De Egyptenaren geloofden dat de goden in hun standbeelden woonden. Daarom bedienden priesters die beelden de hele dag. Ze brandden bijvoorbeeld wierook ter ontspanning.  

© Auckland Art Gallery

Egyptische priesters wijdden hun leven aan de goden

In het oude Egypte draaide alles erom de grillige, humeurige goden te behagen. Als een god zijn intrek nam in zijn aardse woning, het goddelijke standbeeld, moesten de priesters dit wassen, aankleden en het lekkernijen brengen.

2 mei 2017 door Natasja Broström

Het zonnetje is nog maar net op als de optocht van start gaat. Het is 1300 v.Chr., en er klinkt een hymne als de priesters de zonnegod Amon-Ra loven – de machtigste god van Egypte. 

De voorsten in de stoet slaan hard op hun sistrum, een soort tamboerijn met kleine stukjes metaal, en achter hen lopen priesters met fakkels en schalen vol eten, bier en wijn.

De processie trekt onder leiding van de hogepriester door de hal van de tempel van Karnak, waar de zuilen de vorm van papyrusplanten hebben. 

De gigantische ruimte symboliseert de oerzee, de oorsprong van alle leven, en als de optocht erdoorheen loopt, worden de priesters symbolisch gezuiverd. 

Boze gedachten, kwade geesten en werelds vuil horen niet thuis in het heiligste der heiligen van de tempel: de woning van de goden.

De stoet treedt binnen in een lage ruimte met een deur, waar de priesters een ritueel morgenlied aanheffen: ‘Ontwaak, o grote god, in vrede. Ontwaak gerieflijk. Kom tot leven.’

De hogepriester opent de deur. 

Hij weet dat hij het domein van de goden binnengaat als hij het zegel verbreekt. Met een fakkel ontsteekt hij olielampen en wierook in vaten, terwijl de priesters achter hem prevelen: ‘De hemelpoorten gaan open, de aardse poorten gaan open.’

In de ruimte staat een stenen schrijn. Met bevende handen maakt de hogepriester de houten luiken open, waarna hij zich op zijn buik werpt en de grond kust uit respect.

Lampen beschijnen een standbeeld van goud, maar de priester ziet geen standbeeld: voor hem staat Amon-Ra in eigen persoon. En de god is tevreden – anders zou hij wel weggaan.

De hogepriester zet eten en drinken voor het beeld. Pas als hij vindt dat de geest van de god genoeg tot zich heeft genomen, haalt hij het weer weg.

Vervolgens pakt de priester behoedzaam de juwelen van Amon-Ra en haalt hij de stukjes doek weg die de god draagt. 

Hij wast het beeld met water, droogt het af en trekt het schone kleren aan. Met het puntje van zijn pink smeert hij welriekende olie uit een albasten flesje op het gezicht van de god. 

Uit een kistje haalt de priester kleine kettingen met edelstenen, die hij om de hals van Amon-Ra hangt, terwijl de gedragen sieraden in het kistje gaan.

Als de god weer fatsoenlijk voor de dag kan komen, legt de priester bergjes zuiveringszout en geurende hars voor het schrijn.

Als laatste sprenkelt hij heilig water op de woning van de god, sluit de luiken en veegt de vloer terwijl hij gebogen achteruit loopt. Als de deur dichtgaat, wordt die weer verzegeld.

Boven de binnenplaats schijnt de zon. De hogepriester en zijn gevolg kunnen opgelucht ademhalen. Het ritueel is foutloos uitgevoerd, want de zonnegod laat zijn stralen neerdalen op Egypte.

Zo verliep volgens egyptologen het ochtendritueel. Ze hebben het op basis van papyri en tekeningen gereconstrueerd.

Amon-Ra is zon

In het oude Egypte namen de mensen niet aan dat de zon vanzelf opkwam. Elke nieuwe dag werd met angst en beven afgewacht. 

De zonsopgang kon alleen plaatsvinden als de machtige goden tevreden waren. Als ze beledigd waren, konden ze de zon tegenhouden, en dan raakte niet alleen Egypte, maar het hele heelal ontregeld.

