De lijken werden op een baar gelegd en konden in theorie opstaan uit de dood.

© Bridgeman Images

Doodsbange Europeanen wilden gruwelijk lot voorkomen

Lijken met splinters onder de nagels. Overledenen met plukken uitgerukt haar tussen de vingers. En zwangere vrouwen die in de kist baren. In de 18e eeuw doen overal in Europa verhalen de ronde over mensen die levend begraven worden. De angst om wakker te worden in een kist leidt tot allerlei maatregelen om dit lot te voorkomen.

13 oktober 2017 door Stine Overbye

Toen Margorie McCall in 1705 na een aantal dagen koorts insliep, besloot haar man haar onmiddellijk te begraven om de rest van de familie niet aan besmetting bloot te stellen. 

Een paar uur na haar dood werd Margorie McCall op een kerkhof in het noorden van Ierland ter aarde besteld.

Maar ze rustte niet in vrede. In het donker slopen grafrovers het kerkhof op om haar gouden trouwring te stelen. 

Omdat de ring te strak om haar vinger zat, haalden de mannen een mes tevoorschijn om de vinger af te snijden.

Toen een van hen het mes in de vinger zette, deed de dode vrouw haar ogen open en slaakte een oorverdovende kreet. 

De grafrovers maakten zich in paniek uit de voeten, terwijl Margorie McCall uit haar doodskist klom. Met bebloede hand en in een wit lijkkleed dat in de wind wapperde strompelde ze verdwaasd naar huis. Daar klopte ze voorzichtig op de deur.

De weduwnaar hoorde het bekende klopje en zei tegen zijn kinderen: ‘Als jullie moeder niet dood was, zou ik zweren dat ze thuisgekomen is.’

Hij deed de deur open, en zijn vrouw stond in levenden lijve voor hem.

Het verhaal van de vroegtijdige begrafenis van Margorie McCall was slechts een van de vele die in het 18e-eeuwse Europa de ronde deden. 

In die tijd hadden artsen niet genoeg kennis om met zekerheid te kunnen zeggen of iemand klinisch dood was of gewoon diep bewusteloos, en het was dan ook niet ongebruikelijk dat mensen in een kist onder de grond wakker werden.

Dat dit verschijnsel juist toen ontstond, was geen toeval. In de loop van de 18e eeuw was het in de mode geraakt om lijken te begraven in plaats van te verbranden, en daardoor werd het mogelijk dat iemand vroegtijdig ter aarde besteld werd. 

In de 18e en 19e eeuw groeven grafdelvers soms kisten op met krassen en opgedroogd bloed aan de binnenkant, waaruit bleek dat de overledenen niet dood waren toen ze in de grond werden gestopt.

In heel Europa klonken verhalen over lijken die waren gevonden met splinters onder de nagels of verbrijzelde schedels – in een wanhopige poging om zich te bevrijden beukten sommigen met hun hoofd tegen het deksel van de kist.

Andere doden werden gevonden met plukken haar tussen de vingers of afgebeten vingers, omdat ze zichzelf in een aanval van paniek toegetakeld hadden.

Naar aanleiding van deze gruwelijke verhalen werden veel mensen bang om levend begraven te worden. 

Zo probeerde de Deense sprookjesschrijver H.C. Andersen (1805-1875) zich dit lot te besparen door elke avond een briefje aan zijn nachthemd te spelden met het opschrift: ‘Ik ben maar schijndood.’

Grafrovers openden graven om sieraden en andere kostbaarheden te stelen.

© Polfoto

Wil je een abonnement op Historia?

Hier vind je de beste aanbiedingen.

Doden worden gekieteld

De afwezigheid van ademhaling en hartslag gold in de 18e eeuw als een teken dat een mens dood was. 

Iemand die bewusteloos was of in coma lag, liep dus het risico als dood bestempeld te worden, hoewel hij nog leefde. 

De kans op een foute diagnose was vrij groot, en om die reden schreef de Deense anatoom Jacob B. Winsløw in 1740 een boekje over de onbetrouwbaarheid van overlijdenskenmerken.

In de inleiding stelde hij dat ‘de dood zeker is, want hij is onvermijdelijk, maar hij is ook onzeker, omdat de diagnose soms foutief is’. 

Hij voegde eraan toe: ‘De ervaring heeft ons geleerd dat veel vermeende doden in leven bleken te zijn doordat ze uit hun kist of zelfs uit hun graf opstonden.’

Volgens Winsløw was de ontbinding van het lichaam het enige aanvaardbare overlijdenskenmerk, en hij riep dan ook op om niemand te begraven vóór ‘drie volle dagen van levenloosheid.’

