Egyptische ambachtslieden legden het werk neer toen het salaris uitbleef.

© Bridgeman

Arbeiders van de farao legden het werk neer

Als het salaris uitblijft, komen de ambachtslieden van de farao in opstand. Ze pikken het niet dat de machtigste man van het rijk zijn verplichtingen niet nakomt. In 170 v.Chr. leggen ze woedend het werk neer en beginnen ze de eerste staking ooit.

23 maart 2018 door Mette Iversen

Vijfenhalve zak graan! Zo klonk de eis van de woedende arbeiders die in 1170 v.Chr. aanklopten bij de hoogste ambtenaar van de farao, de vizier.

Het graan hoorde bij het salaris dat overeengekomen was voor het aanleggen van een graf voor Ramses III in de Vallei der Koningen. 

Maar er was al drie weken geen loon betaald – en nu was het genoeg. De ambachtslieden zouden het werk pas hervatten als het graan uitgedeeld was. 

Het was een netelige kwestie voor de vizier – als het werk in de Vallei der Koningen uitliep, was het onderaardse graf dat in de rotsen werd uitgehouwen, misschien niet klaar als Ramses stierf.

Daarmee kwam zijn reis naar het dodenrijk in gevaar – en dus zijn leven in het hiernamaals. De vizier moest hier snel iets op vinden.

Waarheidsdienaren

De staking in de Vallei der Koningen van 3200 jaar geleden was het vroegst bekende arbeidsgeschil. 

Het conflict is beschreven in de papyrusteksten die vertellen van het leven op de enorme bouwplaats in de Egyptische woestijn.

Het dorp waar de ambachtslieden met hun gezinnen woonden, Set Maat, kreeg later de naam Deir el-Medina. 

Het lag op de westoever van de Nijl, niet ver van Thebe en op een klein eindje lopen van de Vallei der Koningen. Set Maat is te vertalen met ‘de plaats der waarheid’, en arbeiders die hier werkten werden ‘waarheidsdienaren’ genoemd.

De kleine samenleving bestond uit zo’n 70 huizen op het oppervlak van zes moderne woningkavels. Ze waren van baksteen gebouwd, gestuukt met klei en wit geverfd. 

Er waren drie kamers, een keuken, een ondiepe kelder en een trap naar het dak, waar de bewoners sliepen in de warmste maanden van het jaar.

De locatie was niet gunstig; door de omringende bergen kon de frisse bries uit het noorden er niet komen. 

Om hun woonplaats tegen de genadeloze zon te beschermen hadden de bewoners doek over de hoofdstraat gespannen. 

Maar ondanks de hitte wilden de Egyptenaren er graag wonen – als arbeider in dienst van de staat verdiende je niet slecht, en het was een eerzaam beroep.

Ze maakten dan ook deel uit van de middenklasse: ze hadden hun eigen huis en begraafplaatsen en verdienden drie keer zo veel als een boer.

In hun vrije tijd namen de arbeiders de samenleving op de hak in hun tekeningen. Ze draaiden de rollen om; zo is de kat hier de dienaar van de muis.

© Charles Ddwin Wilbour Fund

Vrije dag voor een kater

De administrateur van de farao, de vizier, verdeelde de arbeiders in twee ploegen. Ze werkten of in shifts, of aan twee kanten van een bouwproject. 

Elke ploeg werd geleid door een voorman en had een eigen schrijver. Deze laatste noteerde alles nauwgezet op papyrus – van de werktijden tot de vrije dagen.

Een ambachtsman moest acht dagen achter elkaar werken en overnachtte vaak op de bouwplaats, waarna hij twee dagen naar zijn gezin in het dorp kon. 

Maar als hij niet kon werken doordat hij door een schorpioen was gebeten of ziek op bed lag, werd hij niet uitbetaald. Voor een bruiloft of begrafenis kreeg hij een snipperdag. 

Volgens de schrijver vormden ook een echtelijke ruzie, een kater of het moeten brouwen van bier een geldig excuus om niet op te komen dagen. 

Vrije dagen gingen vaak op aan het werken aan het grafmonument van de eigen familie, vlak bij het dorp. 