Als zoon van de god der goden – Amon-Ra – had de farao een goddelijk mandaat om te regeren en was hij de hoogste priester van het land. 

Hij moest ervoor zorgen dat de erfopvolging in stand bleef en dat hij de goden te vriend hield. Hij leidde dan ook de religieuze ceremoniën en de grote openbare processies met de standbeelden van de goden.

Maar met 2000 goden en tempels in het hele rijk was dat zelfs voor de farao met zijn godenbloed een schier onmogelijke taak. 

Zo moesten de beelden drie keer per dag gevoed en gewassen worden. De farao wees daarom hogepriesters aan om de honneurs waar te nemen.

In de tempel van Amon-Ra in Karnak bij Thebe had de hogepriester, die ook wel de ‘eerste profeet van Amon-Ra’ werd genoemd, drie hulppriesters: de tweede, derde en vierde profeet. 

Alleen deze vier mannen mochten het schrijn van de zonnegod Amon-Ra openen.

Op tempelmuren en in grafkamers zijn ‘luisterende oren’ aangetroffen.

© The complete gods and goddesses of ancient egypt

Tempels worden druk bezocht

De priesters stonden er echter niet alleen voor. In de grootste tempelsteden kregen ze hulp van talloze onderpriesters, astrologen, ambachtslieden, schrijvers en een legertje slaven.

Al deden de Egyptische geestelijken belangrijk werk – ze stemden de goden tevreden – ze stonden een stap onder de farao en kenden hun plaats. 

Wanneer de hogepriester van Karnak het schrijn van Amon-Ra opende, prevelde hij steevast: ‘De farao heeft mij gestuurd.’

In alle andere tempels van het rijk werd hetzelfde ritueel opgevoerd, welke god er ook in het schrijn woonde.

Zelfs in de armste uithoeken van het land stond de plaatselijke priester voor zonsopkomst op om de god te wekken met zang, lekker eten en mooie kleren.

Als plaatsvervanger van de farao moest de hogepriester toezien op de correcte uitvoering van de rituelen.

Niets werd aan het toeval overgelaten, want alles was bepaald in de oude geschriften: van de bestanddelen van de heilige olie tot de toonsoort waarin de gezangen uitgevoerd werden. 

Als de priester uit de heilige geschriften citeerde, had hij altijd een papyrus in zijn hand. Dan kon hij nooit een woord vergeten.

De tempelbibliotheken lagen vol met schriftrollen waarin alle rituelen nauwgezet beschreven waren. Als de priester een foutje maakte, hoe klein ook, dan konden de goden in woede ontsteken. 

En waren ze eenmaal boos, dan konden ze de kosmos – de aarde, de wereld van de goden en het dodenrijk – vernietigen. 

Goden zorgen voor oorlog en dood  

Wanneer de godin Hathor ontstemd was, werden vrouwen onvruchtbaar. Als de god van de ambachtslieden, Ptah, niet voldoende geëerd werd, stortten gebouwen in. 

En kreeg de Nijlgod Hapy niet genoeg offergaven, dan trad de rivier niet buiten zijn oevers om de vruchtbare modder uit Ethiopië te verspreiden over de Egyptische velden. 

Zonder dit slib wilde het graan niet groeien, met honger tot gevolg.

Hoewel de priesters hun uiterste best deden om de goden te behagen, lag het gevaar altijd op de loer. Iedere Egyptenaar wist dat gewiekste goden als Seth en Sechmet elke kans aangrepen om rottigheid te trappen. 

De chaosgod Seth lag in de woestijn op de loer en strafte reizigers met dorst en de dood. En als Sechmet in een slechte bui was, stuurde ze haar demonen naar de mensenwereld, waar ze ziekte en ongeluk zaaiden – en in het ergste geval oorlog en hongersnood.

De Egyptenaren konden zich alleen tegen al dit onheil beschermen door te bidden en de goden rijkelijk van offergaven te voorzien. 

Niemand – afgezien van de farao en zijn priesters – mocht echter verder een tempel in dan de eerste binnenplaats. 

