De Frankische graaf Odo weigerde de roofzuchtige Vikingen de doorgang door Parijs. Zijn dappere verzet leverde hem de koningskroon op.

© Scala

Parijzenaren vernederden Vikingen

In 885 trokken duizenden Vikingen al plunderend langs de Seine. Slechts twee versterkte bruggen en een klein groepje soldaten stonden tussen de Scandinaviërs en Parijs. De Vikingen verwachtten een snelle overwinning, maar kwamen van een koude kermis thuis.

3 januari 2017 door Jonas Bechgaard
Parijs maakte in 845 kennis met de moordlustige mannen uit Scandinavië. Een vloot onder leiding van hoofdman Ragnar Lodbrok voer de Seine op en roofde alles wat los en vast zat. Volgens West-Frankische kronieken dreven er ‘talloze rottende lijken van christenen’ in de rivier.

De Vikingvloot van Ragnar telde zo’n 120 schepen die een paar duizend man vervoerden. 

Parijs was hun doel, maar toen de Noormannen daar aankwamen, waren de inwoners gevlucht en hadden ze al hun bezit meegenomen.

Uit woede brandden de Vikingen huizen en kerken plat. 


Om zijn stad te redden moest de West-Frankische koning, Karel de Kale, Ragnar afkopen met 3,5 ton zilver. Parijs was even veilig, maar de rovers zouden spoedig terugkeren. 

Vikingen zijn straf van God

Elk jaar opnieuw kwamen de plaaggeesten uit het noorden, en de Franken begonnen te denken dat ze een straf van God waren voor hun zonden: 


‘De Heer zond ons voor onze daden deze vreselijke en hoogst onmenselijke vervolgers van het christendom,’ schreef een kerkganger in 845.

Na de eerste aanval op Parijs keerden de Vikingen terug in 856 en 861. Roven en plunderen was een goede business, en er doken steeds meer Noormannen op de Frankische rivieren op.

De koning kon niet blijven toekijken. In 864 vaardigde Karel de Kale het Edict van Pîtres uit, dat zijn maatregelen tegen de Vikingen opsomde.

Bij gebrek aan schepen om de invallers op het water te bestrijden, moest de cavalerie snel aanvallen wanneer de Vikingen aan land gingen. 

Handel met de vreemdelingen werd verboden: op het verkopen van wapens en paarden kwam de doodstraf.

Bovendien bepaalde het edict dat er versterkte bruggen over de grote rivieren moesten komen om de Vikingschepen de doorgang te belemmeren. 


Dit bleek de effectiefste maatregel, want 21 jaar later hielden de bruggen een invasie tegen.   

In de 9e eeuw was Parijs nog maar een eilandje in de Seine. Versterkte bruggen
in het noorden en het zuiden vormden de verbinding met het vasteland. 
© Scanpix/Granger

Parijs krijgt opnieuw bezoek

In 885 voerde de Viking Sigurd Slang-in-het-Oog een grote vloot aan die de Seine
op voer. 


Hij was een zoon van Ragnar Lodbrok, die 40 jaar eerder dood en verderf had gezaaid langs de rivier. Sigurd zou een vlekje in de vorm van een slang in de pupil van zijn linkeroog hebben gehad – vandaar zijn bijnaam.

De monnik Abbo Cernuus was erbij toen het grote leger van Sigurd aanviel en beschreef de indrukwekkende aanblik later: 


‘De Vikingschepen vormden een rij van twee mijl lang en lagen zo dicht op elkaar dat het water van de rivier niet te zien was.’ 

Sigurd had ook vrouwen en kinderen meegenomen, want hij wilde langere tijd in Frankrijk blijven.

Zijn plan was om over de Seine ver het binnenland in te varen en daar de winter door te brengen. 


En hij had een gunstig tijdstip gekozen voor de aanval, want het West-Frankische Rijk was verzwakt. De Oost-Frankische koning Karel de Dikke zat op de West-Frankische troon, maar had weinig in de melk te brokkelen.

Op 25 november 885 kwam Sigurd met zijn vloot bij Parijs, waar bruggen de doorgang versperden. 


De hoofdman verwachtte echter niet dat het legertje van de stad het zou durven opnemen tegen zijn Vikingkrijgers. 

Hij bood aan om de stad niet te plunderen als de Parijzenaren hem doorlieten. Tot zijn verbazing kreeg hij nul op het rekest: 

‘De stad is door koning Karel aan ons toevertrouwd opdat het rijk verlost wordt en de vrede niet verstoord zal worden,’ sprak graaf Odo van Parijs volgens Abbo Cernuus. De Vikingen moesten vechten. 