Ook verdienden de arbeiders wel eens een extraatje door privé te werken voor hun baas als die hulp kon gebruiken voor zijn eigen grafmonument.

Om de komende generaties van werk te voorzien leidden de ambachtslieden vaak hun zoons op in hun vak, maar zelfs een leertijd van enkele jaren was geen garantie op een baan als dienaar van de waarheid. 

Bij een vacature was de concurrentie zwaar, en de mindere arbeiders moesten vaak werk zoeken in andere contreien – als ze althans geen rijk familielid hadden om de voorman om te kunnen kopen. 

Het maandloon kon een gezin van 10 personen voeden, en soms bleef er zelfs iets over om te ruilen tegen diensten of goederen voor het huishouden.

Sommige arbeiders hadden hun eigen bronzen gereedschap of koeien en ezels, een teken dat ze een zekere welstand hadden bereikt.

Gratis slaven als extraatje

Tijdens de ambtsperiode van Ramses III – circa 1186-1155 v.Chr. – werden de betalingen echter kariger. De positie van de ambachtslieden als welgestelde middenklassers werd bedreigd. 

In een papyrusrol van schrijver Amen-nakhte staat dat Set Maat bevoorrading misliep – maar de oorzaak daarvoor geeft hij niet. 

Geschiedkundigen wijzen erop dat de graanschuren leeg waren doordat de farao tal van bouwprojecten had lopen en veel middelen aan de oorlogsvoering tegen buurlanden besteedde.

Maar volgens een andere verklaring sleepten corrupte ambtenaren te veel graanzakken mee naar huis voor eigen gebruik. 

Papyrusrollen verhalen bijvoorbeeld van een ambtenaar van Ramses III die sjoemelde met de weegschaal als hij gerst en emmertarwe voor de arbeiders afwoog. 

In plaats van 40 hin – een hin is circa een halve liter – deed de ambtenaar maar 38 hin in de zakken en hij liet de overige twee in zijn eigen graanschuur verdwijnen. 

De ambachtslieden kregen ongemerkt vijf procent loonsverlaging.

Wat de oorzaak ook was, de onlusten verspreidden zich onder de hongerige arbeiders en op een winterdag in 1158 v.Chr. hadden ze er tabak van.

Boos gooiden de steenhouwers, schilders en metselaars hun gereedschap neer en kwamen in opstand. Ze marcheerden naar de tempel van de overleden farao Thoetmosis III, waar ze steen en been klaagden tegen de bewakers van het pompeuze paleis van de farao.

‘Wij hebben honger!’ riepen ze, en ze drongen door tot het binnenste van de tempel. Dat was voor hen verboden terrein, maar daar hadden ze met hun lege maag geen boodschap aan.

De demonstratie haalde niets uit, dus de volgende dag dromden de woedende werknemers weer samen – nu voor de tempel van de zittende farao, Ramses III. 

De schrijver Penta-weret haastte zich naar de ambachtslieden met eten, maar die lieten zich niet vermurwen, en toen de duisternis neerdaalde over het woestijnzand zetten ze hun actie voort.

‘We zijn hier omdat we honger en dorst hebben. We hebben kleding noch voedsel gekregen. Zeg tegen de farao, onze goede heer, en tegen de vizier en andere notabelen dat we willen eten,’ zo luidde de boodschap van de stakers.

Achter de tempelmuren besloten de ambtenaren dat ze bij de burgemeester van Thebe zouden aankloppen om iets uit de graanschuur van de farao los te peuteren. 

Algauw kregen de arbeiders tot hun vreugde een portie graan om de eerste wintermaand door te komen. Maar dat was slechts een zoethoudertje. 

Toen ze het graan op hadden, stonden ze weer voor de tempel, en zo ging het de hele winter door met demonstraties, fakkeloptochten, het dreigement de grafkamers te gaan plunderen en zo meer. 

De vizier zag zich genoodzaakt om zelf af te reizen naar de voorraden in het noorden, maar toen hij terugkwam biechtte hij op dat de graanschuren leeg waren.

‘Het is niet zo dat ik jullie niets wil geven, maar er is gewoon niets meer in de schuren over,’ gaf de vizier toe.