Gewone mensen konden niet bidden ten overstaan van de god zelf: als zij bijvoorbeeld een been braken, moesten ze hun geschenken afgeven bij de tempel.

Als een zieke boer of slaaf genezen wilde worden, liet hij de priesters een bezwering in een stukje gebrande klei kerven, dat hij als amulet om zijn hals droeg. 

Rijke kooplieden, legerleiders en edelen hadden echter amuletten van goud of edelstenen.

Als de bezwering werkte en Sechmet milder stemde, riep ze haar demonen terug en verdween de ziekte of heelde het gebroken been. 

Standbeelden eten als koningen

Egyptische priesters en priesteressen waren doordrongen van het belang van hun taak. Alles in de tempels was erop gericht de goden te behagen, en het werk was nooit af. 

De standbeelden werden drie keer per dag gewassen en gevoed. Al een paar uur voor zonsopgang werd begonnen met het ontbijt.

In Karnak, het grootste tempelcomplex van de oudheid, puilde het buffet van de goden uit. Op muurschilderingen is nog te zien hoe farao Horemheb (die van ca. 1319 tot 1291 v.Chr. regeerde) bergen eten opdient aan Amon-Ra.

Vruchten werden opgestapeld en met bloemen versierd, en de slachthuizen van de tempel leverden vers vlees.

Eerst moest een priester het offerdier echter goedkeuren. Als het wonden had of mank liep, werd het afgewezen en moest het slachthuis op zoek naar een nieuw dier. 

De bakkerijen van de tempel maakten vers brood en grote, mierzoete koeken. In de brouwerij werden bier en wijn in kruiken gedaan, want de goden mochten natuurlijk geen dorst hebben.

Als de goden hun buikje rond hadden gegeten, werden de restjes verdeeld over de priesters en andere medewerkers van de tempel. 

Maar sommige priesters waren zo fanatiek dat ze zichzelf vrijwillig op een dieet van water en brood zetten. Zelfs zout en knoflook meden ze, zo meldde de Griekse geschiedschrijver Plutarchus (ca. 45-120 n.Chr.).

De priesters maakten muziek op het sistrum – een soort rammelaar.

© Getty Images

Alles moet schoon

Goden die in de tempel verbleven, waren gevoelig voor vuil uit de wereld van de mensen. Daarom moesten de priesters hun lichaam te allen tijde schoon houden.

‘Ze baden twee keer per dag en twee keer per nacht in koud water,’ schreef de historicus Herodotus (ca. 480-420 v.Chr.), die tijdens zijn vele reizen een aantal tempelcomplexen in Egypte aandeed.

In Karnak baadden de priesters in het grote, heilige meer van de tempel. Fraaie trappen van steen leidden naar het water. 

Als een tempel niet rijk genoeg was om zijn eigen meer aan te leggen, moesten de priesters het doen met een tobbe. 

Maar een bad was niet genoeg, zo legt de Griek Herodotus uit: ‘De priesters laten zich besnijden omwille van hun reinheid, want dat vinden ze belangrijker dan enig comfort. 

Ze scheren zich minstens om de dag over hun hele lijf om zich te beschermen tegen luizen en ander ongerief.’

In sommige tempels was het reglement zo streng dat de priesters ook wimpers en wenkbrauwen moesten verwijderen.

Als de priesters zich niet bezighielden met de godenstandbeelden, waren ze de gezangen en dansen aan het oefenen die ze opvoerden om de goden te behagen. 

Priesters en priesteressen waren elke dag uren zoet met het instuderen van de ingewikkelde teksten en passen. 

Seks in de tempel is taboe

Geslachtsverkeer tussen priesters en priesteressen was streng verboden, wat Herodotus maar merkwaardig vond.

‘Mannen en vrouwen zijn toch niet anders dan dieren, of het nu beesten of vogels zijn, en paren geregeld in tempels en op andere heilige plaatsen. Als een god daar een probleem mee had, zou hij het gewoon niet toestaan,’ redeneerde hij.

Maar hoewel de priesters zich vaak aan hun celibaat hielden, traden ze andere regels met voeten – zoals het verbod op het aannemen van steek- penningen.

