanen hun geluk in Kansas. 

Daar konden de kuddes om landbouwgebieden heen trekken om het station van Abilene te bereiken.

Een van de Texanen die in 1868 als cowboy naar het noorden trokken, was Jack Bailey. Hij liet vrouw en kind achter om in dienst te gaan bij de trailboss John Adare, die 1500 à 2000 longhorns bezat en zo’n 20 mannen had om ze te drijven. 

Een paar jaar later, toen de cowboys geroutineerder waren, was er nog maar de helft nodig.

Anders dan de meeste Texanen kon Bailey lezen en schrijven, en het grootste deel van zijn verhaal is overgeleverd.

3 feiten over Amerikaanse cowboys en hun vee

  • Longhorn kan tegen een stootje
    Het runderras Texas longhorn is genoemd naar zijn indrukwekkende hoorns. De longhorn doet het goed op de droge prairie van Texas, waar in 1866 meer dan 200.000 slachtrijpe runderen stonden te wachten.

  • Spoor maakte de VS kleiner
    In 1862 begon de aanleg van een transcontinentale spoorlijn dwars door de VS. Lijnen uit de grote steden kwamen in Chicago bijeen, vanwaar het spoor de eindeloze prairie overstak.

  • Chicago voedde de amerikanen
    In 1867 begon een nieuw tijdperk toen het industriële slachthuis Armour & Company in Chicago openging. Het vee kwam per trein aan en werd op de lopende band verwerkt. Chicago werd de vleeshoofdstad van de VS. 

Het vee komt op de eerste plaats

Op weg naar Abilene bleef Bailey de rampspoed die George Duffield twee jaar eerder had achtervolgd bespaard. De reis was lang en zwaar, maar hij maakte ook veel mooie dingen mee.

Elke dag noteerde Bailey of er water in de buurt van het kamp was, zodat de kok ontbijt en koffie kon maken.

‘Moesten het water een mijl dragen in emmers, wat niet meevalt,’ schreef hij op 6 augustus in het Indian Territory. 

Pas als iedereen vlees en supersterke koffie had gekregen om op krachten te komen, begon het zware werk en moest het vee in formatie worden gebracht. 

De jonge longhorns, die voorop moesten, werden bijeengedreven door twee point men, de meest ervaren cowboys. Achter hen stuwden de andere ruiters het vee op tot een lange colonne.

De cowboys reden in paren langs de kudde. De voorste bepaalde de richting, en de mannen daarachter hielden het vee bij elkaar. 

Groentjes reden helemaal achteraan, waar ze als drag riders de traagste dieren moesten aansporen om door te lopen. Ze reden continu in het stof dat de duizenden hoeven op de droge prairie deden opwervelen.

Gelukkig waren de dagreizen vrij kort, want de koeien mochten niet te veel gewicht verliezen voordat ze op het station van Abilene aankwamen. 

Een kudde kon zo’n 40 kilometer per dag afleggen, maar meestal bleef het bij een kilometer of 25 of nog minder. De afstand werd in twee etappen afgelegd, met een lange lunchpauze ertussen.

Bailey had mazzel: de zomer van 1868 was redelijk droog, en zijn koeien en paarden konden op veel plaatsen door beken en rivieren waden. 

Als het flink had geregend, hadden ze moeten zwemmen en kon de oversteek wel een paar dagen duren. 

De runderen werden dan in groepjes gesplitst en werden het water in gedreven door de cowboys, die niet alleen kletsnat werden maar ook kans liepen op de hoorns genomen te worden. 

De wagen met de voorraden moest op een houten vlot de rivier over. 

’s Nachts loert het gevaar

Als hij het wel welletjes vond voor een dag, zocht de trailboss een kampplek met water die in open terrein lag, want dan konden de mannen de dieren in het donker beter in de gaten houden. 

Terwijl de kok vuur maakte, werd het vee samengedreven van een colonne tot een compacte kudde.

Als de aanvoerder zijn mannen een extraatje wilde geven, mochten ze een koe slachten. Omdat het vlees niet lang houdbaar was, werd het gedeeld met andere kampen in de buurt. 

Zo stonden Bailey en zijn manschappen in nauw contact met een andere ploeg, die door trailboss Smith werd geleid.