Een vermeende dode moest in een warm bed gelegd worden en een groot aantal tests ondergaan. 

Zo werd het lichaam gekieteld met veren en werd het tandvlees met knoflook ingesmeerd. 

Als dat niet hielp werden er niespoeder, zweepslagen en eventueel een klysma ingezet, en soms werd de dode aan ‘ijselijke schreeuwen en overdreven herrie’ blootgesteld.

Mocht deze behandeling ook niet baten, dan konden er echt drastische maatregelen genomen worden, zoals urine in de mond gieten, een sneetje in de voetzolen maken, spijkers onder de
nagels duwen en kokende was over het voorhoofd schenken.  

Duitser leeft 15 dagen zonder lucht

Winsløw was een vooraanstaand arts, maar dankzij de Fransman Jean-Jacques Bruhier bereikte het werk van de Deen een breder publiek. 

Bruhier vertaalde het boek in het Frans en voegde een reeks spectaculaire verhalen toe over mensen die levend begraven waren. 

Hij schreef over ‘overledenen’ die in hun kist opgesloten waren en wanhopig op het deksel bonkten, over mannen die wakker werden en het uitschreeuwden van de pijn toen dokters hun lichaam begonnen te ontleden, en over mensen die door grafrovers gewekt waren. 

Maar de meeste verhalen gingen over levende doden die het niet konden navertellen: lijken die in rare houdingen gevonden waren of die hun lijkkleed in de kist aan flarden hadden gescheurd.

Om te bewijzen dat mensen zonder hartslag en ademhaling best nog in leven kunnen zijn, gaf Bruhier een lange reeks voorbeelden. 

Zo beschreef de Fransman het geval van een Zweedse hovenier, die in de winter van 1646 16 uur lang had vastgezeten onder het ijs en het had overleefd, en van een jonge Duitser die maar liefst 15 dagen onder water had verbleven en nog leefde.

Het boek van Bruhier verscheen in 1742 en was meteen een enorme bestseller. De in totaal 181 gevallen die hij in het werk beschreef, waren zo angstaanjagend dat ze een diepe indruk op de lezers maakten.

Een paar jaar later werd het boek in een groot aantal talen vertaald, en Bruhier zaaide hiermee onrust in een groot deel van Europa.

Naar aanleiding van het boek van Bruhier verschenen er allerlei pamfletten en artikelen over voortijdige begrafenissen, die het vaak niet zo nauw namen met de waarheid. 

Met name anekdotes over kleine kinderen die plotseling uit de dood waren opgestaan waren geliefd, en steevast viel de moeder dood neer na de enorme schok van de onverwachte opstanding. 

Veel schrijvers beweerden ook zelf op het nippertje aan een begrafenis ontkomen te zijn.

Artsen worden niet vertrouwd

Deze ooggetuigenverslagen en het boek van Bruhier – waarvan voortdurend exemplaren werden bijgedrukt – leidden in de meeste Europese landen tot de invoering van regels rond sterfgevallen. 

Overledenen mochten pas na 24 uur in het graf gelegd worden, en soms na 48 uur. Voordien waren de meeste doden, vooral tijdens uitbraken van bijvoorbeeld pest of cholera, nog warm als ze werden begraven, dus dit was een belangrijke wijziging van de praktijk.

Bruhier had een regelrechte hysterie ontketend, en niemand geloofde meer dat artsen de levenden van de doden konden onderscheiden. 

In heel Europa namen mensen in hun testament op dat ze opengesneden wilden worden voordat ze in het graf gelegd werden, en veel rijke inwoners van Engeland lieten hun vermogen na aan hun huisarts – onder de voorwaarde dat deze de dood zonder enige twijfel zou vaststellen.

Zo schonk de Engelse antiekhandelaar Francis Douce tegen het eind van de 18e eeuw 200 gouden munten aan zijn arts als betaling voor het verwijderen van zijn hart vóór zijn begrafenis, en liet ene lady Dryden uit North Hampshire een vermogen van 50 pond na aan haar arts met het verzoek haar keel door te snijden voor ze in de kist gelegd werd. 

Een andere vrouw, Elizabeth Thomas, gaf haar arts de opdracht een lange, ijzeren spijker door haar hart te slaan na haar overlijden. 

3 kenmerken van de dood

  1. Lijkstijfheid zal twee tot drie uur na het overlijden optreden, het eerst in de kaak.

  2. Lijkvlekken – een paarse verkleuring – zullen na een half uur op het onderlijf ontstaan.


  3. Ontbinding begint meteen na de dood, en al na een paar uur kun je dit ruiken.

Prijsvraag moet uitkomst bieden

Terwijl gewone Europeanen koste wat kost probeerden te voorkomen dat ze levend begraven zouden worden – sommigen kregen zelfs een pistool mee in hun graf om zichzelf dood te kunnen schieten – maakten artsen ruzie over de kenmerken van overlijden. 

