Het aantrekken duurde een eeuwigheid, en voor de montage van een harnas werd een lange gebruiksaanwijzing bijgeleverd.

Milaan was modemekka van de ridders

Europese ridders waren kwetsbaar in de 14e eeuw. Edelen waren niet opgewassen tegen kruisbogen en hellebaarden – tot Milanese harnassmeden uitkomst boden. En betere harnassen dan die van de familie Missaglia waren er niet.

28 februari 2017 door Esben Mønster-Kjær

De zoon van een ridder bereidde zich al voor op de strijd vanaf het moment dat hij een houten zwaard kon vasthouden. 

Zijn hele jeugd stond in het teken van training, zodat hij op een dag ook de eer van zijn geslacht zou kunnen verdedigen.

Tot aan de 14e eeuw waren ridders heer en meester op de slagvelden van Europa. Als ze aangegaloppeerd kwamen om een frontale aanval uit te voeren, maakten de boeren ruim baan.

Maar toen gingen dappere voetsoldaten de strijd aan. De Vlamingen met knuppels, de Zwitsers met hellebaarden, de Schotten met speren en de Engelsen met langbogen – allemaal lieten ze zien dat je ook met primitieve wapens een leger van ruiters de baas kunt.

De trotse ridders beseften dat ze na één toevalstreffer of geslaagde uithaal van een boerenpummel zomaar vroegtijdig aan hun eind zouden kunnen komen.

Als de ridder zijn leidende positie op het slagveld wilde behouden, moest hij zijn uitrusting verbeteren. 

De klassieke maliënkolder bood geen afdoende bescherming meer. 

Zelfs als deze uit twee lagen bestond of op een andere manier werd versterkt, ging een kruisboogpijl er zo doorheen.

Om dat te voorkomen moest de ridder uitgerust worden met nauwsluitende pantserplaten die bestand waren tegen alle soorten wapens. 

Een gewone smid kon een dergelijke bescherming niet maken. Die taak moest hij overlaten aan het gilde van professionele harnassmeden dat rond het jaar 1400 ontstond. 

Milaan zet de toon

In de late middeleeuwen waren de steden van Italië zeer ontwikkeld in vergelijking met de rest van Europa. 

Hier werd kunst geproduceerd, literatuur geschreven, architectuur ontworpen en technologie ontwikkeld, en Italië was met zijn kennis van wetenschap en ambachten dan ook de uitgelezen plaats om geavanceerde harnassen te maken.

Het Noord-Italiaanse Milaan gold al langer als de toonaangevende stad op het gebied van wapenproductie.

‘Er is hier een indrukwekkend aantal wapensmeden, die elke dag allerlei soorten wapens maken,’ aldus ene Bonvesin da la Riva in 1288. ‘Hiervandaan worden alle andere Italiaanse steden van wapens voorzien, en ze worden zelfs aan de Tataren en Saracenen verkocht.’

Toen de Europese ridders van hun maliënkolders af wilden en om stalen lichaamsbepantsering vroegen, was Milaan er dan ook als de kippen bij. 

Al rond 1420 bestond er een hele straat waar alleen maar werkplaatsen van harnassmeden te vinden waren.

Milaan hield zijn reputatie hoog als stad waar de modernste wapenrusting werd gemaakt. 

In 1427 lagen er zo veel wapens en harnassen opgeslagen dat de stad binnen een paar dagen een leger van 4000 ridders en 2000 voetsoldaten op de been had kunnen brengen. 

Van de meeste harnassen gingen er dertien in een dozijn, maar voor rijke klanten maakten de smeden ware kunstwerkjes.

De vraag naar handwerk uit Milaan trok kundige smeden van buiten de stad aan. 

Zo ook de familie Missaglia, die binnen een paar jaar beroemd was aan hoven in heel Europa. 

Een harnas waar het logo van Missaglia op stond, was net zo exclusief als sommige kledingmerken vandaag de dag zijn. 

Missaglia was een van de eerste bedrijven die een logo op hun producten zetten.

© Metropolitan Museum of Art

De Missaglia’s komen naar Milaan

De nieuwe Milanese meestersmeden heetten eigenlijk Negroni en kwamen uit het gehucht Ello op 50 kilometer van de stad. In 1428 openden de broers Tommaso en Dionigi een werkplaats waar ze harnassen gingen maken.

Al een jaar later kocht Tommaso zijn broer uit en zette het familiebedrijf in zijn eentje voort. Ook veranderde hij zijn naam van Negroni in Missaglia.

Voor een ambitieuze en talentvolle smid bood Milaan vele mogelijkheden. Het was zelfs bijna niet te doen om zich ergens anders te vestigen als ambachtsmeester, want in andere steden werkten de gilden nieuwkomers tegen.

Middeleeuwse gilden waren een soort vakbonden, die in bijna alle handelsplaatsen bestonden. 

Ambrachtslieden bepaalden samen gemeenschappelijke maatstaven voor hun vak – en hielden anderen buiten de deur.

In een stad als Augsburg, waar net als in Milaan veel metaal werd bewerkt, moest een smid vier jaar leerling zijn, vervolgens vier jaar gezel en daarna een proef afleggen. 

