De jaguar stond bij de Azteken voor macht, moed en kracht. De grootste kat van de Nieuwe Wereld kan met zijn scherpe klauwen en krachtige beet een prooi van drie keer zijn gewicht vellen. Daarom werd dit roofdier aanbeden. 

© Getty Images, Shutterstock & Osprey

Azteekse jaguarkrijgers offerden gevangenen aan de goden

200 jaar werden de jaguarkrijgers gevreesd om hun moed en woestheid. Ze gingen voorop in de strijd en joegen de vijand angst aan, maar hun belangrijkste taak was krijgsgevangenen te maken voor bloedige mensenoffers.

13 december 2017 door Else Christensen

We schrijven 1520, en Spaanse soldaten staan voor het eerst oog in oog met de Azteekse krijgers op een slagveld in Mexico. 

Het maakt een diepe indruk op de Spanjaarden: ‘De aanblik van de Azteken in gevechtsformatie is een van de fraaiste ter wereld, want de krijgers houden de formatie prachtig vast en zien er bovendien heel mooi uit. 

Er zijn buitengewoon moedige mannen bij die veel daadkracht tonen,’ zo meldt een anonieme Spaanse soldaat.

‘Ik zag hoe een van hen zich tegen twee snelle ruiters verdedigde, een ander tegen drie of vier. Omdat de Spaanse

cavaleristen hem niet konden doden, wierp een van hen uit wanhoop zijn lans naar de Azteek. De krijger griste de lans uit de lucht en bleef er nog een uur mee vechten, totdat twee infanteristen hem met pijlen wisten te verwonden.’

Voor de komst van de conquistadores waren de Azteken het sterkste volk van Midden-Amerika. In nog geen 200 jaar – van 1325 tot 1520 – groeide het uit van een onooglijk stadstaatje tot een machtig rijk. 

In de voorste linies van het uiterst gedisciplineerde en goed georganiseerde leger stonden dappere strijders, gekleed in jaguarvel: de jaguarkrijgers. Alleen al bij de aanblik van deze soldaten deed de vijand het in de broek.

De jaguarkrijgers waren niet alleen meedogenloze strijders; hun belangrijkste taak was het maken van krijgsgevangenen die aan de goden werden geofferd. 

Wil je een abonnement op Historia?

Hier vind je de beste aanbiedingen.

Alle Azteken moeten leren vechten 

De Azteekse cultuur was doordesemd van oorlog en bloedvergieten. Jongens werden opgevoed als soldaat, en dat begon al als ze nog maar vier dagen oud waren. 

Dan kregen ze een pijl en een schild, die samen met de placenta begraven werden in de richting van een vijandelijke stam. 

Op zijn 15e ging een Azteekse jongen van de bovenklasse naar een calmécac, een legeracademie, waar de rekruten niet alleen leerden hoe ze op het slagveld moesten opereren, maar ook onderwijs kregen in vakken als godsdienst en astrologie.

Zoons van boeren, ambachtslieden en handelaren kwamen op een telpochcalli, waar ze met wapens leerden omgaan en fysiek getraind werden voor de strijd. Het onderwijs op een telpochcalli stond in het teken van discipline.

Officieren en veteranen leerden de jongens bevelen blind op te volgen en met een zwaard, pijl-en-boog en atlatl om te gaan. Een atlatl was een slinger waar speren mee geworpen werden.

Tijdens hun lange opleiding tot soldaat moesten de jonge Azteken ook een soort maatschappelijke dienstplicht vervullen. 

In de hoofdstad Tenochtitlan werden straten en pleinen geveegd door rekruten van de vele militaire scholen.

Jongeren verzorgden ook de gewassen op de kunstmatige eilandjes rond de stad. Het zwaarste werk bestond uit het aanleggen van de kanalen waar de overige burgers over konden varen.

Bij wijze van krachttraining sleepten de rekruten brandhout van het bos naar Tenochtitlan. Elke dag werd er een extra blok hout op de rug van de leerlingen gelegd om erachter te komen of ze het ‘goed zouden doen in de oorlog als ze hen zouden inzetten’, zoals de Spaanse Codex Mendoza uit de 16e eeuw meldt. 

Dit werk beschrijft in woord en beeld het dagelijks leven en de grootste prestaties van de Midden-Amerikaanse Azteken. 

Het Azteekse leger was ingedeeld in compagnieën – xiquipilli – van doorgaans 400 man, die allen uit hetzelfde dorp op dezelfde wijk in de hoofdstad kwamen. Klik op de afbeelding om meer te leren over de gevechstactiek van de jaguarkrijgers.

Dansen rond het kampvuur

Elke wijk van Tenochtitlan had zijn eigen telpochcalli, en de rekruten aten dan ook gewoon thuis bij hun ouders. Maar alle overige uren van de dag brachten ze door op de school in het gezelschap van de andere leerlingen.