Arbeiders werden betaald met graan, vlees en slaven

De Egyptenaren kregen een mondeling arbeidscontract, maar salaris en voorwaarden werden nauwkeurig op schrift gesteld.

  • Basisloon
    Getrouwde mannen kregen een maandloon van vier zakken emmertarwe en anderhalve zak gerst. Waterdragers sleepten water voor hen van de bron naar huis. Jonge mannen zonder gezin kregen anderhalve zak emmer en een halve zak gerst.

  • Wekelijkse toeslag
    Eén keer per week kregen ambachtslieden een toeslag van groenten, bonen, stookhout en vis. Onder Ramses III had elke arbeider recht op twee kilo vis per week.

  • Kans op een bonus
    Bij bijzondere gelegenheden kregen de arbeiders een bonus in de vorm van bijvoorbeeld kleding, sesamolie, zoutblokken, zuiveringszout, dadels, koek en vlees of materialen van de bouwplaats voor de graven van de familie, waar buiten de stadsmuren plek voor was.

  • Extraatje: slaven
    De ambachtslieden hadden een team slaven die in shifts bij hen thuis werkten en door hen onderhouden werden. Ze hadden allerlei taken, van huishoudelijk werk tot het wegdragen van bouwafval.

  • Weekendje vrij
    Een arbeider had een werkdag van acht uur en werkte acht dagen achtereen. Dan volgden twee vrije dagen. Op officiële feestdagen werd er in de Vallei der Koningen niet gewerkt.

Stakers met rechtszaak bedreigd

De maanden verstreken in Set Maat, en toen de zomerse hitte op kwam zetten werden de arbeidersgezinnen nog altijd door honger geplaagd. 

Daarom gingen de ambachtslieden de barricaden weer op. De schrijver Amen-nakhte kwam de demonstranten zelfs tegemoet door ze elk twee zakken emmer te beloven. 

In het contract stond echter 5,5 zak graan per maand, dus waarom zouden ze met twee genoegen nemen? De voorman Khonsu droeg zijn mannen op om door te stoten naar de vizier.

Ondanks zijn sympathie jegens de arbeiders zette Amen-nahkte de hakken in het zand. ‘Ik heb jullie net een portie gegeven. Als jullie doorgaan, dan sleep ik jullie voor het gerecht,’ dreigde hij.

Dreigementen of niet, 11 dagen later passeerden de arbeiders nogmaals de tempelwachters. Hun leuzen bereikten nu zelfs de burgemeester van de stad Thebe. 

Hij moet hebben begrepen dat de protesten niet zouden ophouden zonder voedsel, dus hij liet 50 zakken emmer komen. Toen waren de stakers stil – voor zo lang als het duurde.

Ambachtslieden plunderen graven

Die zomerdag konden de arbeiders in de Vallei der Koningen hun buik dan wel rond eten, maar nog tientallen jaren bleven stakingen de relatie tussen de ambachtslieden en de farao bepalen.

De graanoogst mislukte keer op keer, er heerste honger en er was steeds minder werk. 

De opvolger van farao Ramses III, Ramses IV, breidde het aantal arbeiders weliswaar uit tot 120, maar nog geen tien jaar later moest Ramses VI flink bezuinigen. De helft van de arbeiders werd gedegradeerd tot slaaf of met gezin en al weggestuurd uit het dorp.

Sinds 1500 v.Chr. werkten de goed betaalde waarheidsdienaren in de Vallei der Koningen aan mausolea, maar de dagen van het zoete werkleven waren nu geteld.

In hun wanhoop plunderden ze de grafkamers die hun voorgangers uit het gesteente gehouwen en bont beschilderd hadden. 

Andere inwoners van Set Maat werden door Libische nomadenstammen uit het buurland verdreven, die ook uit waren op de schatten van de farao’s.

Het dorp raakte in verval, en pas zo’n 3000 jaar later vonden archeologen in de ruïnes de papyrusrollen die het hele verhaal uit de doeken deden over de eerste staking in de geschiedenis.

Lees ook

A.G. McDowell: Village Life in Ancient Egypt, Laundry Lists and Love Songs, Oxford University Press, 1999. 

Bekijk ook ...