Pas dan kon hij een werkplaats openen en zich meester noemen.

In Neurenberg, ook een Zuid-Duitse stad, was het makkelijker om smid te worden, maar daar mocht deze van het gilde hoogstens twee gezellen en één leerling hebben, waardoor hij maar een beperkte productie had.

In Milaan was het anders. Hier waren geen gilden, en er waren dan ook vrijwel onbegrensde mogelijkheden voor ambitieuze ambachtslui. 

Het stond Tommaso Missaglia vrij om een werkplaats te openen in de Via Armorari, waar de harnassen gemaakt werden.

Missaglia creëert een imperium

Tommaso Missaglia was niet de enige die in zijn werkplaats borstpantsers en helmen in elkaar zette. Zijn oudste zoon Antonio, die in 1429 pas 13 was, wist hoe een blaasbalg werkte en verrichtte hand- en spandiensten voor zijn vader.

Doordat er zo weinig regels waren in Milaan mocht Tommaso ook extra krachten inhuren wanneer hij grote opdrachten had en kon hij onderdelen van een harnas in een andere smidse aan de Via Armorari laten maken. 

Die vrijheid bestond niet in gildesteden.

In Neurenberg en Augsburg mocht een wapensmid zijn werkzaamheden niet uitbreiden, zoals Tommaso deed in Milaan. 

Hij gebruikte zijn winst om zaken te doen op alle terreinen die met de productie van harnassen te maken hadden. Zo had hij een aandeel in de mijnbouw in de Alpen en in de winning van ijzer uit ijzererts.

Steeds meer wapensmeden werkten in Tommaso’s smidse, en zij kregen gezelschap van andere vaklui: poetsers lieten de harnassen blinken, slotenmakers voorzagen ze van hang- en sluitwerk en goudsmeden verfraaiden de duurste exemplaren. 

Op deze manier hoefde Tommaso geen tussenpersonen te betalen. Smederij Missaglia deed alles zelf en maakte alleen gebruik van onderleveranciers als dat voordelig was. 

Tommaso verdiende geld als water.

Binnen een paar jaar was Missaglia een toonaangevende harnassmid in

Europa en kreeg hij veel opdrachten van buiten de stad. Uit documenten blijkt dat hij in 1430 handelscontacten had met steden in heel Italië en op het Iberisch Schiereiland.

De smidse van Missaglia kreeg orders van de hoogste heren van Europa. Zo bestelde de hertog van Ferrara in 1445 een duur harnas dat hij aan de bisschop van Luik wilde schenken. 

Maar de belangrijkste klant van Tommaso was de hertog van Milaan. 

Deze koos Missaglia uit als hofleverancier, gaf hem belastingvoordelen in ruil voor korting en sloeg Tommaso tot ridder. 

Toen de meestersmid in 1452 overleed, liet hij een gigantisch zakenimperium na. 

Missaglia maakte een meesterwerk

In 1451 is het nieuwe harnas van keurvorst Frederik I van de Palts klaar. Twee jaar lang werkten de Missaglia’s aan het prachtige, stijlvolle ontwerp.

Klik op de tekening om meer te lezen over de onderdelen van het harnas.

Meester doet het lastige werk

Tommaso had een groot aantal zoons, en de oudste, Antonio, kreeg de leiding over het familiebedrijf. 

Zijn jongere broer Francesco werd de vertegenwoordiger van Missaglia en reisde rond langs de Europese hoven.

Uit het schema van Francesco blijkt hoe groot Missaglia was. In 1464 ging hij naar Filips de Goede van Bourgondië om diens maten op te nemen voor

drie harnassen. Twee jaar later werd hij ontvangen door Lodewijk XI, de koning van Frankrijk, en wist hij een bestelling in de wacht te slepen. Minder voorname klanten werden niet bezocht door Francesco. 

Zij mochten langskomen bij een vestiging van Missaglia in Rome, Napels, Barcelona of Tours, waar een wassen model van hen werd gemaakt dat naar de werkplaats in Milaan ging.

Terwijl Francesco van hof naar hof trok, runde Antonio de zaak.

Hij had zijn handen vol aan de Sforza-dynastie, die de hertogen van de stad leverde en voortdurend bestellingen deed, maar de rekening vaak niet kon betalen. 

In plaats van geld kreeg Antonio privileges.

In 1472 mocht het hoofd van het familiebedrijf een landgoed buiten de stad kopen, en een paar jaar later werd hij benoemd tot graaf. 

De zoon van Tommaso Missaglia had het tot edelman geschopt, en hij was de laatste die zelf de hamer hanteerde.

Na de dood van Antonio rond 1495 verkochten zijn erfgenamen de werkplaatsen en de ijzermijnen. 

Het huis Missaglia raakte in de vergetelheid, en Milaan was zijn monopolie kwijt. 

De Zuid-Duitse wapensmeden streefden de Italianen voorbij, en voortaan konden modebewuste ridders in meer steden hun hippe harnassen aanschaffen. 

Bekijk ook ...