Als de priesters van de tempel van Memphis de stier Apis loslieten om voorspellingen te doen aan de hand van zijn passen, mocht het volk – tegen betaling – komen kijken. 

Het was normaal verboden voor gewone mensen om de tempel te betreden.

Priesters werken in deeltijd

Toen farao Horemheb in ca. 1319 v.Chr. de troon besteeg, bestond de Egyptische mythologie met zijn vele goden al bijna 1500 jaar. In die tijd was het aantal priesters in het hele rijk tot meer dan 100.000 man gestegen.

De meesten van hen zaten echter niet hun hele leven binnen de tempelmuren. Het grootste deel bestond uit leken: vrije burgers die voor korte of langere tijd in een tempel werkten.

Als een priester of priesteres niet aan het zingen of dansen was of offergaven neerlegde voor een god, deed hij of zij vaak dienst als ambtenaar voor de god.

In Karnak moest de graanschuur beheerd worden en hield iemand toezicht op de dorpen, velden en tuinen die de tempel in bezit had. 

Anderen ontfermden zich over de vele medewerkers van de tempel, zoals schrijvers, pottenmakers en jagers.

Wanneer een lekenpriester niet aan het werk was, kon hij net zo veel eten en drinken als hij wilde – en ook in bed waren er geen beperkingen. 

Buiten de tempelmuren waren huwelijken toegestaan, maar zodra een lekenpriester weer aan de slag ging, werd hij helemaal kaalgeschoren en mocht hij een etmaal geen seks hebben om rein te worden.

Goden in het zonnetje gezet

Burgers konden niet alleen in de tempel in contact komen met priesters, maar ook op de jaarlijkse feesten. Elke god had zijn eigen feest, en dat van zonnegod Amon-Ra viel in september.

Op een grote boot droegen priesters het standbeeld uit de tempel van Karnak. Amon-Ra bleef echter in zijn schrijn, want het gewone volk was niet waardig genoeg om zijn gezicht te zien.

Tijdens een feest konden mensen een god om raad vragen – bijvoorbeeld of een aanklacht wegens diefstal terecht was. 

Als de priesters voelden dat de boot van voren zwaarder werd, zakten ze door hun knieën en helde de boot voorover. Het antwoord was dan ja. Als de boot achterover ging, was het antwoord nee. 

Priesters werken ook buiten tempel

Het Egyptische begrafenisritueel vond buiten de tempel plaats. Priesters zeiden bezweringen op om de dode veilig naar het hiernamaals te brengen en hielden toezicht op het balsemen, dat volgens de voorschriften moest verlopen.

Priesters gingen ook op ziekenbezoek. Als de diagnose was gesteld, sloeg hij zijn boekrollen erop na. Vaak bestond de behandeling uit het opzeggen van formules, het toedienen van een kruidenelixer of een aansporing om een dier te offeren.

Bij bepaalde tempels konden mensen een offergift brengen, zoals een schaap, en een droom laten uitleggen.

Als er in een droom een gans geslacht werd, was dat een goed teken, want het gaf aan dat het laatste uur van je vijanden geslagen had. 

Kwam er een dwerg voor in een droom, dan voorspelde dat weinig goeds: je leven werd gehalveerd.

Niemand durfde vraagtekens te zetten bij dergelijke voorspellingen. Iedereen, van de laagste slaaf tot de farao, was er heilig van overtuigd dat de Egyptische goden over alles beschikten. 

De Egyptenaren aanbaden meer dan 2000 goden. Sommige veranderden in de loop van de geschiedenis van naam of smolten samen, maar het ontzag voor hen bleef groot.

© Shutterstock

Farao verzet zich tegen goden

Het wekte dan ook veel opschudding toen Amenhotep IV (ca. 1350-1334 v.Chr.) alle 2000 Egyptische goden aan de dijk zette en een nieuw geloof stichtte met maar één god: de zonneschijf Aton. 

De Aton-cultus schreef voor dat alleen de farao en zijn vrouw mochten bidden.