Als de training en het werk voorbij waren, gingen de jongens in bad. Vervolgens verfden ze hun lichaam zwart en trokken ze een luchtige mantel aan. Zodra de zon onderging, staken ze een vuur aan en dansten en zongen ze tot na middernacht.

Deze feesten moesten voor een band tussen de rekruten zorgen en de kameraadschap bevorderen zonder dat ze ontaardden in drankgelagen. 

Alcohol was uit den boze. Wie betrapt werd op het drinken van octli, het gegiste sap van de agave, werd zonder pardon doodgeslagen of opgehangen.

Lijfstraffen waren aan de orde van de dag op de Azteekse militaire academies. Als een rekruut een kleine overtreding begaan had, werd hij in oren, borst en benen gestoken met lange cactusnaalden.  

Vernedering als straf

Omgang met vrouwen was toegestaan, maar de nacht doorbrengen met een liefje of getrouwde minnares was niet de bedoeling. 

Als een rekruut dit verbod overtrad, werden zijn sieraden in beslag genomen en werd het haar in zijn nek afgeknipt.

Deze straf werd in het openbaar voltrokken, zodat de zondaar in het bijzijn van zijn kameraden werd vernederd.

Tekeningen in de Florentijnse Codex, een ander Spaans werk uit het eind van de 16e eeuw over de leefwijze van de Azteken, laten zien wat er gebeurde met een rekruut die ’s nachts thuis had geslapen in plaats van op school.

Op een afbeelding slaat een leraar een jongen op zijn hoofd met een stuk brandhout omdat hij ervandoor was gegaan met een prostituee.

Een andere rekruut, die in het geheim samenwoonde met een vrouw, werd ‘geslagen met een houten stok, zo hard zelfs dat hij flauwviel. 

Ze bewerkten zijn hoofd met vuur, zodat er rookwolken van zijn lichaam kwamen en er blaren op zijn huid verschenen. En toen hij weer bij was, duwden ze hem omver. Hij kroop stilletjes weg, hevig slingerend.

Beduusd trok hij zich voor altijd terug. Nooit meer zou hij zingen en dansen met de anderen,’ zo staat er geschreven in de Codex Mendoza.

Al tijdens hun opleiding werden de rekruten meegenomen naar het slagveld. Meestal hielpen ze een handje door wapens en andere uitrusting te dragen – de Azteken hadden geen paarden en kenden de wagen niet. 

Als een rekruut 20 was geworden, was de tijd rijp om aan de gevechten deel te nemen. Vaak hoefde hij niet lang te wachten, want de Azteken lagen voortdurend met hun buren overhoop. 

Elke Azteekse vorst trapte zijn regeringstijd af met een snelle oorlog om daadkracht te tonen. 

Rekruten zingen over de dood

Als een rekruut voor de eerste keer ging vechten, kreeg hij wat extra hulp. Veel ouders betaalden een ervaren strijder om mentor te zijn en hun zoon te helpen zijn eerste veldtocht te overleven.

Zo’n mentor kreeg goed eten, drinken en luxe goederen. Adellijke officieren in spe die voor het eerst oorlog gingen voeren, konden een voorsprong krijgen door extra lessen te kopen van ervaren jaguar-krijgers. 

De eerste aanblik van het leger moet overweldigend zijn geweest voor de nieuwe strijders. 

Er gingen zelden minder dan 8000 man op de vijand af, en de colonne soldaten die twee aan twee liepen strekte zich over zeker 6 kilometer uit. 

Op weg naar het slagveld overnachtten de krijgers in de open lucht. Alleen veteranen mochten onder een afdak van rieten matten slapen.

Terwijl de duisternis inviel, hieven de rekruten een lied aan: ‘Er is niets zoals te sterven in een oorlog, er is niets zoals een bloeiende dood. 

Dat behaagt Hem die het leven geeft,’ luidde een van de teksten die ze op school hadden geleerd.

Toch waren de jonge soldaten best zenuwachtig als ze de vijand naderden. Ze liepen het risico op een pijnlijke dood, maar de oorlog bood hun tegelijk de kans om het ver te schoppen.

Een Azteek die als zoon van een boer ter wereld was gekomen, werd onherroepelijk zelf ook boer – tenzij hij zich een dappere strijder toonde. Als hij zijn mannetje stond op het slagveld, dan kon hij in de adelstand verheven worden, waar de jaguarkrijgers toe behoorden.

Voor de Azteken was het belangrijkste doel van een oorlog het maken van krijgs-gevangenen, en de jaguarkrijgers gingen voorop in de jacht daarop. 

De eerste krijgsgevangene van een veldslag werd op het slagveld geofferd: zijn borst werd opengesneden met een vlijmscherp mes van obsidiaan, waarna de krijger het nog kloppende hart boven zijn hoofd hield.

