De Romeinen bestreden kwade, bovennatuurlijke krachten door bij de vleet dieren te offeren aan hun goden.

© Picture Desk, Scanpix/AKG & Shutterstock

Romeinen waren bang voor heksen en spoken

Volgens het Romeinse bijgeloof lagen er allerlei griezelige monsters op de loer in het donker. Heksen struinden door de straten op zoek naar kleine kinderen en geesten zonnen op wraak voor hun gewelddadige dood.

10 mei 2016 door Niels-Peter Granzow Busch

Heksen en spoken lagen op de loer

De Romeinen geloofden dat heksen ’s nachts hun kinderen kwamen stelen en dat doden die geen begrafenis kregen, kwaadaardige spoken werden.

Heksen konden mensen iets aandoen. Daarom namen Romeinen vaak een heks in de arm om met een vijand af te rekenen.

© Scanpix/AKG-Images

Als Romeinse kinderen stout waren, dreigden hun ouders vaak met de heks Lamia, die hen ’s nachts zou komen opeten. En Lamia was lang niet de enige heks die volgens het bijgeloof ’s nachts rondwaarde om de kleine Romeintjes iets aan te doen.

‘Toen ik vier jaar was, werd ik ontvoerd en gedood. Een heks kwam me halen’, zo staat er op het graf van een jongetje.

De Romeinen dachten dat heksen lichaamsdelen van kinderen gebruikten bij hun rituelen of verkochten aan bijgelovige klanten. Zo zouden advocaten het gedroogde vruchtvlies van een foetus kopen voor geluk in de rechtszaal.

Niet alleen heksen lagen ’s nachts op de loer. De Romeinen waren ook bang voor lemures – boze geesten die uit hun graf tevoorschijn kwamen als het duister inviel. Als een dode niet werd begraven met de benodigde rituelen, dan was hij gedoemd om ten minste 100 jaar onder de levenden rond te waren.

De rusteloze geesten boezemden de Romeinen zo veel angst in, dat ze elk jaar in mei het negen dagen durende festival Lemuria hielden om hen te behagen.

Knopen verwoestten de oogst

Romeinse vrouwen die aan een godsdienstplechtigheid deelnamen, mochten hun haar niet opbinden. Het moest los worden gedragen, evenals hun kleding. Want de Romeinen dachten dat knopen de religieuze rituelen vast konden zetten en zo de werking ervan teniet konden doen. 

De angst voor knopen betekende ook dat vrouwen niet met hun spingerei langs een akker mochten lopen. Als de draden verward raakten en een knoop vormden, zou het graan ook verward raken in het onkruid. En dat had uiteraard rampzalige gevolgen voor de oogst.

Bloedspetters voorspelden einde van het koninkrijk

Koningsdochter Tullia bracht ongeluk over haar familie toen ze over haar vaders lijk reed, waarbij zijn bloed op haar terechtkwam. 

© Scanpix/AKG-Images

Hoewel ze constant oorlog voerden, kwamen de Romeinen niet graag in aanraking met bloed. De ziel huisde erin, en daardoor was het magisch. Het bracht dan ook ongeluk als je het bloed van een ander op je kreeg.

Volgens een legende uit het vroege Rome werd koning Servius Tullius door zijn schoonzoon Tarquinius Superbus vermoord. Zijn lichaam werd op straat gegooid en zijn dochter Tullia reed met een wagen over hem heen. Daarbij kreeg ze bloed op zich. Volgens een waarzegster was dit een teken dat het nieuwe bewind net zo slecht zou eindigen als het begon. En dat klopte.

Een paar jaar later werd Tarquinius’ zoon gedood nadat hij een Romeinse edelvrouw had verkracht. De boze Romeinen zetten meteen ook zijn vader af en voerden de republiek in. 

Blikseminslag werd begraven

Priesters reinigden de plek waar de bliksem was ingeslagen.

© Scanpix/Mary Evans

Net als de meeste andere volkeren vreesden de Romeinen het onweer. Een blikseminslag in een gebouw of boom bracht dan ook ongeluk. In zo’n geval gingen speciale priesters naar de plek om te waarschuwen en een lam te offeren. Daarna lieten ze een muurtje rond de plaats bouwen met de inscriptie dat de bliksem was begraven en de plek gereinigd.

Offergaven moesten ongeluk bezweren 

De Romeinen hadden veel goden, maar offerden meestal alleen aan de god die ze in een bepaalde situatie nodig hadden. Was een Romein ziek, dan offerde hij aan de geneeskundegod Asclepius. 

Diens cultus vond plaats op het Tibereiland midden in Rome. In de rivier de Tiber zijn honderden kleifiguurtjes gevonden die lichaamsdelen voorstellen. De figuren vergezelden de offergaven, zodat de god wist welk lichaamsdeel ziek was.

De offergaven zelf bestonden vaak uit fruit of wijn. Een enkele keer offerden de Romeinen een dier. Toen Caligula in 37 n.Chr. keizer werd, werden er in drie maanden 160.000 koeien geofferd. 

Elk huis had een altaar

In elk Romeins huis stond een altaartje waarop de bewoners offerden aan de lares, de beschermgoden van het huis.