Het besluit van de farao om alle goden af te schaffen lijkt misschien gekkenwerk, maar volgens egyptologen was het een onderdeel van een machtsstrijd.

Al onder de vader van Amenhotep IV, Amenhotep III (ca. 1387-1350 v.Chr.), was het religieuze centrum Thebe zo machtig geworden dat de Amon-Ra-priesters niet meer alle bevelen van de farao opvolgden.

Zo wilden ze zelf hogepriesters kunnen benoemen in de tempel van Karnak, wat tot dan toe het alleenrecht van de farao was geweest.

Met zijn ingreep wilde Amenhotep IV vermoedelijk zijn positie versterken door de priesterlijke macht in te perken.

Tot afschuw van de priesters liet de farao zo’n 400 kilometer ten noorden van Thebe een nieuw religieus centrum bouwen, waarna alle oude tempels gesloten werden.

De soldaten van Amenhotep sloegen de godenbeelden die niet op tijd waren weggehaald kapot. 

Daarna zette de farao een streep onder het verleden door zijn naam te veranderen in Achnaton, ‘hij die Aton tot nut is’.

Maar Achnaton onderschatte zijn tegenstanders: de farao was de zoon van de goden, maar de priesters van Amon-Ra waren niet van gisteren. 

Ze begonnen de zoon en troonopvolger van Achnaton te bewerken en wachtten net zo lang tot de farao dood was.

Uit vrees door de goden gestraft te worden schafte Toetanchaten de nieuwe cultus een paar jaar na de dood van zijn vader af. 

Hij herstelde de oude goden in ere en veranderde zijn naam in Toetanchamon, ‘beeld van Amon’.

De latere farao Horemheb (1319-1291 v.Chr.) maakte het karwei af door beeltenissen van Achnaton en diens heilige stad Achetaton (‘horizon van de zonneschijf’) bij de huidige plaats al-Amarna te verwoesten.

Na 20 jaar in het verdomhoekje had de grote Amon-Ra met zijn priesters de ketterse Aton-cultus verslagen en was de kosmos weer in balans.

Van de enorme tempels tot het kleinste boerenhutje: overal in het Egyptische rijk werd weer gebeden tot de oude 2000 goden. 

Het rijk raakt in verval

De strijd tegen de ketterse koning had de macht van de priesters van Thebe gesterkt, en in de eeuwen die volgden daagden ze de farao herhaaldelijk uit.

Zo wist de hogepriester Herihor in 1080 v.Chr. farao Ramses XI te dwingen de macht met hem te delen.

De eeuwige strijd tussen de koning en de priesterstand ontwrichtte de stabiliteit van het land, en het machtige rijk viel langzaam maar zeker uit elkaar.

In 663 v.Chr. vielen Assyrische legers Egypte binnen en plunderden Thebe, en in 332 v.Chr. kreeg Egypte een nieuwe, buitenlandse heerser: de vermaarde Alexander de Grote uit Macedonië.

De Macedonische koning installeerde een stadhouder in Egypte. Generaal Ptolemaeus riep omstreeks 305 v.Chr. zijn eigen dynastie in het leven in het land: de Ptolemaeën.

Onder deze koningen kregen de Egyptische goden en priesters veel zelfstandigheid: ze kregen zelfbeschikkingsrecht en mochten de inkomsten van hun bezit houden – ze waren vrijgesteld van belasting.

‘Niemand mag zich met geweld iets toe-eigenen wat gewijd is aan de goden,’ luidde een Ptolemaeïsch voorschrift uit 118 v.Chr.

Toen in 30 v.Chr. de Romeinen Egypte veroverden, waren de farao, de goden en de geestelijken ten dode opgeschreven.

In een paar eeuwen verspreidde een nieuwe religie zich razendsnel vanuit Rome door de landen rond de Middellandse Zee: het christendom.

In 384 n.Chr. liet keizer Theodosius (347-395) alle Egyptische tempels sluiten en verbood hij het ‘heidendom’. Na 3000 jaar waren de Egyptische goden voor altijd uit de kosmos verdreven. 

Bekijk ook ...