Ze waren in drie kampen verdeeld. 

Eén groep beweerde te allen tijde een dode van een levende te kunnen onderscheiden, de tweede stelde dat ontbinding en lijk-stijfheid de enige betrouwbare overlijdenstekenen waren, en de derde betoogde dat uitsluitend ontbinding de doorslag gaf.

De Italiaanse geleerde Pietro Manni ergerde zich zo aan deze strijd dat hij een prijsvraag uitschreef, waarbij een arts die een waterdichte methode voor het vaststellen van de dood bedacht, een groot bedrag kon winnen.

De meeste inzendingen waren vooral erg fantasierijk: een arts presenteerde een lange naald met een vlaggetje eraan. Als de naald in het hart werd gestoken, zou de vlag gaan wapperen als het hart nog klopte. 

Een ander bedacht een tang die op de tepels gezet werd, en een derde kwam met een thermometer die in de buik werd gedaan en zou meten of de lichaamstemperatuur laag genoeg was voor een overledene.

De jury was niet erg onder de indruk van deze voorstellen. In 1848 werd de Fransman Eugène Bouchot tot winnaar uitgeroepen. 

Bouchot stelde voor om twee minuten met een stethoscoop naar het hart te luisteren om te bepalen of de dood was ingetreden. 

Dit was een eenvoudige oplossing, en in heel Europa werd Bouchot geprezen om zijn idee.

Insecten en vingers in het oor

De discussie ging echter door, en een aantal artsen weigerde de aanbeveling van Bouchot op te volgen. Zij kwamen met andere creatieve voorstellen. 

Zo suggereerde een Zweed om een levend insect in het oor van een vermeend lijk te stoppen, en een Fransman opperde dat de arts een vinger van de dode in zijn oor moest steken – als de persoon nog leefde, zou hij de bloedsomloop kunnen horen. 

Een andere Fransman ontwikkelde een ‘tongtrekmachine’, die maar liefst drie uur lang aan de tong van de overledene zou trekken.

Om de kwestie voor eens en altijd de wereld uit te helpen, schreef een Franse edelman in 1868 opnieuw een wedstrijd uit. Onder de 100 deelnemers was een kapper die beweerde dat het haar kon vertellen of iemand gestorven was. 

Een ander bedacht dat elke twijfel aan het overlijden kon worden uitgesloten door het dodelijke gif strychnine in te spuiten, terwijl weer een ander aanbeval om de slapen van de overledene met een gloeiende ijzeren staaf te bewerken.

Ook adviseerde iemand om doods-kisten van een schop en een ladder te voorzien, zodat iemand die ten onrechte begraven was kon ontsnappen, of de dode een trompet mee te geven zodat hij de aandacht kon trekken.

De winnaar van de wedstrijd was een Duitse hoogleraar, die voorstelde om het levenloze lichaam een paar uur na de dood te schrobben met een harde borstel. 

Als de huid na deze behandeling op perkament leek, was de dood met zekerheid ingetreden, stelde de geleerde. 

Een op de tien te vroeg begraven

Hoewel geneesheren nu verscheidene methoden tot hun beschikking hadden om vast te stellen of iemand leefde of dood was, verschenen er nog steeds met de regelmaat van de klok angstaanjagende verhalen over levend begraven mensen in de krant. 

Maar niemand wist hoe vaak dit eigenlijk voorkwam. Een Duitse arts beweerde dat een op de drie mensen voortijdig begraven werd. 

Een Zweedse en een Engelse arts wezen deze schatting echter als overdreven van de hand. Zij hadden berekend dat het eerder om een op de tien ging.

Sommigen gingen wat nauwkeuriger te werk en zochten de zaak tot op de bodem uit. Een van hen was Eugène Bouchot, de winnaar van de eerste prijsvraag. 

Hij spitte met een aantal andere artsen al het beschikbare materiaal over het onderwerp systematisch door. 

Hij las krantenartikelen en medische tijdschriften door, en zijn conclusie was helder: de verhalen waren pure verzinsels, en zelfs wetenschappelijke artikelen bleken grotendeels gebaseerd te zijn op broodjeaapverhalen.

De Franse hoogleraar Paul Brouardel deed 20 jaar lang uitgebreid onderzoek naar gevallen van mensen die levend begraven waren. 