Elke ochtend offerden de Romeinen aan deze goden, opdat ze het huis en zijn bewoners zouden beschermen. De eerste baardgroei van jongens werd afgeschoren en aan de lares gegeven. Meisjes schonken hun pop aan de huisgoden als ze de huwbare leeftijd bereikten.

Haren knippen was riskant

Volgens de Romeinen hadden haar en nagels toverkracht en bevatten ze een deel van henzelf. Met afgeknipte haren en nagels konden vijanden een vloek over de eigenaar uitspreken.

Daarom was het zaak er zorgvuldig mee om te gaan. In een roman uit de eerste eeuw na Christus bewaart de steenrijke Romein Trimalchio zijn afgeknipte baardharen bijvoorbeeld altijd in een verguld kistje.

Spuug tegen het boze oog

Romeinen dachten dat sommige mensen anderen leed konden berokkenen met hun blik.

© Picture Desk

Boven alles vreesden de Romeinen dat hun vijanden hen zouden treffen met het ‘boze oog’. Slachtoffers van zo’n boze blik zou allerlei ongeluk overkomen. De Romeinen kochten daarom speciale amuletten om de noodlottige blik te bezweren.

Kinderen die door het boze oog van een vreemde werden getroffen, konden worden gered door wat spuug op hun voorhoofd te smeren. 

Geen kind was veilig

Vanaf het moment dat een Romeins kind ter wereld kwam, was het in gevaar. De kindersterfte was erg hoog in de Romeinse samenleving, en volgens de Romeinen kwam dat doordat kinderen kwetsbaarder voor boze geesten waren dan volwassenen. 

Tijdens de geboorte werden daarom al bij een speciale ceremonie beschermgoden opgeroepen om kwade bosgeesten uit de buurt van het huis van het kind te houden.

‘’s Nachts gaan drie mannen rond de drempel van het huis staan en slaan er met een bijl en een hamer op. Vervolgens vegen ze erover met een bezem. Met deze tekenen van aanbidding worden boze geesten geweerd’, verklaarde kerkvader Augustinus in de 5e eeuw n.Chr. Jongens moesten bovendien tot aan

de puberteit een toga dragen met een donkerrode bies. De toga, die ook werd gedragen door de hoogste Romeinse ambtenaar, bood extra bescherming.

Ook droegen zowel jongens als meisjes een amulet van vergulde dierenhuid – een zogeheten bulla. Deze zou vooral werken tegen mensen die de kinderen met het ‘boze oog’ wilden treffen. 

Generaal blafte heilige kippen af

Het Romeinse leger ging voor elke grote slag te rade bij heilige kippen. 

© Scanpix/AKG-Images

Voor een militaire slag werden heilige kippen geraadpleegd. De priester strooide graan voor de kooi waarin ze zaten. Als de kippen het graan aten, was dat een goed teken. Deden ze dat niet, dan werd de slag doorgaans uitgesteld of afgelast.

Voor een belangrijke zeeslag tegen de aartsvijand Carthago in 249 v.Chr. strooide de Romeinse consul Claudius Pulcher graan voor de kippen. Maar ze hapten niet. Na lang wachten werd de ongeduldige legerleider zo boos dat hij de kippen uiteindelijk in zee smeet met de woorden: ‘Als ze niet willen eten, dan moeten ze maar drinken!’

Bij de zeeslag die volgde werden de Romeinen verpletterend verslagen.

Vogels voorspelden de toekomst

Voordat de Romeinse senaat een besluit kon nemen in staatszaken als wetswijzigingen, moesten eerst de goden worden geraadpleegd. Daarvoor hadden de Romeinen speciale priesters, zoals de zogenaamde augures, die naar de vogels keken om te bepalen of de tekenen goed of slecht waren. 

Augures letten op het soort vogel en de hoogte waarop en de richting waarin ze vlogen. Als de tekenen weinig goeds beloofden, dan werd de wetswijziging herzien of ingetrokken.

De Romeinen hadden dit gebruik van de Etrusken overgenomen, die voorheen over het gebied ten noorden van Rome heersten. Telkens wanneer de Romeinen een nieuw gebied veroverden, nodigden zij plaatselijke goden uit in Rome.   

Priesters ‘lazen’ dierlijke organen

Haruspices konden evenals augures tekenen duiden. Dat deden zij door de lever van offerdieren te bestuderen. Kleur, grootte en vorm van het orgaan werden uitgebreid onderzocht. Was de lever ziek of had hij een vreemde vorm, dan was dit een slecht teken. Haruspices duidden ook tekenen in verband met blikseminslagen.

Heilige boeken wisten altijd raad

De Sibillijnse boeken behoorden tot de heiligste van Rome. Hierin stonden oeroude wijsheden die een Romeinse koning rond 500 v.Chr. kocht van een sibille – een Grieks orakel. Priesters raadpleegden de boeken bij groot

onheil. Ze sloegen een boek open op een willekeurige pagina en volgden de raad die ze daar vonden. Het was dan ook een ramp toen de tempel waar ze werden bewaard in 83 v.Chr. afbrandde.

Bekijk ook ...