In Afrikaanse dorpen werden milities opgericht van jonge mannen, met ‘vuurwapens, pijl-en-bogen, werpsperen en brede, tweesnijdende zwaarden.’

© Bridgeman, Polfoto

Slavenhandel leidde tot wapenwedloop in Afrika

Al lang voordat de Europeanen naar Afrika kwamen, voelden de Afrikanen de dreiging van de slavernij. Daarom ontwikkelden ze nieuwe verdedigingsmethoden.

21 augustus 2017 door Benjamin Christensen og Jannik Petersen

Aan slaven geen gebrek toen Arabieren en Europeanen naar Afrika kwamen om goedkope werkkrachten te zoeken.

De Afrikanen zelf handelden al tijden in gevangenen die ze hadden gemaakt tijdens hun oorlogen.

Afrikaanse krijgsgevangenen moesten zwaar werk doen, zoals bomen rooien en de stronken uit de grond halen zodat er landbouwgrond vrijkwam. 

Bovendien konden ze het slachtoffer worden van rituele offers aan de goden van een van de vele Afrikaanse natuurreligies.

Maar de situatie veranderde ingrijpend toen de Arabieren in de 7e eeuw ten zuiden van de Sahara slaven begonnen te kopen.

Vanaf dat moment trokken Afrikanen niet alleen ten strijde om grensgeschillen te beslechten of grond of jachtrechten te verwerven: veel oorlogen waren alleen bedoeld om slaven te ontvoeren.

Vredelievende stammen moesten op slavenjacht

Toen de Europeanen in de 16e eeuw handelsposten vestigden in West-Afrika, werd het alleen maar erger en rees de slavenhandel de pan uit. 

Er ontstond een industrie die Afrika en zijn vele gemeenschappen voorgoed zou veranderen.

Europese slavenhandelaren maakten doorgaans zelf geen slaven buit, maar kochten ze van Afrikaanse stammen. 

Plaatselijke slavenjagers werden betaald met vuurwapens en kruit.

Dankzij deze moderne wapens konden ze hun buurstammen onderwerpen en nog meer gevangenen maken om naar de Europese plantages in Amerika of de Arabische steden te sturen.

Vreedzame stammen werden dan ook gedwongen om zelf op slavenjacht te gaan om aan wapens te komen.

Als ze dat niet deden, kon de hele stam in de slavenketenen geslagen worden.

In Afrikaanse dorpen werden milities opgericht van jonge mannen, met ‘vuurwapens, pijl-en-bogen, werpsperen en brede, tweesnijdende zwaarden,’ zoals een slaaf later vertelde. Jongens stonden rond de dorpen op de uitkijk. 

Hout en modder houden vijand weg

Stammen die niet meededen aan deze wapenwedloop, moesten hoge muren bouwen.

De slavenjagers hadden geen kanonnen om muren kapot te schieten, en vaak ook geen tijd en voorraden om een versterkt dorp te belegeren.

Een Portugese reiziger was in 1585 onder de indruk van de verdedigingswerken: ‘Om hun dorpen staan muren van stammen die in de grond gezet zijn. 

Die vormen drie of vier cirkels met greppels erom. Op de muren (...) staan hoge torens met uitkijkposten van zeer hoge bomen (...). Hiervandaan schieten oude mannen hun pijlen af,’ vertelde de Portugees.

In streken waar geen bomen groeiden, werden de muren gemaakt van modder en steentjes, bij elkaar gehouden met sheaboter.

Als het mengsel was gedroogd in de zon, was het net zo hard als cement en zeer lang houdbaar: sommige verdedigingsmuren staan tot op de dag van vandaag.

De slavenjagers lieten zich vaak tegenhouden door zo’n muur, maar af en toe wisten ze met list en bedrog binnen te komen. Ook dan waren de dorpelingen niet kansloos. 

De ingang van hun hutten was zo laag dat de aanvallers moesten bukken om binnen te dringen, en als de bewoner stond te wachten met een speer of een knuppel, waren ze nog niet jarig.

Als de bewoners op de vlucht sloegen, konden ze door een verborgen achterdeur, en in de kronkelige straatjes verdwaalden de aanvallers.  

Afrikanen op zoek naar slaven hadden geen wapens om de dikke muren van de stad Sikasso in Mali te slechten. 

© bridgeman, polfoto

Bergen boden bescherming

Andere stammen trokken de heuvels of bergen in en kwamen alleen omlaag om op hun velden te werken. 

Vanuit de hoogte keken wachtposten uit naar slavenjagers, en als die opdoken, bliezen ze op hun hoorn of sloegen ze op hun trommel om alarm te slaan.

De stam verschanste zich dan op een heuveltop en bestookte de aanvallers met pijlen, stenen en zelfs hele bijenkorven.

Boeren die op het veld werkten, waren doodsbang om ontvoerd te worden. Ze hadden dan ook altijd een wapen in de buurt.

De Kabre-stam uit Togo en anderen pasten de manier waarop ze landbouw bedreven aan.

In plaats van het laagland te beplanten, hakten ze terrassen uit op hellingen, waarvandaan ze beter konden zien of er vijanden in aantocht waren.

Afrikanen kopen zich vrij

Ondanks al deze maatregelen wisten de slavenjagers ruim 12 miljoen Afrikanen te ontvoeren en aan de Europeanen te verkopen. 

Arabische slavenhandelaren kochten minstens evenveel mensen. Maar zelfs als een Afrikaan gevangen werd, gloorde er nog hoop.

Een familie kon soms genoeg waardevolle spullen verzamelen om verwanten vrij te kopen voordat die weggevoerd werden.

In 1801 schreef de slavenhandelaar Bruce Grove in zijn logboek hoe twee van de slaven die hij net buitgemaakt had, werden vrijgekocht:

‘De mannen werden vandaag opgekocht door drie van hun vrienden. Ik hoef niet te beschrijven hoe blij die stakkers waren toen ze uit hun kettingen bevrijd werden.’

Slavenhandelaren namen echter niet vaak genoegen met goederen of geld als iemand een slaaf wilde vrijkopen.

‘We boden hem geld, maar hij zei nee. Hij wilde andere slaven, en die moesten minstens een meter en 34 centimeter lang zijn,’ schreef de directeur van een handelsmaatschappij toen hij in 1794 een stel slaven wilde bevrijden.

Familie en vrienden hadden dan ook geen keus: ze moesten het vuile werk van de slavenjagers overnemen en andere Afrikanen ontvoeren om hun dierbaren een leven in ketenen te besparen. 

Bekijk ook ...