Als dit ritueel ter ere van de oorlogsgod voorbij was, stortte het hele leger zich op de vijand. Hoe sterk die ook was, het werd als ongepast beschouwd om soldaten te doden. 

Dan konden ze niet gevangengenomen worden.

Als de tegenstander capituleerde, dan werden zijn steden geplunderd en de tempels platgebrand, maar de Azteken lieten de koning en adel van vijandelijke stammen vaak in leven. 

Die moesten zich aan de Azteken onderwerpen en jaarlijks een tribuut betalen.

Meteen na een overwinning rende er een bode naar Tenochtitlan om de koning te vertellen hoeveel mannen er waren gesneuveld en hoeveel krijgsgevangenen er waren gemaakt. 

Die zouden worden geofferd in de tempels van Tenochtitlan om de goden mild te stemmen. Anders zou de zon niet meer opkomen en zou er geen regen meer vallen.  

Azteken brachten hun vijanden alleen om het leven als het echt niet anders kon, want het rijk zat te springen om krijgsgevangenen. Die werden namelijk geofferd aan de goden, die bloed wilden zien. Als ze geen offers kregen, zou de wereld vergaan.  

© Getty Images

Dappere krijgers krijgen cacaobonen

Bij terugkomst in Tenochtitlan werd het leger feestelijk onthaald en toegejuicht. Jonge krijgers die overwinningen hadden behaald, werden rijkelijk beloond.

Als een onervaren soldaat zijn eerste krijgsgevangene had gemaakt, mocht hij eindelijk zijn haar opsteken in een knot boven op zijn hoofd. 

Voortaan mocht hij zich tlamani noemen – jager. Dan werd het gezicht van de jonge strijder rood geverfd met oker en ging hij langs bij de koning, die hem een mantel schonk met een grote schorpioen op de rug. 

Zo was de tlamani te onderscheiden van andere soldaten, die allemaal dezelfde kleur droegen. Als beloning voor de tweede of derde gevangene gaf de koning mooie schilden, gouden beeldjes, oor- en lip-sieraden en cacaobonen weg. 

Cacao was in het hele rijk een betaalmiddel.

Wie vier gevangenen had gemaakt, in één keer of meer, schonk de vorst een

oranje met zwarte mantel, waarna hij werd opgenomen in de vooraanstaande orde van de jaguarkrijgers.

Nu kon de kersverse jaguarkrijger gaan genieten van zijn privileges als lid van de adel. Zo mocht hij bonte kleren dragen en zich tooien met sieraden. 

En als klap op de vuurpijl mocht hij een mooi huis voor zichzelf laten bouwen en alcohol drinken in het openbaar.

Een jaguarkrijger werd uitgenodigd voor het diner in het koninklijk paleis en mocht zelfs sandalen dragen in de luxe vertrekken. 

Daarnaast had hij het recht er minnaressen op na te houden en het mensenvlees van offers te eten – een delicatesse die was voorbehouden aan de elite. 

En als de jaguarkrijger een zoon kreeg, zou deze worden opgenomen op een calmécac en opgeleid tot officier in het leger. De toekomst van de hele familie was daarmee veiliggesteld.

Als de koning in vredestijd onlusten in de hoofdstad wilde neerslaan, dienden de jaguarkrijgers als politiemacht in de straten van Tenochtitlan. 

En wanneer het leger er weer opuit trok, liepen de jaguars voorop. Op het slagveld vijzelden ze het moreel van alle troepen op met hun moed, kracht en behendigheid.

Nepoorlogen zorgen voor bloed

Vele generaties lang maakten de jaguarkrijgers het Aztekenrijk sterk. Uiteindelijk waren ze zo gevreesd dat er haast geen vijand meer te vinden was om tegen te vechten en moesten ze andere manieren bedenken om aan krijgsgevangenen te komen voor de bloedige mensenoffers.

Zo vochten ze ‘bloemenoorlogen’ uit, waarbij de Azteken met buurstammen afspraken een soort vriendschappelijke oorlog te voeren. 

Beide partijen onderhandelden over het aantal soldaten dat mocht deelnemen, en de winnaar mocht krijgsgevangenen maken en mee naar huis nemen om te offeren.

Pas toen de conquistadores met hun vuurwapens, harnassen en paarden in Mexico verschenen, hadden de jaguars een tegenstander die een maatje te groot was. In nog geen drie jaar was het gedaan met het machtige Aztekenrijk. 

Lees ook

Bekijk de kleurrijke Florentijnse Codex:

tinyurl.com/florentijnsecodex

In dit werk worden het dagelijks leven en de oorlogen in het Azteekse Rijk beschreven vóór de komst van de Spanjaarden. Het is gemaakt door Azteken die van 1540 tot 1585 voor een Spaanse monnik werkten.

Bekijk ook ...