Na het eten gingen de uitgeputte cowboys slapen – in een tent of onder de vrije hemel. Een paar moesten er wakker blijven om te paard de wacht te houden, want de runderen gingen er
’s nachts graag vandoor.

Op 12 augustus raakten de dieren van Bailey in paniek door een donderklap terwijl hij ’s nachts de wacht hield.

‘Zo veel geloei en gestamp om me heen had ik nog nooit meegemaakt,’ schreef hij de volgende dag. De dieren maakten het kamp met de grond gelijk.

‘Dud Rogers, een held op sokken, probeerde in een boom te klimmen,’ schreef Bailey geamuseerd. 

‘Hij was zo bang dat hij eruit viel en ons smeekte om hem er weer in te helpen.’ Bailey en een paar anderen wisten uiteindelijk te paard de orde te herstellen.

Er waren te weinig ruiters om de hele kudde in één keer te bedaren. Met geschreeuw en pistoolschoten lieten ze groepjes koeien rondjes lopen tot ze uitgeput waren. 

En dat in het donker: de paarden konden makkelijk een poot breken als ze in een prairiehondenhol stapten. Als een cowboy iets niet wilde, was het wel van zijn paard vallen tussen de op hol geslagen longhorns.

‘Kwam niet van m’n paard af voor zonsopgang,’ schreef Bailey. De hele volgende dag was hij bezig de koeien te vangen, en zijn trailboss moest een flinke beloning betalen aan een indiaan die met 25 stuks kwam aanzetten.

Twee jaar na de rampzalige reis van Duffield in 1866 hadden cowboys al zo veel ervaring dat ze het vee doorgaans wel bij elkaar wisten te houden.

Vanwege drank en gokspelletjes met een hoge inzet liepen de gemoederen soms hoog op in Dodge City.

© Getty Images

Bestemming bereikt

Bailey bereikte Abilene zelf net niet. Zijn trailboss liet de kudde even buiten het stationsstadje halt houden om de koeien vet te mesten. 

Begin september 1868 bouwden de cowboys een grote omheining, zodat er minder bewakers nodig waren. Wie overbodig was, kreeg zijn salaris en werd terug naar Texas gestuurd.

Baileys vrouw was waarschijnlijk wel blij dat hij er niet bij was toen de cowboys Abilene binnentrokken: het was een traditie om het eind van de maandenlange ont-beringen te vieren met drank, gokken en prostituees. 

Sommigen verspeelden zo veel geld dat ze het nauwelijks tot het volgende voorjaar konden uitzingen, wanneer er weer werk was.

Het werk was zwaar en werd slecht betaald, maar het beroep van cowboy werd een way of life voor wie geen land bezat. 

De veeteeltstaat Texas zat nooit zonder koeien, en de slachthuizen in Chicago konden de vraag bijna niet aan, want de Noordelijke Staten maakten een explosieve bevolkingsgroei door. 

Jaar in jaar uit trokken de cowboys dan ook noordwaarts met honderdduizenden longhorns op sleeptouw – tot het na 20 jaar plotseling voorbij was.

Sneeuw maakt einde aan tijdperk

Door een nieuwe quarantainewet sloot Kansas in 1885 zijn grenzen voor vee uit Texas. 

Steeds meer stukken prairie waren opgekocht door kolonisten, die hun maïs niet platgetrapt wilden hebben en bang waren voor ziekten. Maar de doodsteek voor de cowboys was de winter van 1886-1887.

Door sneeuwstormen en de strenge vorst kwam een groot deel van het loslopende vee in het hele Middenwesten om.

‘Het verlies is rampzalig,’ schreef de veeteler Teddy Roosevelt, die 14 jaar later de eed aflegde als president van de VS. 

De boeren omheinden de prairie bovendien om de graasweiden voor zichzelf te houden. 

En al snel waren de trektochten dwars door het land sowieso overbodig doordat de spoorlijn Texas had bereikt.

Lees ook

Sam Ridings: The Chisholm Trail, First Skyhorse Publishing, 2015. Jack Bailey: A Texas Cowboy’s Journal, University of Oklahoma Press, 2006. George C. Duffield: Driving Cattle from Texas to Iowa, 1866, Annals of Iowa, 1924.

Bekijk ook ...