Zware verliezen bij een toren

Op 26 november bij zonsopgang bestormden de Vikingen de toren die de noordelijke brug bij Parijs verdedigde.

Er lag een gracht om de stenen toren heen, maar die was niet voltooid, en de aanvallers dachten een makkelijke zege te kunnen behalen. 

Ze bestookten de verdedigers met pijlen en stenen, waarna Sigurds mannen met hun bijlen en zwaarden oprukten. 

De veldslag duurde een paar uur, en de Franken wisten van geen wijken, al waren ze in de minderheid. De Vikingen moesten onverrichter zake naar hun schepen terugkeren.

De volgende ochtend wilde Sigurd het opnieuw proberen. Tot zijn verbazing was de toren echter hoger geworden – de Franken hadden er een verdieping bij gebouwd. 


Sigurd besefte dat hij niet omhoog zou kunnen klimmen.

Daarom richtte hij zijn krachten op het stenen fundament van de toren. De Franken goten hete pek naar beneden, maar de Vikingen wisten een bres te slaan. 


Toen ze wilden binnendringen, gooide Odo een zwaar wagenwiel van de toren. Zes man werden gedood en de Vikingen trokken zich weer terug.

Na twee dagen met zware verliezen besefte Sigurd dat hij zich beter moest voorbereiden en sloeg hij kamp op. Hij stuurde zijn mannen het land in om proviand te verzamelen. 


De Frankische boeren moesten het ontgelden.

‘Geen weg in het rijk ligt niet vol met dode priesters, mannen, vrouwen, kinderen en borelingen,’ schreef een West-Frankische chroniqueur.

Nu de Noormannen een veilige basis en voldoende voedsel hadden, konden ze een stormloop voorbereiden. 

Ze beukten met blijden in op de muren en stuurden brandende schepen de rivier af om de bruggen in brand te steken. 

Eén keer wisten de Vikingen Parijs binnen te dringen, maar na een tegenaanval van Odo werden ze weer verdreven.

‘We hadden niet genoeg grond in de stad om de dode lichamen met onze handen te kunnen begraven,’ schreef de monnik Abbo over de belegering, die veel slachtoffers maakte onder de verdedigers. 


En de bevolking begon honger te lijden, want de Vikingen zorgden ervoor dat er geen voedsel in Parijs kwam. 

De hoofdman Rolf hield andere Vikingen uit het West-Frankische Rijk. 
© Scanppix/Bridgeman

Koning verraadt Parijzenaren

De stad verhongerde, maar Karel de Dikke treuzelde met het sturen van hulp. Pas vier maanden na het begin van het beleg bereikten Oost-Frankische troepen onder het bevel van hertog Hendrik van Saksen Parijs.

Veel Vikingen waren op rooftocht, maar Sigurd wist niet alleen de aanval af te slaan, maar ook de mannen van de hertog in te sluiten in Parijs, waardoor er nog meer monden te voeden waren.

Hierop besloot de koning persoonlijk in te grijpen. Na een beleg van bijna een jaar kwam Karel de Dikke in oktober 886 met een machtig leger bij Parijs aan. 


De Vikingen trokken zich terug op hun schepen en de koning marcheerde de stad binnen. De kerkklokken luidden en de inwoners stonden te juichen.

Het feest was echter van korte duur, want de Vikingen waren nog in de buurt. In plaats van Sigurd aan te vallen, sloot de koning een deal. 


De Scandinaviërs kregen zilver en mochten zelfs langs Parijs naar Bourgondië varen – Karel had nog een appeltje te schillen met de Bourgondiërs. De koning eiste alleen dat de Vikingen op de terugweg Parijs links zouden laten liggen.

‘Beide volkeren zagen met verbazing dat ze vermengd werden,’ schreef Abbo toen de poorten van de stad opengingen voor de Vikingen zodat ze verder over de Seine konden naar het zuiden.

De Parijzenaren waren woedend dat Karel Sigurd had gegeven waar hij op uit was geweest. Ze hadden een jaar voor niets geleden. Bourgondië werd geplunderd – met de zegen van Karel.

In 887 zetten de boze West-Franken Karel de Dikke af en kozen ze graaf Odo tot koning. Hij stichtte de dynastie die tot aan de Franse Revolutie van 1789 op de troon zou zitten.

De Vikinghoofdman Sigurd keerde nooit terug naar Parijs. Hij werd gedood door de Friezen tijdens een rooftocht.

Bekijk ook ...