Nadat hij stad en land had afgereisd en talloze ambtenaren, artsen en nabestaanden gesproken had, stelde hij vast dat geen enkele van de horrorverhalen in de kranten op feiten gebaseerd was. 

Maar – zo benadrukten de geleerden – er bestonden wel degelijk goed gedocumenteerde gevallen van een vroegtijdige begrafenis. 

Deze stonden echter in geen verhouding tot de massale aandacht die het verschijnsel in de pers had gekregen.

De angst om levend begraven te worden was een geliefd onderwerp voor boeken en horrorfilms.

© Mary Evans

Hond sterft na drie uur

Er was bovendien geen wetenschappelijk bewijs voor de claim dat mensen uren of dagen in een graf konden overleven, zoals vaak werd gezegd. 

Al in de 18e eeuw had de Duitse onderzoeker Ernst Hebenstreit berekend dat een doodskist genoeg zuurstof bevat voor hooguit een uur, en in 1859 voerde zijn landgenoot, de arts Von Röser, een experiment uit om dit te bevestigen. 

Hij sloot een grote hond op in een luchtdichte kist met een glazen deksel. Na een drie uur durende doodsstrijd stierf het dier. 

Von Röser wees erop dat de hond minder plaats innam dan een mens en daardoor meer lucht tot zijn beschikking had. Een mens zou in een doodskist niet meer dan een uur overleven, concludeerde hij.

Naarmate de geneeskunde zich ontwikkelde, verdween de angst om levend begraven te worden. 

Artsen werden nu beter in staat geacht de dood vast te stellen, en in de eerste helft van de 20e eeuw verschenen er steeds minder sensationele krantenkoppen.

Maar af en toe staken de verhalen nog de kop op, en dan bloeide de oude angst weer op. Vooral een gebeurtenis in 1937 bracht de gemoederen in beroering – om de simpele reden dat het deze keer wel echt waar was. 

Twee dagen onder de grond

Toen de 19-jarige Fransman Angelo Hays de controle over zijn motorfiets kwijtraakte, smakte hij met zijn hoofd tegen een stenen muur. 

De plaatselijke dorpsarts was er vlug bij en luisterde aandachtig met zijn stethoscoop naar het hart van het verkeersslachtoffer.

De dokter hoorde geen hartgeluiden, voelde geen pols en constateerde geen ademhaling, waarop hij de jongeman dood verklaarde. 

Drie dagen na het ongeluk werd Hays begraven, en gelijktijdig ontdekte zijn verzekeringsmaatschappij dat zijn vader een paar weken daarvoor een levensverzekering van 200.000 frank voor zijn zoon had afgesloten.

Een inspecteur werd op pad gestuurd om de omstandigheden rond het voorval te onderzoeken. Het bleek echt om een tragisch ongeluk te gaan. 

De man was verongelukt doordat een tractor olie op de weg had gemorst. De inspecteur van de verzekering wilde zijn werk echter grondig doen en stond erop dat het lichaam werd opgegraven.

Twee dagen na de begrafenis werd Hays daarom overgebracht van het kerkhof naar het forensisch instituut in Bordeaux, waar de artsen al snel een onverwachte ontdekking deden: het
lichaam was nog warm. 

Ogenblikkelijk werd Hays naar het ziekenhuis vervoerd, en na een lang verblijf herstelde hij volledig. 

Hij had het geluk gehad dat de aarde waarin hij begraven was droog en los was, dat zijn kist niet luchtdicht was en dat hij niet zo veel zuurstof verbruikte omdat hij in een diep coma lag.

232 jaar nadat Margorie McCall opstond uit haar graf, was Angelo Hays op dezelfde toevallige manier gered. 

De Ierse vrouw hertrouwde en leidde verder een onopvallend plattelandsleven, maar haar Franse lotgenoot werd een beroemdheid in eigen land. 

Hij vond een veiligheidskist uit met ingebouwde bibliotheek, koelkast, zuurstofapparaat, toilet en alarmsysteem, en reisde door het hele land met een show waarin hij de kist demonstreerde. 

In Bordeaux betaalden 25.000 mensen grif geld om Hays levend begraven te zien worden, en in een rechtstreekse tv-uitzending oogstte hij veel applaus toen hij een vrolijk liedje zong vanuit een diep graf.

Lees ook

Jan Bondeson: Levend begraven: De gruwelijke geschiedenis van onze diepste angst, Becht, 2003 Walter Hadwen: Premature Burial: How It May Be Prevented, Hesperus Press, 2012. Nicolaus Equiamicus & Franz Hartmann: Lebendig begraben, Ubooks-Verlag, 2010.

Meer over vroegtijdige begrafenissen: tinyurl.com/qdvkcw2

Bekijk ook ...